Jean Drèze: ‘Op de sneltrein van economische groei zitten geen armen’

Belgisch-Indiaas topeconoom over armoedebestrijding in een groeieconomie

Als de economische crisis de volgende jaren overwonnen wordt en een aantal millenniumdoelstellingen tegen 2015 realiseerbaar zijn, dan is dat dankzij de indrukwekkende prestaties van China, India en andere Aziatische groeipolen. Toch blijft de strijd tegen armoede ook in die landen een uitdaging. MO* sprak in New Delhi met Jean Drèze, een invloedrijk economisch adviseur van de Indiase regering. Over groei, armoede en de toekomst van India.

  • Gie Goris 'Een van de grootste hordes voor sociale vooruitgang in India is de vijandigheid van de gepriviligeerden tegenover de minder begoeden.' Gie Goris

Jean Drèze werd in 1959 in België geboren en in 2002 tot Indiër genaturaliseerd. Hij is een prominent lid van de invloedrijke Nationale Adviesraad van de Indiase overheid, die geleid wordt door Sonia Gandhi. Drèze deed samen met Nobelprijswinnaar Amartya Sen politiek-economisch onderzoek naar de samenhang tussen democratische vrijheden en het voorkomen van hongersnoden, en geldt sindsdien wereldwijd als een van de briljante en geëngageerde geesten uit de economische professie.

Drèze is de architect van de Indiase Nationale Wet over Gegarandeerde Tewerkstelling op het Platteland (NREGA), die in 2005 ingevoerd werd. NREGA is een indrukwekkend sociaal beschermingsprogramma dat in 2009 gemiddeld 45 dagen werk verschafte aan 54 miljoen plattelandsbewoners. Lovende opmerkingen daarover wuift hij bescheiden weg: ‘Ik denk dat de media mijn bijdrage overschatten.’ Zijn legendarische bescheidenheid noch zijn prominente positie beletten Jean Drèze scherpe analyses te maken over zijn land van aankomst en keuze.

India geldt als een van de grote succesverhalen van de voorbije decennia. Is dat overeind gebleven na de mondiale economische crisis?

Jean Drèze: India heeft de storm beter doorstaan dan de meeste andere landen, dankzij een economie die niet zo sterk blootgesteld was aan de mondiale financiële marktschommelingen. De overheid, van haar kant, is zo verstandige geweest vooral te investeren in het handhaven van de koopkracht van de mensen, in plaats van miljarden te pompen in de financiële putten van de banken. Boeren kregen makkelijker toegang tot krediet, er werd meer geld vrijgemaakt voor het rurale tewerkstellingsschema en andere sociale dienstverlening werd uitgebouwd.

India is dus niet alleen een economisch eldorado, ook politiek en sociaal is het goed bezig?

Jean Drèze: Als je kijkt naar de economische groei is er geen twijfel mogelijk over het Indiase succes –zelfs als de groeipercentages van de voorbije twintig jaar lichtjes overdreven worden. Het probleem is dat de armoede veel te traag vermindert. En wat erger is: sinds de economische groei de hoogte in ging, verloopt de daling van de armoede trager. De voordelen van de economische groei worden onvoldoende en veel te traag verdeeld over de hele bevolking. Dat resulteert ook in snel toenemende ongelijkheid, zowel tussen inkomensgroepen, tussen regio’s als tussen landelijke en stedelijke gebieden. De Indiase overheid moet dus echt een versnelling hoger als het gaat over herverdelings- en sociale programma’s. En misschien moeten sommige groeistrategieën ook herbekeken worden.

Waarom?

Jean Drèze: De Indiase groeistrategie is vooral gebaseerd op het stimuleren van de consumptie door de middenklasse. Dat heeft ertoe geleid dat het platteland, de landbouwsector en het hele veld van het sociale beleid verwaarloosd zijn. Volgens cijfers uit 2005-2006 over de hoeveelheid en kwaliteit van voedselinname blijkt dat er de voorbije acht jaar zo goed als géén vooruitgang geboekt is –en dat in een land dat zijn nationale inkomen zo snel ziet groeien.

Worden de armen dan armer?

Jean Drèze: Het is niet dat de armen per se armer worden, ze zitten gewoon niet mee op de sneltrein van economische groei. Het aantal armen is de voorbije decennia gedaald, maar dat is nauwelijks een verdienste als de economie zo snel groeit. Wat echt relevant is, is de traagheid waarmee die armoedevermindering verloopt. Een van de belangrijkste factoren om die onaanvaardbare traagheid te verklaren, is de combinatie van de groeiende ongelijkheid met het gebrek aan een doordacht en samenhangend sociaal beleid.

De Indiase armen uitten hun onvrede met die gang van zaken via vrije verkiezingen, niet?

Jean Drèze: In feite hebben we geen echte gegevens om te verklaren waarom Indiërs zus of zo stemmen. Persoonlijk geloof ik niet dat mensen stemmen op basis van het beleid dat in Delhi gevoerd wordt. Veel mensen kunnen niet eens het onderscheid maken tussen de verschillende partijen en hun symbolen. Wat mensen wél weten, is wie de lokale kandidaten zijn. Wat er voor hen echt toe doet, is uitmaken wie in staat is om je een rantsoenkaart of een andere manier om te overleven te bezorgen –ongeacht de partij waartoe de kandidaat behoort.

Hoeveel Indiërs leven in armoede?

Jean Drèze: De armoedegrens die in India gehanteerd wordt, ligt erg laag als je ze vergelijkt met die in andere landen. In het begin van de jaren 2000 ging men uit van 26 procent echte armen, wat zeker onrealistisch is want zowat vijftig procent van de Indiërs heeft af te rekenen met ondervoeding. De Tendulkar Commissie –die de gehanteerde normen moest herbekijken– komt uit bij een armoedegrens waar 42 procent van de Indiërs op het platteland onder leeft.

Die armoedegrens is in India meer dan een statistische benchmark, ze wordt ook gebruikt om te beslissen wie van bepaalde sociale programma’s kan genieten en wie niet. Op die manier worden de onzekerheden onzichtbaar van al degenen die net boven die toevallig afgesproken grens uitkomen. Een boer kan grond bezitten, maar toch een slechte oogst hebben. Zelfs ambtenaren worden soms maandenlang niet uitbetaald.

Er zijn dus nog meer mensen die sociale ondersteuning nodig hebben…

Jean Drèze: Ondanks de wijdverbreide onverschilligheid in beleidskringen tegenover de sociale noden, zijn er de voorbije jaren een aantal interessante wetten goedgekeurd. De Nationale Wet over Gegarandeerde Tewerkstelling op het Platteland is daar een van. Het gaat om een ernstige poging om mensen op het platteland een begin van sociale zekerheid te geven. Daarnaast heb je het Recht op Onderwijs en het Recht op Informatie. En voorts is er momenteel een levendige discussie gaande over het Recht op Voedselzekerheid. Die wet wil mensen minimale voedselveiligheid verschaffen door een combinatie van een publiek distributiesysteem voor gesubsidieerd basisvoedsel, kindervoedingsprogramma’s, gemeenschapskeukens en voorzieningen voor ouderen, zwangere vrouwen en gehandicapten. Naast dat soort sociale voorzieningen en directe subsidies, is het vooral van belang dat in India de kwaliteit van de publieke dienstverlening verbetert. Als je weet dat op elke willekeurige dag in pakweg de helft van de scholen in India geen les gegeven wordt, dan besef je meteen hoe dramatisch het met het onderwijs gesteld is. Ook het gezondheidssysteem, dat in extreme mate geprivatiseerd is, bevindt zich in een onvoorstelbaar slechte staat. Dat kan zo niet langer. India kan veel meer doen om een echte en functionele sociale zekerheid uit te bouwen. Maar dat lijkt niet tot de prioriteiten van de politieke partijen te behoren.

Waarom blijft de helft van de Indërs op het platteland arm?

Jean Drèze: Mensen hebben vaak geen of te weinig land, ze hebben geen of te weinig onderwijs genoten, de politieke democratie houdt weinig of geen rekening met hun belangen… En armoede in India heeft ook nog altijd te maken met naakte exploitatie en onderdrukking. De grondproblematiek is een centrale problematiek en zal dat in de komende jaren nog meer worden. Middenklasse India gelooft dat de landhervorming in de vroege jaren van de onafhankelijkheid aangepakt en opgelost is. Maar veel problemen rond landbezit blijven bestaan. Mensen worden van hun grond verdreven voor mijnbouw, industriële projecten of infrastructuur. Landbouwgrond wordt schaars terwijl de landbouwproductie dringend de hoogte in moet.

Is er nog wel toekomst voor kleinschalige landbouw?

Jean Drèze: Op dit moment is de productiviteit van de kleinschalige landbouw in India nog steeds een stuk hoger dan die van grootschalige landbouw. Er zijn dus goede redenen om daar niet al te snel afscheid van te nemen. Intussen zoeken meer en meer mensen ook andere inkomensbronnen, maar ze blijven tegelijk ook nog wel boeren en dat zal de komende 25 jaar ook wel zo blijven. Ik zou dat transitieproces niet bruskeren, het is zo al hard genoeg voor de betrokken bevolking. Dat merk je bijvoorbeeld aan de vele zelfmoorden onder boeren.

In hoeverre is kaste een verklarende factor voor de blijvende armoede?

Jean Drèze: Dat heeft er zeker mee te maken. Op het platteland is het kastesysteem nog steeds erg aanwezig en laat het een spoor van discriminatie en verdrukking na. Zelfs in steden zorgt de kaste voor een belangrijke sociale verdeling, al is het karakter daar minder open en minder brutaal dan op het platteland. De meeste hoge posities bijvoorbeeld worden ingevuld door mensen van de hogere kaste –rechters, onderzoekers, uitgevers, ceo’s, ngo-bonzen… Een van de grootste hordes voor sociale vooruitgang in India is de vijandigheid van de gepriviligeerden tegenover de minder begoeden. Dat is niet enkel een kwestie van klassetegenstelling, maar ook van kaste.

Ondergraaft dit alles niet uw stelling dat extreme armoede en honger minder kans krijgen in een democratie, omdat de politici verkozen moeten worden door de slachtoffers?

Jean Drèze: Ik denk het niet. De politieke wereld wordt vooral tot reactie gedwongen bij grootschalige en plotse rampen, terwijl dagelijkse ondervoeding en uitbuiting –ook wanneer ze massaal zijn– blijkbaar veel minder druk veroorzaken op het beleid. Amartya Sen beschrijft democratie vaak als regeren op basis van discussie. En daar heeft India inderdaad geen gebrek aan. Maar als je democratie beschouwt als fundamenteel verbonden met gelijkheid en echte participatie van burgers aan het bestuur van het land, dan staan we nog niet ver. Onze democratische instellingen en burgerlijke vrijheden geven de mogelijkheid om kritiek te uiten, een beroep te doen op het gerecht… Maar op het vlak van participatie en het delen van de macht leveren ze onvoldoende op.

Komt het nog goed met de Indiase democratie?

Jean Drèze: Toch wel. Kijk naar het Recht op Informatie. Die wet kwam er na jarenlang volgehouden acties, niet door de massa’s in de straat, maar door mensen die overtuigd waren van hun zaak en die op heel veel verschillende manieren anderen gemobiliseerd hebben. Hun werk levert nu een instrument op dat heel veel betekent voor de transparantie en verantwoording van de overheid en het sterk maken van de burgers. Het is ook een voorbeeld voor de sociale bewegingen in India. Zij moeten de aanwezige kansen veel meer benutten in plaats van zich vast te rijden in een uitsluitend vijandige houding tegenover de overheid. Dat betekent niet dat straatprotesten of andere vormen van confrontatie overbodig geworden zijn, maar wel dat de kansen van het systeem onderbenut worden.

De kritiek op sociale programma’s –zoals de Wet over Gegarandeerde Tewerkstelling op het Platteland– is dat ze de armen wel in leven houden maar armoede niet doet verdwijnen.

Jean Drèze: Als het alleen om een vervangingsinkomen zou gaan, dan zou dat misschien kloppen. Al zou ik daar toch ook niet al te lichtvaardig over doen, want voor veel mensen is dat echt belangrijk. Maar het is een sociaal programma dat veel kansen schept voor de organisatie van informele werkers. Dat is cruciaal, want wie radicale verandering nastreeft, moet de armen in staat stellen zichzelf te organiseren, hun eigen eisen te formuleren en die ook te realiseren. De fundamentele kracht van het programma zit daarom niet in de steun die mensen krijgen, maar in de rechten die ze verwerven, waardoor ze ook een stem en een belang in het systeem krijgen.

Volgens de Indiase historicus Ramachandra Guha moet er een moratorium op nieuwe mijnprojecten komen en een afspraak dat de inheemse gemeenschappen een belang van vijftig procent krijgen in elk mijnproject op hun territorium.

Jean Drèze: Dat lijken me geen slechte voorstellen, maar de oorzaak van de maoïstische opstand is complexer dan de mijnbouw. De hele relatie tussen de staat en de mensen is in de betrokken deelstaten verzuurd. Politici, politie, boswachters en ontwikkelingswerkers vertegenwoordigen er allemaal een systeem dat de bevolking uitbuit en marginaliseert. Dat verklaart grotendeels de sympathie die de maoïsten krijgen van die bevolking. Er moet niet alleen een oplossing komen voor de grondconflicten rond mijnbouw, ook de rechtstaat moet hersteld worden zodat er opnieuw vertrouwen kan groeien tussen de mensen en de staat.

De overheid kiest echter voor een militarisering van het probleem.

Jean Drèze: De enorme investeringen in meer politie en leger om de opstand te bestrijden, zijn contraproductief: de maoïsten zijn nooit sterker of populairder geweest. Dat is niet verwonderlijk als het leger een vrijbrief krijgt om te schieten en te doden, zonder ooit verantwoording te moeten afleggen. Er zijn fundamentele wijzigingen nodig in de manier waarop de rechtspraak, de politie en zelfs de ontwikkelingsbureaucratie functioneren. Er is bijvoorbeeld een wet die het onmogelijk maakt om een ambtenaar te vervolgen zonder de toestemming van de overheid. Uiteraard verleent die overheid nooit de toestemming en dus zijn ambtenaren de facto immuun voor strafvervolging.

Met de wet over Recht op Informatie wordt een begin gemaakt aan transparantie. Dat is het begin en een noodzakelijk onderdeel van het afleggen van verantwoording. Allerlei mensen en bewegingen maken dan ook gebruik van dit recht op informatie. Dat geeft hoop voor de toekomst.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur