De exodus uit Syrië in beeld gebracht

In twee roadmovies brengen Syrische filmmakers de val van de revolutionaire Syrische droom in beeld. In beide films keren de regisseurs terug naar hun land, waarbij ze een zelden vertoonde inkijk geven in de drama’s van de Syrische vrijheidsdenkers.

  • © Rafat Alzakout Home © Rafat Alzakout
  • © Mohammad Ali Atassi Our Terrible Country © Mohammad Ali Atassi

Toen ik in oktober Libanon bezocht om over de Syrische vluchtelingen te schrijven, ontmoette ik er de Syrische filmmakers Mohammed Ali Alatassi en Rafat Alzakoet.

Ali Alatassi woonde en werkte nog voor het uitbreken van de Syrische revolutie in Beiroet. Alzakoet verliet zijn geliefde Damascus toen de revolutie werd gekaapt door het geweld.

Het lange koffiemoment met Alzakoet in de hippe Gemmayze-wijk kwam tussen het pakken en het afhandelen van administratieve rompslomp van zijn laatste week in Libanon door. Het hield hem bezig hoe hij de Syrische cultuur en het daaraan gekoppelde geweldloze verzet nog zou kunnen dienen in Berlijn, dat – anders dan het oosterse Beiroet – ver van zijn geboortestad Damascus lag. Hij verlangde er ook niet naar om zijn verworven status als kunstenaar en het daaraan verbonden netwerk in het Oosten in te wisselen voor een nog blanco visitekaartje zonder lokale verwezenlijkingen.

Over vertrekken wilde Mohammed Ali Alatassi, Syrische journalist en zoon van Noerdin Ali Alatassi – de president die in 1970 door Hafez Assad (vader van) werd afgezet en gedetineerd – niet praten. Als journalist is Beiroet al vijftien jaar zijn uitvalsbasis, rechten of geen rechten. ‘Ik ben een expat met goede voorwaarden, en heb goede en persoonlijke redenen om hier te blijven.’ Maar, voegde hij eraan toe, blijven was ook niet gemakkelijk, want het betekent van dichtbij toekijken bij de val van zijn land Syrië en de repercussies daarvan op de anderhalf miljoen Syriërs in Libanon, dat hen liever kwijt dan rijk is.

De verbannen hoop

In zijn gelauwerde documentaire Ons vreselijke land (2014) volgen we de hachelijke tocht van de bekende Syrische dissidente schrijver Yassin al-Haj Saleh (53) en de jonge fotograaf Ziad Homsi (24) van Doema naar het noorden van Syrië, naar het door IS bezette Raqqa. De film werd opgenomen op een moment dat de hoop op een kortetermijnoplossing voor Syrië wegkwijnde, maar de mogelijkheid om zo’n project te ondernemen, hoe gevaarlijk ook, er nog was.

‘Ook al lijkt het een slachthuis vandaag, dit is ons land.’

De film opent midden in de vernietiging, in een kapotgeschoten Doema. Een vernield flatgebouw wordt door de verzetsstrijders heroverd op sluipschutters. Ziad Homsi is een van hen, een fotograaf met een vuurwapen. ‘Ik had liever een chiquere en minder dure vrijheid gehad, maar we hebben geen keuze,’ repliceert hij op de vraag of dit de vrijheid is die hij als jonge revolutionair wil. Syrië beleeft op dat moment zijn derde conflictjaar.

Later zal Ziad vertellen dat hij het gewapend verzet heeft opgegeven. Hij vreest ‘dat hij met de wapens misschien wel een politiek project verdedigde waar hij later niet meer mee akkoord zou kunnen gaan’. Het idee van vrijheid is weg, klinkt het. En hij waarschuwt voor de vele vijanden die de Syriërs hebben. ‘We mogen vooral onze interne vijand niet vergeten, een vijand die we niet kennen.’

In de film volgen we hoe Yassin vanuit Doema, waar groentetuinen naast lijkhuizen liggen. Het leven zoals het is: leven en dood verbonden. Met zijn vrouw Samira bezoekt hij Goeta, de stad die het Assad-regime in augustus 2013 met chemische wapens bestookte. Dit is een stad, overigens, waar najaar 2015 ondanks alles nog steeds mensen wonen, vertelt regisseur Ali Alatassi. Maar in de film is de aanblik van de stad zeer brutaal, ontdaan van menselijkheid en leven. ‘De menselijke verhalen zitten toch nog vast in de verwoeste huizen’, zegt Samira in de film.

Vanuit Doema gaat de film verder naar Raqqa, een moeilijke tocht van negentien dagen in volle zomerhitte en dreiging. De kijker krijgt te zien hoe de frustratie en de doelloosheid Yassin in hun greep krijgen. ‘Mijn eindbestemming dreef steeds verder weg’, aldus Yassin, die zich ongerust maakt over zijn ontvoerde broer Firas en over Samira, die in Doema is achtergebleven. Samira, zo leren we later, wordt ook ontvoerd en is vandaag nog steeds vermist.

In de film heeft Yassin het over de ballingschap van de Syriërs. ‘Toen ik zelf – voor de revolutie – verbannen was, haatte ik het woord, het voelde aan als de spot drijven met diegenen die in het land achterbleven. Het woord combineert vier andere betekenissen: opstand, ontsnapping en versplintering en de hoop op terugkeer. Want ook al lijkt het een slachthuis vandaag, dit is ons land. We hebben geen ander dan dit vreselijke land.’

© Mohammad Ali Atassi

Our Terrible Country

Toen het huis even een thuis werd

Ook Rafat Alzakoet brengt met zijn documentaire Thuis (2015) in beeld hoe de grote droom van de revolutionairen over een toekomst zonder dictator overgaat in een strijd tegen Assad en Daësj om te eindigen in een vluchtelingenstroom.

De film begint in Manbidzj, als de Syrische Revolutie in haar tweede jaar is. Alzakoet, die zelf ook deel uitmaakt van de docu, bezoekt de bevrijde stad om er mee te werken aan een poppentheaterproject. Hij beschrijft het huis waarin ze elkaar ontmoeten: kunstenaars, theatermakers, dansers, tekenaars, strijders. ‘Dit oude huis met duizenden projecten en verhalen, dit is thuis, met een leger van getalenteerde mensen. Wie had zich dit kunnen voorstellen voor de revolutie, zonder gearresteerd te worden?’

‘Je kunt niet zeggen dat ik vluchtte. Ik werd verbannen.’

Tegelijk neemt het geweld toe, nog op de achtergrond. Bij een luchtaanval leert Alzakoet hoe ‘het horen van een MIG betekent dat je de aanval hebt overleefd, want MIGs zijn sneller dan het geluid’. Het tekent het moment: een tussen hoop en vrees.

Een tekenaar vertelt. ‘Dit is nog geen goede tijd voor tekeningen. Natuurlijk zijn er nu belangrijker dingen. Maar ik voel wel het verschil, voor en tijdens de revolutie. Ik adem in en uit.’ Moehamed, de gedeserteerde soennitische luitenant, droomt hoe zijn liefde voor een alawitisch meisje misschien mogelijk wordt als de revolutie achter de rug zal zijn.

Wat begint als een kunstproject dat verlichting en hoop wil brengen in een geïsoleerde stad, gaat echter over in de vraag ‘wat een theaterstuk in godsnaam aan de werkelijkheid zal veranderen’. Het cynisme en de wanhoop nemen de overhand. De revolutie is gekaapt door de buitenlanders, de smerige vatenbommen van Assad blijven vallen. Dag na dag. 

‘Toen ik Manbidzj verliet’, vertelt Moehamed, ‘wist ik dat het nooit meer hetzelfde zou zijn, dat de hoop weg was, dat ik nooit met mijn geliefde meisje zal trouwen.’ Hij trok weg, naar Turkije, samen met Tadzj, de danser uit Manbidzj. Ook zij willen het geen vlucht noemen. ‘Vluchtte ik?’ vraagt Tadzj zich af. ‘Nee, je kunt niet zeggen dat ik vluchtte. Ik werd verbannen.’ 

Our Terrible Country. Regie: Mohammad Ali Atassi, Ziad Homsi, 2014, Libanon/Syrië, 80 minuten. Onder meer te vinden op de online documentairecinema Doc Alliance Films: dafilms.com.
Home. Regie: Rafat Alzakout, Libanon/Syrië, 2015, 70 minuten (nog niet beschikbaar op DocAlliance).

Dit artikel werd geschreven voor het winternummer van MO*magazine. Voor slechts €20 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2388  proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur