Eén vrouw daagt het leger uit

De westerse oorlog tegen de Afghaanse taliban is een van de grootste oorlogsinspanningen van deze eeuw, en tegelijk een van de meest onzichtbare, zowel in fictie als non-fictie. Dat maakt “De zoon van mijn moeder” tot een must-read, want het conflict wordt in deze roman niet als een politieke strijd, maar als een menselijk drama benaderd.

  • Marines (CC BY-NC-1) Roy-Bhattacherya: 'Ik stoor me al heel lang aan het gebruik van Griekse mythen om westerse vooroordelen te verantwoorden.' Marines (CC BY-NC-1)

Als er een land is dat meteen geassocieerd kan worden met de term drama, dan is het zeker Afghanistan.

En dan verwijst dat niet alleen naar het uitzichtloze lijden van de Afghaanse bevolking de voorbije 35 jaar van oorlogen, bezettingen, broedermoord en culturele rampspoed.

Afghanistan is ook een drama in de Griekse betekenis van het woord: het toneel van een strijd om het wezen van de mens zelf, een bijbels landschap waarin vragen over goed en kwaad zonder postmodern cynisme uitgevochten worden. In Afghanistan wordt de uitkomst van die confrontaties niet getemperd door het kleinburgerlijke verlangen naar een goede afloop, maar getekend door de tragiek van het bestaan in al zijn extremiteit. De zoon van mijn moeder –in het Engels gepubliceerd als The Watch- vat die dubbele vorm van Afghaanse dramatiek.

In Afghanistan wordt de uitkomst van confrontaties niet getemperd wordt door het kleinburgerlijke verlangen naar een goede afloop.

Het verhaal over een confrontatie tussen een Pasjtoense vrouw en Amerikaanse soldaten wordt uitgewerkt als een actuele versie van Antigone van Sophocles, waarin Antigone de morele plicht om Polyneikes te begraven hoger acht dan het absolute verbod dat Creon, de heerser en haar toekomstige schoonvader, daarover uitsprak.

‘Het lot dat mij nu overkomt, neem ik als onbeduidend lijden; maar indien ik had geduld dat moeders dode kind een onbegraven lijk bleef, dan zou dat me leed doen; maar om dit hier lijd ik  niet’, met die verzen uit Antigone opent Roy-Bhattacharya zijn roman. De oorspronkelijke titel die hij voor dit verhaal in gedachten had, was Antigone in Kandahar.

De verloren strijd

Roy-Bhattacherya’s Antigone verschijnt meteen in de eerste zinnen van het boek op het toneel. Nizam is de zuster van een Pasjtoense militant die de afgelegen Amerikaanse buitenpost Tarsândan aangevallen heeft en daarbij gedood werd. Ze komt uit de bergen op een karretje dat ze met haar handen voortbeweegt en positioneert zich meteen centraal in beeld van de Amerikaanse uitkijkpost (The Watch) en centraal in het verhaal.

Ze eist het lijk van haar broer Yoesoef om hem de begrafenis te geven die hij volgens de traditie verdient. Wat volgt is een epische confrontatie tussen een onverzettelijke vrouw en een stel soldaten in een vreemd land.

Het decor –een verzengende hitte overdag en bittere koude ‘s nachts op de vlakte voor de outpost, de eenzame vrouw met geamputeerde benen die dat alles doorstaat en het Amerikaanse bataljon dat nog bekomt van de aanval door de Afghaanse opstandelingen- intensifieert de onderliggende confrontatie tussen (Pasjtoense) moraal en (Amerikaanse) macht.

Het gebrek aan empathie van de politieke en militaire beleidsmakers wordt extra onderlijnd door de menselijkheid van de personages.

Na het openingshoofdstuk waarin de gebeurtenissen vanuit het oogpunt van “Antigone” verteld worden, volgen zes hoofdstukken die telkens vanuit het standpunt van een van de Amerikaanse militairen geschreven worden.

Zij beschrijven zowel hun eigen reactie op de Pasjtoense vrouw en de vreemde oorlog waarin ze terechtgekomen zijn, als hun persoonlijke geschiedenissen, via flashbacks en dialogen met andere militairen.

Het resultaat is een verhaal dat de menselijkheid van alle actoren op het terrein ervaarbaar maakt –wat het gebrek aan menselijke empathie en ratio van de politieke en militaire beleidsmakers van beide kanten van het conflict nog eens extra onderlijnt. Want de oorlog is uitzichtloos en de hooggestemde doeleinden onmogelijk te realiseren.

‘Als je mensen doodt en hun familie uitroeit, hun huizen bombardeert en hun dorpen platbrandt, hun akkers bezaait met fragmentatiebommen en hun vee neerschiet, dan heb je de strijd om hun sympathie te veroveren al verloren’, zegt de medisch verantwoordelijke van de buitenpost op een bepaald moment.

De strijd draait uiteindelijk om de vraag wie mag bepalen wat goed en wat slecht is.

Hij is ook degene die zich inspant om de lokale cultuur en geschiedenis te kennen en te begrijpen. Hij verwoordt niet alleen de reden van het falen van de militaire bezettingsstrategie, maar ook het inzicht dat de strijd uiteindelijk draait om de vraag wie mag bepalen wat goed en wat slecht is. Die vraag wordt met name belichaamd door Nizam met haar onwankelbare geloof in de rechtschapenheid van de pasjtoenwali, of Pasjtoense culturele code, en die zich door geen overmacht of doodsdreiging laat afschrikken.

Daar tegenover staan vele en toenemende twijfels aan de kant van de troepen die maar al te goed beseffen dat ze zich op vreemde grond bevinden, meer bepaald op het land van de mannen die hen aanvallen en de vrouwen die hen uitdagen.

Het zijn net mensen

De kracht van De zoon van mijn moeder zit in het volgehouden respect voor de eigenheid van alle personages, ook het centrale, Pasjtoense karakter van Nizam. Haar morele universum wordt niet voorgesteld als een relict uit de middeleeuwen dat dringend aan moderne, verlichte inzichten toe is.

Haar integriteit wordt niet in vraag gesteld en ze voldoet nergens aan de clichés die in de oriëntalistische literatuur van oosterse culturen en vrouwen gehanteerd worden. Dat betekent niet dat Roy-Bhattarcharya een romantische visie heeft op de positie van vrouwen in Pasjtoense gemeenschappen, hij weigert gewoon te voldoen aan de verwachtingen van de westerse markt.

‘Ik stoor me al heel lang aan het gebruik van Griekse mythen om westerse vooroordelen te verantwoorden.’

In een interview (dat zonder bronverwijzing op zijn site staat) zegt de auteur: ‘Ik stoor me al heel lang aan het gebruik van Griekse mythen om westerse vooroordelen te verantwoorden.’ Roy-Bhattarcharya stoort zich aan de vertekende voorstellingen van oost en west, die ‘door pseudowetenschappers gebruikt wordt om de racistische grondvesten te leggen voor parodieën zoals de film 300, waarin perfect gebouwde Spartanen het opnemen tegen letterlijk monsterlijke Perzen.’

Maar ook de Amerikaanse soldaten krijgen een authentiek karakter. Zij voldoen niet aan het vijandsbeeld dat van hen circuleert bij Afghaanse opstandelingen en dorpsbewoners, maar ook in anti-oorlogskringen in het Westen. De motivaties van de soldaten zijn divers en niet eenduidig, maar ze zijn vaak wel eerlijk en altruïstisch –dat laatste in zijn patriottisch-nationalistische vorm.

De auteur kiest als zijn voornaamste Amerikaanse karakter luitenant Frobenius, die het Antigone-thema in het legerkamp introduceert omdat hij de klassieke literatuur bestudeerd heeft en zijn vrouw heeft leren kennen in het amateurtoneel dat de Griekse drama’s opvoerde. Dat gaat in tegen alle clichés die we kennen over cultuurloze, laaggeschoolde Amerikaanse soldaten. Toch is dat personage wel degelijk gebaseerd op het verhaal van een luitenant bij de mariniers en een soldaat die in Irak gelegerd was.

Het kwaad is een systeem

De menselijke portrettering van de tegenspelers versterkt het morele dilemma dat het verhaal voortstuwt, en dat zowel de vraag over ethisch handelen versus gehoorzaamheid aan regels betreft, als het grotere vraagstuk over oorlog, bezetting en respect aan de orde stelt.

Het maakt niet uit of je een groentje of een generaal bent: je zit vast op een lopende band van dood en vernietiging.

Luitenant Frobenius zegt op een bepaald moment: ‘Dit is het tijdperk van Creon. Alleen is hij overal. Hij is de regering en de bedrijven en al het andere dat belangrijk is, en hij is volkomen anoniem. Hij is een machine, een systeem, hij heeft zijn eigen logica, en zodra je daar een deel van bent geworden, maakt het niet meer uit of je een groentje of een generaal bent: je zit vast op een lopende band van dood en vernietiging. En dat is nog het treurigste. Het treurigste is dat we allemaal deel zijn van Creon. We zijn allemaal bezoedeld en we kunnen er niets tegen doen.’

Het boek spreekt die stelling niet tegen – het is tenslotte een Grieks drama – maar neemt tegelijk de individuele keuze- en verantwoordelijkheidsvraag niet weg. Daarvoor zorgt de voortdurende en centrale aanwezigheid van “Antigone” wel. Het kwaad mag dan wel systemisch zijn, de mens kan zich daar niet achter wegstoppen.

De zoon van mijn moeder door Joydeep Roy-Bhattacharya is uitgegeven door De Geus. 349 blzn. ISBN 978 90 445 1397 4

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur