Drie dekoloniserende boeken over Afrika gisteren, vandaag en morgen

Geef Afrika de plaats die het verdient

© Reuters

In de 17de eeuw ontstond voor het eerst, schrijft Howard French, ‘een onverbreekbare band tussen zwartzijn en slavernij’, op het eiland Sao Tomé.

Op zoek naar sterke argumenten in het dekolonisatiedebat stuitte MO*journalist Kris Berwouts op drie boeken in verschillende talen van auteurs met verschillende achtergronden (een Afrikaan, een Europeaan en een Afro-Amerikaan). Alle drie willen ze Afrika opnieuw in het centrum van zijn geschiedenis zetten.

Zondag 29 mei, half tien ‘s avonds, ergens tussen Tienen en Brussel. In mijn weinig ceremoniële wagen breng ik Howard French terug naar zijn hotel bij de Grote Markt. Hij is die ochtend aangekomen uit zijn woonplaats New York om de volgende dag een lezing te houden in het Brusselse stadhuis over ‘The empowerment of Africa’. Hij heeft net al warmgelopen met een gesprek met een paar deskundologen. Ondanks de jetlag staat French op scherp.

Niet alleen kent hij de Afrikaanse actualiteit erg goed – hij was jarenlang Afrikacorrespondent voor The New York Times –, hij heeft net zowat de geschiedenis van het continent herschreven. In Born in blackness houdt hij een briljant beargumenteerd pleidooi voor de erkenning van de immense bijdrage van Afrika aan de moderniteit. Getuige ook de uitgebreide ondertitel van zijn boek: Africa, Africans, and the Making of the Modern World, 1471 to the Second World War.

Bovendien is hij al bezig aan een volgend boek, over kolonisatie. Een paar uur na zijn aankomst in België liep hij al rond in het Afrikamuseum in Tervuren. Hij wil meer weten over de commissie die het koloniaal verleden bestudeert, het bezoek van koning Filip aan Congo en de tand van Lumumba.

Het werd een interessant gesprek. De avond heeft niet lang geduurd, Howard is moe. Zondagochtend aankomen, dinsdagochtend terug naar de VS, ondertussen de lezing en een paar gesmaakte mediaoptredens. Ik ben blij dat ik hem naar Brussel kan voeren. We praten na over zijn boek, over Afrika en over blues.

Ontwikkeling dankzij Afrika

Born in blackness is geschreven in een bijzonder heldere, vlijmscherpe taal. Het werd een overweldigend herschrijven van de geschiedenis. French sloopt de officiële, eurocentrische lezing van de geschiedenis. Het boek vangt aan bij de grote ontdekkingsreizen. French beschrijft hoe de rijken in West-Afrika, die in weinig moesten onderdoen voor die in prille Europese landen, de fascinatie opwekten in het noorden, hoe er contacten gezocht en gelegd werden.

In de klassieke lezing van de geschiedenis komt de nieuwe tijd tot stand door de Europese wil om door te stoten naar Azië, om de tussenhandel uit te schakelen voor specerijen. Afrika is daarbij een obstakel, zonder eigen meerwaarde, ambitie of verwezenlijkingen. French draait het om: hij ontplooit de gedocumenteerde visie dat er in Europa, en in de eerste plaats op het Iberisch schiereiland, net een fascinatie was voor de rijkdommen van het Mali-rijk.

Vooral de pelgrimstocht van de legendarische koning Mansa Moussa sprak tot de verbeelding. In 1324 trok die via Caïro naar Mekka, in het gezelschap van 60.000 hovelingen en 18 ton goud, dat hij onderweg uitdeelde.

Aan het begin van de 15de eeuw was Portugal een jong koninkrijk en stuurde het een missie uit langs de kust van West-Afrika. De bedoeling was om een rechtstreekse relatie te ontwikkelen met Mali en Mansa Moussa. Onder de indruk van de welvaart die ze aantroffen, knoopten ze vreedzame handelsrelaties aan met de bewoners. Dankzij die missies slaagden ze erin de navigatietechnieken en de cartografie te ontwikkelen. Met Fort Elmina, in het huidige Ghana, bouwden ze de eerste Europese vesting op het Afrikaanse vasteland.

In de 17de eeuw deed zich op Sao Tomé een belangrijk keerpunt in de geschiedenis voor. In de eeuwen daarvoor was suiker uitgegroeid tot een luxeproduct waarmee gigantische sommen te verdienen vielen. Het kleine eiland had de vulkanische ondergrond en het klimaat die ideaal waren voor de suikerteelt. Alleen arbeidskracht ontbrak.

Sao Tomé verzette de mijlpalen van de geschiedenis. Er werd voor het eerst geëxperimenteerd met plantage-economie, die later op veel grotere schaal zou worden uitgebouwd op het Amerikaanse vasteland. Daarnaast ontstond wat men in het Engels chattel slavery noemt, vrij vertaald ‘bezitsslavernij’. Bij dat soort slavernij wordt de tot slaaf gemaakte volledig eigendom van de slavenhouder. Hij/zij wordt ontmenselijkt en beschouwd als bezit.

Dit was nieuw, en viel bovendien samen met de huidskleur van die “eigendom”. Voor French ontstond op Sao Tomé een onverbreekbare band tussen zwartzijn en slavernij, die kort nadien ook op grote schaal werd verspreid. Wat op Sao Tomé gebeurde, was voor hem de belangrijkste economische ontwikkeling vóór de industriële revolutie.

Voor Howard French is het duidelijk: de wereldgeschiedenis en de moderniteit werden geschapen door mensen van Afrikaanse oorsprong.

Het is overigens opmerkelijk hoe eilanden een belangrijke rol spelen in de visie van French op de wereldgeschiedenis. In 1630 bezetten de Engelsen Barbados en kopieerden ze er de Portugese productiemethoden. French ziet daarin de kiem van het Britse imperium. Nadien deden ze dat over op het veel grotere Jamaica, en nog later in wat de Verenigde Staten zou worden.

Tussen 1730 en de Franse revolutie creëerde Frankrijk veel weelde op het eiland Hispaniola in de Caraïben. Daarop ontstond in 1791 een rebellie, die stand hield tegen drie Europese legers en leidde tot de eerste zwarte republiek, Haïti. Die schreef een verbod op discriminatie en slavernij in de grondwet in. De militaire en financiële inspanningen van Frankrijk tegen de Haïtiaanse rebellie noopten Napoleon ertoe de Franse bezittingen in Amerika te verkopen. Aan de prille Verenigde Staten, die daarmee hun oppervlakte verdubbelden.

In de jaren negentig van de 18de eeuw werd er de katoenproductie opgestart, met slaven en plantages als drijvende factor. Die groeide in een paar decennia uit tot gigantische hoogtes en was essentieel in het ontstaansproces van de industriële revolutie.

Op die manier ontwikkelt French een alternatieve visie op hoe de krachten tot stand kwamen die uiteindelijk het Westen creëerden. Bij elke stap stonden Afrika en Afrikanen centraal in die ontwikkeling. Voor Howard French is het duidelijk: de wereldgeschiedenis en de moderniteit werden geschapen door mensen van Afrikaanse oorsprong.

De “koloniale ruil”

In juni bezocht ik nog eens het Afrikamuseum in Tervuren in gezelschap van kenner en auteur Paul Vossen. Hij studeerde Tropische Landbouw en werkte decennialang in Afrika, met name in Botswana, Burundi, Congo en in verschillende Sahellanden. Na zijn pensioen behaalde hij een diploma Conflict en Ontwikkeling, en nu gidst hij in het Afrikamuseum.

Eind 2021 verscheen het fascinerende boek Jullie rijkdommen voor onze beschaving. De onzin van de koloniale ruil van zijn hand, over een thema dat in dit tijdsscharnier erg over de tong gaat. Hij beschrijft de kolonisatie en de ongelijke ruil die er de ruggengraat van was, maar behandelt ook de valkuilen van de postkoloniale periode.

Vossen beperkt zich daarbij niet tot Afrika. De duidelijke meerwaarde van dit werk is dat er veel vakgebieden insluipen: landschappen en rivieren voeden de analyse, ook landbouw speelt een belangrijke rol. Vossen benadert ongelijkheid onder meer vanuit de milieugeschiedenis – hij is zelf een fervent beoefenaar van deze relatief jonge wetenschap. Ze bestudeert de historische wisselwerking tussen mensen en het fysisch milieu waarvan zij afhankelijk zijn voor hun voedsel, een dak boven het hoofd en kleren aan het lijf. Want elk natuurlijk milieu stelt bepaalde eisen aan de samenleving opdat die duurzaam kan overleven.

De koloniale ruil, ‘onze beschaving voor uw grondstoffen’, was onzin.

De wending die de kolonisatie nam vanaf eind 18de eeuw, zo stelt Vossen centraal, was een gevolg van West-Europese landen die hun verworvenheden toepasten op subcontinenten waar dat helemaal niet geoorloofd was vanuit een milieuhistorisch oogpunt. De kolonisatie werd opgelegd vanuit het geloof dat mens en samenleving gekneed kunnen worden, op basis van de overtuiging ‘Wij weten wat goed is voor jullie.’ Maar de natuurlijke rijkdommen in de gekoloniseerde gebieden vereisten andere beheerstrategieën en samenlevingsvormen. Vossen onderbouwt de hypothese dat de koloniale ruil, ‘onze beschaving voor uw grondstoffen’, onzin was.

In het laatste hoofdstuk ontwikkelt Vossen een tegenverhaal: kunnen we voor vandaag iets leren uit de vergissing van de “koloniale ruil”? Hij verkent een aantal opvallende parallellen tussen de strategieën voor kolonisatie in de 19de en 20ste eeuw en de methodes die vandaag gebruikt worden om ideeën en visies ingang te doen vinden, samenlevingen te plooien of neokoloniale uitbuiting mogelijk te maken. De rode draad: de andere mens en samenleving moeten naar eigen beeld en gelijkenis gekneed worden.

Blijkbaar weten we nog steeds beter wat goed is voor een ander. Maar het zal ook nu niet werken. De enige duurzame manier voorwaarts loopt volgens de auteur langs het erkennen, waarderen en respecteren van diversiteit. Verlichting? Graag, maar die mag niet in één richting stralen. We moeten ook openstaan voor verworvenheden en inzichten van buiten West-Europa. Liefst vanuit de vier windstreken, die Vossen ook duidelijk zelf bereisd heeft.

Eigen paden zoeken

Zaterdag 25 juni, in de vooravond, ben ik in Senegal op reportage. Ik breng het weekend door op het eiland Gorée voor de kust van Dakar. Het eiland is beroemd om zijn rol in de slavernij. Ik plaats een foto van Gorée op Facebook, en de Nederlandse journaliste Marnel Breure reageert: ‘Je weet toch dat dat beroemde slavernijverleden vooral berust op verzonnen herinneringen?’

Dat wist ik niet. Het officiële narratief over het eiland blijkt op zijn zachtst gezegd controversieel. Al kwamen veel internationale prominenten hier al langs: Obama bezocht het slavenhuis, paus Johannes-Paulus II kwam hier vergeving vragen voor de slavernij. Verzonnen of niet: dit blijft een belangrijke site voor rouw en herdenking.

Afrika moet zich vooral bewust worden van zijn potentieel en een volledige dekolonisatie nastreven, in de eerste plaats door een confrontatie met zichzelf.

Op een van de pleinen, vlak bij het monument voor de bevrijding van de slavernij, zit ik bij zonsondergang te lezen in Afrotopia van Felwine Sarr. Hij is een Senegalese academicus, professor in de Economie aan de universiteit van Saint-Louis in Senegal, muzikant en schrijver van literatuur en essays. Hij schreef mee het rapport dat de Franse president Macron bestelde over de aanwezigheid van Afrikaanse kunst in Franse musea. Op basis van dat rapport werden vorig jaar 26 topstukken van Beninse hofkunst teruggestuurd.

In Afrotopia vraagt Felwine Sarr Afrika om het heft van zijn bestaan in eigen handen te nemen. Afrika hoeft niets of niemand in te halen, moet niet langer de paden volgen die anderen voor haar uitgestippeld hebben. Afrika moet zich vooral bewust worden van zijn potentieel en een volledige dekolonisatie nastreven, in de eerste plaats door een vruchtbare confrontatie met zichzelf.

Voor Sarr begint het bij de vraag: ‘Welke samenleving willen de Afrikanen, in al hun diversiteit?’ Welke evenwichten moeten er komen tussen de verschillende domeinen: politiek, economie, cultureel en symbolisch? ‘De economie die we nu kennen, is niet duurzaam en leidt tot wanorde’, vindt hij. ‘We moeten dringend naar een nieuwe verhouding tussen de economie en het leven.’

Afrika moet zichzelf heruitvinden, op haar eigen voorwaarden en waarden.

Sarr nodigt het continent uit tot een denkoefening die niet gratuit is: ‘We moeten ons voorbereiden op de toekomst, onze eigen toekomst verzinnen op basis van onze eigen waarden en onze eigen realiteit. We moeten ophouden ons te spiegelen aan concepten die tot stand kwamen in een andere context, met een andere geografie. We moeten afstand nemen van de gekende schema’s. Eerst deconstructie en dan reconstructie.’ Afrikaanse intellectuelen moeten hun rol opnemen op een creatieve manier, vindt hij.

De Senegalese econoom heeft een hekel aan de tegenstelling tussen afropessimisten en afro-optimisten. Hij gruwelt van het soort ontwikkeling waarin Afrika steevast het etiket ‘onderontwikkeld’ opgeplakt krijgt, gedefinieerd door achterstand en mislukking. Waarin moderniteit gezien wordt als iets externs dat het continent moet importeren, waarbij de Afrikaanse tradities als een rem zouden werken.

Afrika moet zichzelf heruitvinden, op haar eigen voorwaarden en waarden. De Afrikaanse stad is daarbij voor Sarr het laboratorium bij uitstek waarin dat heruitgevonden Afrotopia zal ontstaan. Hij nodigt de lezer uit onder te duiken in de wirwar van Afrika’s grootsteden, steden als Lagos, Kinshasa, Caïro en Dakar, om deelgenoot te worden van de creativiteit van de informele economie. Waar Afrika, waar menselijk leven ooit ontstond, zijn eigen zin en realiteiten zal produceren en uiteindelijk opnieuw de spirituele long van de wereld zal worden.

Deze recensie werd geschreven voor het herfstnummer van MO*magazine. Word proMO* voor slechts 4 euro per maand en je ontvangt ons magazine. Je steunt zo ook ons journalistiek project en geniet van tal van andere voordelen.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3260   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur