Het maatschappelijk debat over Congo behoeft eerlijke geschiedschrijving

Met “Kongo, een voorgeschiedenis” roert Lucas Catherine zich opnieuw in het gesprek over de Belgische inmenging in Congo. Maar naast boeiende inzichten en interessante dagboekfragmenten die dit oplevert, komt het vooringenomen over, wat de kracht van zijn argumentatie ondermijnt.

David Livingstone en Henry Morton Stanley. Ets.

Een koloniale geschiedenis beschrijven is in onze tijd bij voorbaat een delicate aangelegenheid. Het publieke debat, 50 jaar nadat de grote dekolonisatiegolf van overwegend Afrikaanse landen zich voltrok, draait inmiddels niet zozeer rond de eigenlijke gebeurtenissen, als wel om de appreciatie van het koloniale verleden en de omgang met de gevolgen. Dit betekent dat elke geschiedschrijving in de politieke schijnwerper komt te staan, met name rond de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is. Dit is in België het geval evenals in naburige landen.

Lucas Catherine, bekend Brussels ‘historicus van vergeten zaken’, mengt zich met Kongo, een voorgeschiedenis in het debat over de waardering van de kolonisatie van Congo. Hij schrijft vanuit de overtuiging dat de echte geschiedenis van de kolonisatie van Congo en haar impact op België is verdwenen en herschreven dient te worden. Zijn nawoord is veelzeggend getiteld “Dekoloniseer de geschiedenis van Congo”.

Catherine beschouwt Henry Morton Stanley als “sensatiejournalist” en heeft geen goed woord voor hem over. ‘Hij “schiet negers af alsof het apen zijn”.’

Catherine schreef eerder al veelbesproken boeken over Israel, Palestina, Brussel, architectuur, atheisme, en de Islam. In Kongo neemt hij het op zich om over de vroege kolonisatie en de ontsluiting van Congo te vertellen - toen het nog Kongo heette - voornamelijk aan de hand van enkele hoofdpersonages en opgeduikelde dagboekfragmenten. Hij brengt bekende en minder bekende kopstukken ten tonele, zoals natuurlijk Joseph Conrad en ook Henry Morton Stanley, die door Catherine als ‘sensatiejournalist’ wordt beschouwd en waar hij geen goed woord voor over heeft. Hij “schiet negers af alsof het apen zijn” en werd in België tot diep in de jaren 1950 ten onrechte gezien als belangrijke ontdekkingsreiziger en nationale held.

Catherine schrijft met veel aandacht voor typeringen van westerse bezoekers die ons heden ten dage vreemd lijken. Zo neemt hij intrigerende beschrijvingen op van Pieter van den Broecke omstreeks 1608, die gelden als de eerste Nederlandstalige teksten over de Congo. Van den Broecke typeert bijvoorbeeld gorilla’s als een wild slag mensen die niet kunnen spreken, naakt lopen en heel ruig zijn “met over hun hele lichaam haar; achter boven de kloof van hun aars staat een staartjen, een duym groot”. Van den Broeckes beschrijvingen van het land, de zeden en de gebruiken in Congo vóór de grootscheepse kolonisatie, leveren inzicht op niet zozeer in de Kongolese beschaving als wel in het wereld- en mensbeeld van de westerse bezoeker.

Met veel attentie wordt voorts “kapitalist” of “liberale bankier” Albert Thys besproken – de predikaten worden door elkaar gebruikt – die vele koloniale handelsondernemingen oprichtte en geldt als vader van de belangrijke spoorweg tussen Matadi en Kinshasa. Zijn rol was waarschijnlijk groter dan vaak gedacht, aangezien het aanleggen van deze verbinding tussen 1890 en 1898, die aan zoveel Congolese werkers het leven kostte, de toegang tot het binnenland ontsloot en zo de koloniale exploitatie mogelijk maakte.

Volgens Brussels burgemeester Karel Buls (1881-1899) ‘bevindt de neger zich in een ontwikkelingsstadium halfweg tussen het meest intelligente dier en de blanke mens’

Een ander Belgisch kopstuk is Brussels burgemeester Karel Buls (1881-1899), die de door Thys aangelegde spoorweg mee inhuldigde. Deze beschreef de wederwaardigheden van zijn Kongoreis nauwgezet in dagboeken, waaruit paginalang - te lang - geciteerd wordt.

Buls maakt vele interessante observaties en stelt vele vragen, maar dit brengt hem er niet toe om de kolonisatie als zodanig in twijfel te trekken. Volgens hem “bevindt de neger zich in een ontwikkelingsstadium halfweg tussen het meest intelligente dier en de blanke mens”, en is het “dus een utopie de neger te veranderen in een Belg”, maar het zou ook “een gevaarlijke vergissing zijn om een kamer van politiekers over Kongo toezicht te laten uitoefenen onder het pretext dat de neger recht heeft op vrijheid, gelijkheid en broederschap of de toepassing van de mensenrechten”.

Een zeer interessant en relatief onbekend persoon die door Catherine uit de diepte werd opgerakeld, is Maurice Calmeyn, de enige held bovendien in zijn verhaal, die begon als liberaal en eindigde als communist. Hij trok in 1907 op olifantenjacht in Kongo, kreeg veel respect voor de lokale bevolking, en overpeinsde met veel scherpte hoe westerlingen en inboorlingen zich tot elkaar verhielden. Zijn conclusie na twee reizen was dat de Vrijstaat alleen maar aan zijn onmiddellijk eigenbelang heeft gedacht en nooit aan de toekomst van Kongo.

Zoals Calmeyn wordt opgevoerd als enige personage met een gezond wereldbeeld, dient alles in Catherines betoog ertoe om de kolonisatie en ieder die daaraan meewerkte te bekritiseren. Kongo is geschreven met als objectief een racistisch wereldbeeld aan te klagen en onze perceptie op Congo en de koloniale geschiedenis te veranderen.

Nu is het bekritiseren van een racistisch wereldbeeld, of van onrechtmatige geschiedschrijving, in zichzelf een terechte historische oefening. Zo weerspreekt Catherine op interessante wijze negatieve beschrijvingen over degenen die vóór de komst der Belgen de dienst uitmaakten in Congo, die natuurlijk bedoeld waren om inmenging te rechtvaardigen. Hij stelt hier fragmenten tegenover die veel flatterender over deze mensen spreken als heel georganiseerde en efficiënte economische handelaren.

Catherine duikelt boeiende fragmenten op, maar voert deze op té vooringenomen wijze op om zijn punt te kunnen maken.

Deze speurtocht naar nieuwe inzichten is in Kongo echter kracht en zwakte tegelijk: Catherine duikelt boeiende fragmenten op, maar voert deze op té vooringenomen wijze op om zijn punt te kunnen maken. Té gretig wil hij een kritisch betoog schrijven over de nood aan dekolonisering, maar vergeet daarbij zijn kritiek zorgvuldig te onderbouwen.

Dit is zeer storend en neigt naar onzorgvuldig historisch werk. Uitspraken over socialisten of liberalen ‘die hun principes lieten vallen’ zijn niet alleen ongepast en deels anachronistisch, ze worden ook nauwelijks onderbouwd. En Catherine ontspoort vaker, bijvoorbeeld door venijnige sneren uit te delen of bij voorbaat zijn personages te wantrouwen. Zo had het feit dat Thys zich erg positief uitliet over zijn zwarte werkvolk volgens Catherine “misschien” wel te maken met het feit dat zijn arbeiders duur waren. Een andere uitleg is kennelijk niet mogelijk. Dergelijke speculatie moet goed onderbouwd worden, of moet anders achterwege blijven.

Maar het probleem is fundamenteler, aangezien ook bij de selectie van personages uit de koloniale geschiedenis vraagtekens kunnen worden geplaatst. Ze lijken enkel opgevoerd om Catherines aanklacht te ondersteunen en worden ontmaskerd dan wel juist opgehemeld, naar gelang het past in het doel dat de auteur voor ogen staat. Geschiedenis is inderdaad verhalen vertellen, zoals Catherine in interviews wel betoogt, maar een onbevooroordeelde selectie van de verhalen en de juiste verteltoon zijn essentieel.

Soms dienen de verhalen of passages nog een ander doel, namelijk het etaleren van Catherines uitvoerige kennis over tal van onderwerpen die slechts zijdelings met Congo te maken hebben. Afgezien van de al ongecensureerde hoeveelheid pagina’s aan geciteerde dagboekfragmenten varieert dit van overbodige passages over de architectuur in Thysstad (het tegenwoordige Mbanza-Ngungu), tot irrelevante voetnoten over Namibië of het verschil tussen art nouveau en art-deco. Smaak kan natuurlijk verschillen en zo is er voor elke lezer wat wils, maar een dergelijk boek behoeft meer focus.

De verdienste van “Kongo” is dat het interessante bronnen tentoonstelt die een fascinerend inkijkje opleveren in de perceptie van westerlingen en Belgische kopstukken.

De verdienste van Kongo is dat het interessante bronnen tentoonstelt die een fascinerend inkijkje opleveren in de perceptie van westerlingen en Belgische kopstukken. Bovendien maakt de keuze om een verhaal te vertellen aan de hand van hoofdrolspelers het mogelijk om te laten zien hoe de geschiedenis geen onvermijdelijke stroom van gebeurtenissen is, maar des te vaker een gevolg van individuele of collectieve (politieke) besluiten. Dit is essentieel voor een goede appreciatie van het koloniale verleden. Catherine stelt ook zeker terecht dat oude percepties over bijvoorbeeld Stanley en de rol van de Belgische staat hoognodig aan vernieuwing toe zijn.

Deze vertelling had echter meer onderbouwing nodig om gewicht te geven aan Catherines betoog voor dekolonisering. Het is belangrijk in dezen om onderscheid te maken tussen schuldbewust zelfbeklag en zelfreflectie die tot nieuw engagement kan leiden, een notie die ook door David van Reybrouck werd aangedragen in reactie op kritiek op zijn boek Congo, een geschiedenis. Dat laatste lijkt een vele malen constructiever houding ten aanzien van de geschiedenis dan een aanklacht, en is beter in staat om een gezond maatschappelijk debat tot stand te brengen.

Kongo. Een voorgeschiedenis door Lucas Catherine is uitgegeven door EPO. 214 blzn. ISBN 978 9 462 67090 7

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift