Tips om te reizen in je hoofd, zonder coronacertificaat

7 boeken voor een extreme zomer

Collage: MO*

 

Het verlangen om elders heen te gaan laat zich niet ophokken, ook al worden er voortdurend nieuwe drempels opgeworpen om coronavarianten tegen te houden. Gie Goris selecteert daarom voor MO* 7 boeken die je de wereld rond brengen. Een reis die zich niet laat tegenhouden door waterbom, hittekoepel of pandemie.

Het stapeltje boeken dat ik de voorbije maanden las, is wel heel wereldwijd, valt me nu op. Maar er is één zaak die doorheen alle diversiteit constant blijft: de overdreven citaten en aanbevelingen op de covers. Graag zou ik hierbij een lans breken om die onzin achterwege te laten. Een beetje volwassen lezer wéét toch dat de uitgever alleen de meest buitenissige halve zinnen selecteert om de verkoop aan te zwengelen. Het is een en al ‘Wij van WC-eend adviseren WC-eend’.

‘Persoonlijke notities: geen gezaghebbende recensies, maar korte bedenkingen’

Elk boek wordt ‘een verhaal vol intelligentie, scherpzinnigheid, wonderlijke herinneringen en weemoed’, het is ‘geschreven met chirurgische precisie en messcherpe intelligentie’ of het is simpelweg ‘het belangwekkendste boek dat de afgelopen tien jaar is verschenen’. Niets van dat alles is waar, en dat hoeft ook niet. Bovendien is het belangrijker dat je zelf tot een oordeel komt, en daarvoor moet je zelf lezen.

Wat volgt zijn dus geen verkoopspraatjes, maar persoonlijke notities. Geen gezaghebbende recensies maar korte bedenkingen. Zeven boeken die je naar Zimbabwe, Zuid-Afrika, Vietnam, de Verenigde Staten, Libanon, India, Nederland en Guatemala brengen. Zonder coronacertificaat.

De ontdekking van een nieuwe wereld

Matthias Declercq doet in De ontdekking van Urk wat elke rechtgeaarde journalist weleens wil doen: hij dompelt zich onder in een wijdverbreid cliché om het van binnenuit en met nieuwe ogen opnieuw te beschrijven.

Urk is namelijk een van de hardnekkigste clichés in de Nederlandse (en bij uitbreiding ook de Nederlandstalige- journalistiek. Het wordt gezien als de vleesgeworden Bijbeldorp, het laatste restje Nederland dat onverkort gereformeerd en zwaar gelovig is. Slechts 2% van de inwoners is niet verbonden aan een of andere van de talloze kerken in het dorp. Het is dus ook de plek waar de reporters uit Amsterdam, Hilversum of Brussel naartoe trekken als er behoefte is aan christelijk fundamentalisme of repressief geloof.

Dat cliché is zo belangrijk voor het vooruitstrevende en tolerante zelfbeeld van de rest van Vlaanderen en Nederland dat er niet aan geraakt wordt. Daarbij wordt de beeldvormingsindustrie volgaarne geholpen door de Urkers zelf, want die zien zichzelf ook graag als het laatste bastion van het ware geloof. Als zij die de smalle weg van een veeleisend geloof durven gaan en daarvoor met eeuwig leven beloond zullen worden.

In dat Urk gaat Matthias Declercq dus wonen. Een half jaar als participatief onderzoeksjournalist.

De ontdekking van Urk kan je ook lezen als een masterclass onderzoeksjournalistiek.

Het boek dat hij schreef als resultaat van dat half jaar intens onderzoek is tegelijk toegankelijk en diepgaand, spannend en verhelderend, inlevend en kritisch.

De ontdekking van Urk kan je ook lezen als een masterclass onderzoeksjournalistiek. Matthias Declercq toont – op een heel bescheiden maar tegelijk beslissende wijze – hoe goede onderzoeksjournalistiek eruitziet, op alle terreinen, en hoe je daarmee relevante verhalen tot bij een breed lezerspubliek kan brengen.

Zoals zijn motivatie: Declercq was ooit in Urk voor een korte opdracht en bleef zitten met het gevoel dat hij er niets van begrepen had. Of zijn aanpak: de journalist kondigt zijn komst aan via een lokaal medium, hij logeert bij mensen thuis, hij gaat elke zondag ter kerke, weliswaar telkens een andere kerk… Zijn empathische manier om mensen te portretteren. En zijn opbouw van het boek, dat je meevoert van het cliché naar werkelijkheid door de ene na de andere rok van de ui te pellen, tot je niet langer in de gemeente van de Heere zit maar in een corrupt knooppunt van een gemondialiseerde exporteconomie.

Het is dan ook helemaal terecht dat Declercq voor zijn Ontdekking van Urk de Loep van de Vlaams-Nederlandse Vereniging van Onderzoeksjournalisten kreeg dit jaar.

Het beeld omkeren

De Grote Namen uit de wereldliteratuur zijn steeds vaker Angelsaksische auteurs. Het resultaat is dat een kleine kring, grotendeels witte schrijvers wegloopt met de grote prijzen, de verfilmingscontracten, de vertalingen in tientallen talen, de mondiale roem, de Nobelprijs (acht Nobelprijzen Literatuur al deze eeuw voor auteurs die in het Engels schrijven).

De echte literatuurliefhebber gaat ook op zoek naar auteurs uit andere landen, culturele achtergronden of talen. Maar ook daar levert de markt tegenwoordig vooral talent dat klaargestoomd werd in de creative writing classes van Amerikaanse universiteiten.

De meeste Aziatische of Afrikaanse schrijvers die het tot in onze boekhandels schoppen, zijn dan ook hyphenated, zoals dat in schoon Amerikaans-Engels heet: ze dragen een spreekwoordelijk koppelteken hangend tussen twee nationaliteiten of culturele achtergronden. Er is Bernardine Evaristo (Girl, Woman, Other) is Anglo-Nigeriaans. Megha Majumdar (A Burning) werd geboren in India maar schrijft vanuit de VS. Maaza Mengiste (The Shadow King) is Ethiopish-Amerikaanse. Ayad Akhtar (Homeland Elegies) is Pakistaans-Amerikaans, Ocean Vuong (On Earth We’re briefly Gorgeous) is Vietnamees-Amerikaans…

Er is niets mis met auteurs uit het Globale Zuiden die de kans grijpen om hun artistieke leven uit te bouwen in het Globale Noorden. Zoals er niets mis is met universiteiten die de edele kunst van het schrijversschap aanleren en verfijnen bij mensen die er overduidelijk talent voor hebben. Maar het leidt wel tot een literaire productie die nog weinig weerhaken heeft, weinig koppigheid of eigenzinnigheid ook.

This Mournable Body is een weerbarstig boek dat niet geschreven is om de lezer makkelijk te behagen.

Het is dan ook een verademing om ook het jongste werk van Tsitsi Dangarembga te lezen. De auteur werd geboren in Zimbabwe, schrijft in Zimbabwe, is politiek actief in Zimbabwe en wordt daarom ook vervolgd in Zimbabwe.

This Mournable Body verscheen in 2018, dertig jaar na haar eerste roman die in het Nederlands verscheen als Op gespannen voet. In de tussenliggende decennia woonde Dangarembga een tijdlang in Duitsland en was ze vooral actief in de filmwereld, al publiceerde ze in 2006 ook The Book of Not. De drie romans vormen samen een trilogie.

This Mournable Body is een weerbarstig boek dat niet geschreven is om de lezer makkelijk te behagen. Tambudzai, het hoofdpersonage, is vaak uitputtend. Ze maakt de ene vergissing na de andere. Ze heeft een doel in haar leven, maar geen idee hoe ze er moet raken. Ze duwt zichzelf hoofdstuk na hoofdstuk schijnbaar verder weg van haar doel. Ze leeft dan ook in een stad en een land die getekend zijn door een gewelddadig verleden en een corrupt heden.

Het is een grote verdienste van Dangarembga dat ze koppig het perspectief van Tambudzai volhoudt, zonder in slachtofferschap of eenvoudige schuldanalyses te vervallen. Het is het perspectief van een jonge vrouw die er zowat alleen voor staat in hoofdstad Harare en mislukt; niet dat van een academische analyse, maar van de volgende maaltijd. Of van die ene kans, dat magische contact, de plotse schittering van het universum.

Maar voor Tambudzai lijkt dat moment niet weggelegd en wordt elke kleine kans een reuzeramp, al biedt de allerlaatste bladzijde wel hoop.

In een interview voor MO* in 2018 zei Dangarembga (over de monsterhitfilm Black Panther): ‘Ik heb lang getwijfeld om te gaan. (…) Ik moest aan Fanon’s boek Zwarte huid, blanke maskers denken, waarbij de auteur beschrijft hoe hij in de cinema bang afwacht tot de “neger” op het doek verschijnt. Wij zwarten hebben die ervaring vaker. Wie zien onszelf geportretteerd door andermans ogen, door iemand die meent te weten wat zwart zijn is, maar op een manier die wij niet herkennen.’ Dangarembga biedt in haar literatuur en films een echt en hoogstaand alternatief.

Het is het perspectief van een jonge vrouw die er zowat alleen voor staat in hoofdstad Harare en mislukt; niet dat van een academische analyse, maar van de volgende maaltijd.

En in een scène op het einde van This Mournable Body, beschrijft ze indringend hoe de moeder van Tambudzai reageert op een Duitse toerist die beelden wil maken van haar: ‘Je denkt dat ik ben wat je in je toestel kan steken’, schreeuwt ze. Dat ze de camera afneemt en wegslingert, is een heel geladen en symbolisch moment.

Het tekent Dangarembga dat de camera niet stukvalt maar in een boom blijft hangen, waar hij een pagina verder uitgevist wordt met de hulp van enkele lokale jongens. De woede is terecht, maar leidt niet tot een bevrijdende omkering van macht of een fundamentele catharsis.

De auteur vraagt veel van haar lezers, en dat is een enorm compliment in de actuele wereldliteratuur. Tsitsi Dangarembga is een van de grootsten.

Een onbarmhartige blik op de mens

De Zuid-Afrikaanse Damon Galgut is een onderschatte auteur. Dat komt ervan, als je uit een land komt waar het literaire wereldje de voorbije decennia al twee Nobelprijswinnaars voortbracht en waar het altijd over de apartheid moet gaan.

Galgut is geen politiek auteur, dat benadrukte hij meermaals toen ik hem jaren geleden interviewde naar aanleiding van de Nederlandse vertaling van Het bedrog. ‘Wat mij fascineert is macht en hoe die vorm krijgt in de relaties tussen mensen.’

‘Wat mij fascineert, is macht en hoe die vorm krijgt in de relaties tussen mensen.’

De hoofdpersonages in Galguts romans zijn bijna zonder uitzondering witte Zuid-Afrikanen. Hun troebele zielen, getormenteerde zoektochten en verwrongen machtsverhoudingen worden haarscherp gevolgd en geanalyseerd, terwijl de zwarte personages nauwelijks van de achtergrond loskomen. Dat is, zegt Galgut, geen politiek standpunt maar een literaire keuze.

‘Ik schrijf het liefst over de dingen die ik ken en die dicht bij mij staan. Ik kom nu eenmaal uit een blank milieu en ik leef vooral in een blanke vriendenkring. Maar ik verstop mijn onwetendheid over de zwarte leefwereld niet, ik maak er een belangrijk thema van. De afstand tussen mensen, het wederzijdse niet-kennen, is immers een heel bepalende factor voor de manier waarop de meeste mensen in Zuid-Afrika leven.’

Dat is niet anders in De belofte, zijn jongste roman, die nu ook op de longlist staat van de prestigieuze Booker Prize .

Het verhaal volgt het blanke gezin Swart, grootboeren aan de rand van Pretoria. De hele roman lijkt te draaien om de belofte uit de titel, al blijkt die een herinnering te zijn van de jongste zus – die de schrijver overigens een beetje al te nadrukkelijk Amor doopt.

Nadat haar moeder overlijdt, interpreteert Amor interpreteert een bepaalde scène waarvan ze getuige is als een belofte om de zwarte huishoudster Salomé het eigendomsrecht te geven over het huis waarin ze woont. De vrouw bracht die de drie kinderen des huizes groot, verzorgde de stervende moeder en – zo zei Amors grootvader – ‘zat bij de koop van het land inbegrepen’.

‘Grond en land hebben altijd centraal gestaan hebben in de conflicten die de Zuid-Afrikaanse geschiedenis beheersten.’

Het is niet moeilijk om in dat centrale gegeven een metafoor te lezen van de belofte die in 1994 gedaan werd aan de zwarte meerderheid van Zuid-Afrika: dat het land waarvoor ze al eeuwen zwoegden hen eindelijk zou gaan toebehoren. In die zin bevestigt De belofte de stelling dat alle literatuur in Zuid-Afrika politiek is, ook als de auteur dat uitdrukkelijk niet wil.

Het verhaal onderlijnt ook wat Galgut in dat interview in 2008 stelde: dat ‘grond en land altijd centraal gestaan hebben in de conflicten die onze geschiedenis beheersten. Vanaf de komst van de eerste blanken die graasrechten eisten in de Kaap tot het gevecht over de ontelbare golfterreinen vandaag.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Toch blijft Dalgut trouw aan zijn literaire focus op de disfunctionele mens en samenleving. Er is in deze roman dan ook weinig of geen verlossing te vinden. Niet voor de moeder die in het aanzien van de dood terugkeert naar haar joodse geloof. Niet voor de vader die zijn zielenheil zoekt bij een opportunistische pastor. Niet bij de zoon die het geweld tegen de zwarte meerderheid niet meer kan opbrengen. Niet voor de oudere zuster die status nastreeft in het nieuwe Zuid-Afrika.

En of Amor zelf gelouterd uit het verhaal tevoorschijn komt, is aan de lezer. Want dit lijkt Galguts stelling in De belofte: individueel handelen en persoonlijke verantwoordelijkheid vormen de essentie van menselijkheid, maar zijn niet opgewassen tegen het gewicht van een fundamenteel onrechtvaardige geschiedenis.

De belofte is een spiegel die de mens toont zoals hij is: gebroken, onmachtig en wanhopig. Maar ook: eeuwig op zoek naar liefde en zekerheid – al vormen die geen koppel, maar eerder extremen op een continuüm van menselijk verlangen.

Emanciperen doe je niet alleen

De beperkingen van een patriarchaal systeem worden ook doorgegeven van moeder tot dochter, en van vrouw tot vrouw.

Moeders en dochters, je kan er wellicht een bibliotheek mee vullen. Tussen beiden is natuurlijk veel liefde en wederzijdse zorg, maar in niet weinig romans worden die warme gevoelens overwoekerd door het niet te blussen leed van een gedeeld verleden. Toch blijft ook in die verhalen de zoektocht naar genezing of tenminste helende aanvaarding centraal.

In Een overbodige vrouw trekt een Libanese vrouw zich terug tussen boeken en haar eigen vertalingen. Ze weigert pertinent om de zorg voor haar zieke en afhankelijke moeder op zich te nemen. Die afwijzing is hard en compromisloos, maar belet niet dat ze daarna op zoek gaat naar een manier om iets van de moeder-dochterband te herstellen.

In Verbrande suiker rekent een Indiase dochter af met een moeder die haar destijds verwaarloosde om een goeroe ter wille te zijn. Het is een onbarmhartige schets van de verbrokkeling van het knellende familieverband van vroeger, en van de ontoereikende alternatieven daarvoor die een nieuwe middenklasse probeert op te bouwen.

Het feit dat moeder en dochter ook in de liefde voor een man verbonden blijken, maakt het verhaal complexer en rijker. Net als de manier waarop dit geheim bloot komt te liggen: als gevolg van de poging van de dochter om toch maar te zorgen voor haar moeder, die dat nooit voor haar deed.

Zowel Een overbodige vrouw als Verbrande suiker is uiteraard veel meer dan een moeder-dochterroman.

Rabih Alameddine situeert zijn boekenroman in de Libanese burgeroorlog, en in een samenleving die geen ruimte biedt aan vrouwen met zelfstandige ambities en capaciteiten. Dat wil zeggen: aan vrouwen die meer of anders willen zijn dan de moederrol die voor hen weggelegd is.

Ook Avni Doshi gebruikt de algemene genderongelijkheid als het canvas om haar verhaal van ongelijke kansen, culturele controle en emancipatie tegen te projecteren. Want dat was ook waar de moeder naar zocht, toen ze wegtrok uit haar huwelijk om de ashram te vervoegen. ‘Jij bent een meisje’, zegt Reza, de minnaar van haar moeder, over haar acne. ‘Voor meisjes is het erger. Jongens met een slechte huid kunnen evengoed wel seks krijgen.’

‘Mijn tanden knarsten bij deze dubbele vervloeking’, reageert de dochter, die het verhaal in de ik-persoon vertelt. ‘Ik voelde het andere meisje in mij opstaan. Alsof hij mijn gedachten had gelezen, vervolgde hij: “Het is natuurlijk niet eerlijk dat het zo is. Maar toch is het wel de waarheid.”’

Cruciaal in beide boeken is de bijrol die vaders of mannen in het algemeen spelen. Niet dat de auteurs daarmee een triomfantelijk feministisch standpunt innemen. Zowel Een overbodige vrouw als Verbrande suiker toont aan hoe de beperkingen van een patriarchaal systeem doorgegeven en opgelegd worden door moeders aan dochters, en van vrouw tot vrouw.

Dat stelt heel belangrijke vragen bij elke emancipatiestrijd, die meestal voorgesteld wordt als een kwestie van onderlinge solidariteit tussen verdrukten tegen de verdrukkers. In de realiteit zijn de structuren van verdrukking bijna altijd ook geïnternaliseerd door slachtoffers. Zeker als het gaat om millennia oude vormen van machtsongelijkheid, zoals de genderongelijkheid. Deze twee boeken thematiseren dat en bevragen daarmee een strijd die zonder meer belangrijk is, maar niet altijd goed begrepen wordt.

Het jaar waarin Latijns-Amerika kantelde

Geschiedenis is niet gespeend van ironie. De bekende Peruaanse auteur Mario Vargas Llosa leverde daar dit jaar nog het bewijs van.

Zijn recente roman Bittere tijden (als Tiempos recios verschenen in 2019) vertelt het verhaal van de Amerikaanse interventie in Guatemala in de jaren 1950. Vargas Llosa slaagt erin het gekende verhaal te vertellen alsof hij de eerste is die het op papier zet. Voor wie niet thuis is in Centraal-Amerika: Guatemala was in de eerste helft van vorige eeuw uitgegroeid tot de onmisbare plantage van de United Fruit Company. Dat leidde tot ondraaglijke toestanden voor de landarbeiders. En, aangezien de multinational ook geen belastingen betaalde, ook tot de actieve onderontwikkeling van het land.

Op een groeiende golf van ongenoegen bij de bevolking, maar ook bij de intelligentsia, het leger en de politiek, raakte in 1951 Jacobo Árbenz verkozen tot president. Zijn gematigd sociaaldemocratische programma werd in de VS voorgesteld als een regelrechte communistische dictatuur-in-de-maak, en de CIA organiseerde daarop in 1954 een staatsgreep. Uiteraard is er in dat onvoorstelbare verhaal ook een rol weggelegd voor de dictators van Nicaragua en de Dominicaanse Republiek. Maar: deze korte historische samenvatting doet uitermate veel afbreuk aan het meeslepende verhaal dat Vargas Llosa errond bouwt.

In de openingspagina’s van Bittere tijden beschrijft Vargas Llosa hoe Edward Bernays, een neef van Sigmund Freud, het belang van propaganda voor democratische samenlevingen uitlegt, en hoe hij daarvan gebruik gaat maken om de politieke toekomst van Guatemala te veranderen. Voor alle duidelijkheid: hij doet dat niet in Guatemala maar wil de Amerikaanse overheid ervan overtuigen in te grijpen. Daarvoor doet Bernays— met succes — een beroep op de meest invloedrijke journalistiek van de grote kranten.

In het afsluitende hoofdstuk stapt de auteur uit zijn rol als verteller van menselijke geschiedenissen en schrijft hij de werkelijke drijfveer voor deze roman op: ‘De geschiedenis van Cuba had anders kunnen verlopen als de Verenigde Staten de poging van Arévalo en Árbenz tot modernisering en democratisering van Guatemala hadden geaccepteerd.’

Spannend, want je weet hoe waar het is, dat ‘goede propaganda een onzichtbare vorm van regeren’ is.

De ironie waarover ik zonet schreef openbaarde zich begin juni van dit jaar, toen Vargas Llosa zich even ging mengen in de presidentsverkiezingen in Peru. De onverwachte linkse kandidaat, Pedro Castillo, zou Peru regelrecht richting communistische afgrond voeren, zo argumenteerde de schrijver. En dus sprak hij zijn steun uit voor Keiko Fujimori, de dochter van de voormalige dictator die zelf ook meermaals door de rechtbank veroordeeld is.

Die politieke faux pas maakt het lezen van Bittere tijden nog spannender, want je weet hoe waar het is, dat ‘goede propaganda een onzichtbare vorm van regeren’ is. Het enige nadeel is dat je niet weet wat werkelijk gebeurd is en waar de verbeelding van Vargas Llosa het overneemt. En die vaststelling geldt zowel voor zijn voortreffelijke roman als voor zijn twijfelachtig politiek activisme.

Een korte schittering

Ocean Vuong schrijft een lange brief aan zijn moeder om zichzelf uit te leggen. Al heeft die niet de bedoeling verstuurd te worden.

Opgroeien, daar is een mens al snel twintig jaar mee bezig. En de volgende zeventig jaar draag je de gevolgen van wat er in die eerste periode allemaal misging of op zijn plaats viel. Niet verwonderlijk, dus, dat er een uitgebreide coming of age-literatuur bestaat.

Wat evenmin verwondert is dat de weg naar volwassenheid de jongste tijd minder vaak uitmondt in een wit en heteroseksueel gezin. Het is in feite het tegenovergestelde dat ons moet verbazen: dat er zoveel decennia nauwelijks geschreven werd over migratie, over gemengde relaties, over homoseksuele of andere niet-hetero vormen van seksualiteit en relaties.

Op aarde schitteren we even is het verhaal van een Vietnamese jongen die met zijn moeder in de Verenigde Staten beland is en er moet opgroeien zoals haast elk migrantenkind: met herinneringen die hem verschillend maken van zijn klas- en leeftijdsgenoten, en tegelijk met het intense verlangen er onopgemerkt en vanzelfsprekend bij te horen.

Kleine Hond, zo heet de jongen in familieverband, schrijft een lange brief aan zijn moeder om zichzelf uit te leggen. Om het verhaal te doen van wie hij is en hoe dat zo gekomen is.

Het is een brief die wel een bestemmeling heeft, maar niet de bedoeling verstuurd te worden. De moeder is praktisch analfabeet, dus is een brief eerder een vorm- en stijlfiguur dan een letterlijk te nemen onderneming. De vorm biedt Ocean Vuong wel kansen om sterk uit te hoek te komen – met een openingszin als ‘Laat me opnieuw beginnen. // Liefste Ma…’ neemt de schrijver je meteen mee in zijn ingebeelde gesprek met zijn moeder.

Anderzijds vergeet Vuong soms zelf dat hij in de briefvorm schrijft en gaan de verhalen die Kleine Hond opschrijft een eigen leven leiden. Hoe geloofwaardig het is om in een lange brief aan je bezorgde moeder ook te gaan beschrijven hoe je als puber ontmaagd werd en hoe de seksuele verhouding met je speelkameraad in elkaar zat, daar heb ik wel mijn twijfels over. Ook het feit dat hij zijn coming-out tegenover zijn moeder ook nog eens uitgebreid beschrijft in deze ingebeelde brief, is niet overtuigend.

Maar de inconsistenties op vormelijk vlak moeten het op bijna alle momenten toch afleggen tegen de ingehouden en intense manier waarop de intussen volwassen Kleine Hond terugkijkt op zijn jongensjaren.

Een romandebuut op dit niveau houdt zeker de belofte in dat Ocean Vuong tot de betere Amerikaanse schrijvers van zijn generatie kan gaan behoren.

De taal van Ocean Vuong is uitgepuurd en poëtisch, met sterke beelden en niet al te ver gezochte metaforen — op een enkele keer na, maar dat vergeef ik deze roman. Ook wanneer het verhaal overschakelt van de quasi universele ervaringen van het onwennige migrantenkind naar actuele thema’s als verslaving aan opioïden slaagt de auteur erin de toon van een geladen tragedie aan te houden.

Op aarde schitteren we even is wellicht een van die romans die gebukt gaan onder de exuberante lof die er over uitgestort worden. Maar een romandebuut op dit niveau houdt zeker de belofte in dat de naam Ocean Vuong tot de betere Amerikaanse schrijvers van zijn generatie kan gaan behoren. Zekerheid daarover zal pas ontstaan na de volgende romans.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur