Bekas: rite de passage van de Iraakse cinema

Tien jaar nadat de eerste Amerikaanse rakettenregen op Bagdad viel, er een eind kwam aan Saddam Hoesseins dictatuur en de bevolking in de verlammende greep viel van een sluimerende burgeroorlog, wordt ons beeld over Irak haast uitsluitend getekend door geweld, angst en uitzichtloosheid. Toch groeit er vanonder het puin ook een beetje hoop. Want wie voorbij het gordijn van bomaanslagen en sektarisch geweld kijkt, ontdekt een sterk gepolariseerde samenleving die in haar prille vrijheid in één ding wordt verenigd: de zoektocht naar gelijkheid, expressie en maatschappelijke rouw. Bekas, het filmdebuut van de Koerdische cineast Karzan Kader, is een stem in die zoektocht.

Gesitueerd in het Koerdistan van de jaren ’90 zet Bekas twee broertjes in de schijnwerper die al schoenenlappend de eindjes aan elkaar proberen te knopen. Wees gemaakt door de al-Anfal genocidecampagne van Saddams Ba’ath-milities, sluipen Zana (Zamand Taha) en Dana (Sarwar Fazil) op een stoffige zomerdag over het dak van een cinemazaaltje en vangen er een glimp op van Christopher Reeves Superman. In hem zien de twee naïeve dromers de held die hen zal verlossen van hun dictator en Amerika wordt de plek waar ze heen proberen te emigreren.

Huckleberry Finn-gewijs trekken ze met een tot BMW opgebouwde ezel en een zelfgemaakt paspoort doorheen Irak, op zoek naar hun wreker en verlosser. Want in de kinderlijke werkelijkheid van Zana en Dana ligt het beloofde land niet verder dan voorbij de heuvel waarachter de zon ondergaat.

Het barre filmlandschap van Irak

Zonder afbreuk te doen aan het inhoudelijk aspect van Bekas (waarover hieronder meer) schuilt de grootste verdienste van de film wellicht in het feit dat hij überhaupt gemaakt werd. Geboren uit Karzan Kaders gelijknamige kortfilm die als Oscarlaureaat de wereld rondtoerde, trotseerde de Iraaks-Zweedse regisseur samen met zijn (piepjonge) cast en intercontinentale crew heel wat besognes om zijn langspeeldebuut te realiseren. Zo overspoelden gewelddadige rellen vlak voor de aanvang van productie nog de straten van het dorp dat als hoofdlocatie stond geboekt. Enkel met een ijzeren wil, hulp van de lokale autoriteiten en een beetje geluk konden de opnames twee dagen later alsnog van start gaan.

Eens er gefilmd werd zag Kader zichzelf herhaaldelijk geconfronteerd met het trauma van de autobiografische elementen in zijn film. Scènes aan een militair checkpoint riepen pijnlijke herinneringen op aan hoe hij zelf als kind Irak probeerde te ontvluchten. Ook door twee recalcitrante en hyperactieve kinderen samen met een ezel als sterren van zijn film te casten maakte hij het zichzelf niet bepaald makkelijker. Maar het allermoeilijkst waren wellicht het vinden van financiën, toestemmingen en een (cultureel) draagvlak voor zijn film. Want nog niet zo heel lang geleden was film een morsdood begrip in Irak.

Nochtans zagen in de jaren na de Amerikaanse invasie heel wat films met Irak als topic het daglicht. Tot de meest aangrijpende fictiefilms behoren The Hurt Locker, Turtles Can Fly en het even gekke als geniale Redacted van Brian DePalma. Meer prangende en provocerende tijdsdocumenten werden afgeleverd in documentaires als Generation Kill, No End in Sight en The Dreams of Sparrows. Maar films van Iraakse kweek zijn heel wat zeldzamer. The Dreams of Sparrows uit 2005, geregisseerd door Hayder Daffar en gefinancierd door The Iraq Eye group, is zo’n zeldzaamheid.

Bovendien is het één van de eerste kritische post-Saddam prenten vanuit een land waar voordien een onbeklimbare censuurmuur stond. Waar cinemazalen (en de daarmee verbonden filmcultuur) tijdens de decennia van dictatorschap dreigden weg te rotten onder het strikte cultuurembargo en sporadisch werden voorzien van huisgemaakte propagandafilms. Waar de oorlogszieke jaren die erop volgden de resterende filmpaleizen deden leeglopen of simpelweg verwoestten, met iconische zalen als Roxy en Semimaris die voorgoed de deuren moesten sluiten of zich noodgedwongen aan plaatselijke porno waagden.

Toch hebben Iraakse cineasten zich na de val van Saddam ontzettend snel op het gemuilkorfde medium van film geworpen. Aan het eind van 2003 al, toen bombardementen Bagdad nog dagelijks teisterden, werd de zinnenprikkelende, tussen docu en fictie laverende langspeler Underexposure gedraaid tussen de ruïnes van de stad. Gebrek aan fondsen en een breed draagvlak maken van Oday Rasheeds online te bekijken film en het hierboven vermelde The Dreams of Sparrows echter een uitzondering.

Van persoonlijk trauma tot collectief rouwproces

Toch lijkt er zich de laatste jaren een langzame kentering te voltrekken. Voor de première van Son of Babylon in 2010, een sterke film over de massamoorden tijdens de oorlog tussen Iran en Irak, herrees cinemazaal Semimaris (tijdelijk) terug uit haar as en in datzelfde jaar werd voor het eerst (en niet het laatst) het filmfestival van Bagdad georganiseerd. Dat nagenoeg alle films die na de val van Saddam werden ingeblikt de traumatiserende geschiedenis van het vaderland als onderwerp hebben, illustreert niet enkel de noodzaak die cineasten voelen om hun autobiografische littekens aan de wereld te tonen maar ook de schreeuw naar sociale en culturele rouw. Cinema als een maatschappelijk prisma voor persoonlijk(e) woede, verdriet en verlies. En als instrument om datgene te tonen dat jarenlang verborgen moest blijven.

En nu is er dus Karzan Kaders Bekas, een Iraaks/Zweedse coproductie, waarin de Koerdische cineast gebeurtenissen uit zijn eigen jeugd kadert in een verhaal over armoede en vernieling, moed en grenzeloze broederliefde aan de vooravond van de Golfoorlog. Of hoe een autobiografie niet enkel het persoonlijke maar ook het collectieve verwerkingsproces van een stuk doodgezwegen geschiedenis kan zijn.

Tussen frisse roadmovie en gladde blockbusterprent

Bewonderenswaardig aan Kaders voorstelling van de Iraakse samenleving is de neutrale en eerlijke toon die wordt gehanteerd. Nergens wordt de Koerdische problematiek gebagatelliseerd tot een hapklaar verhaal en hoewel er via de overaanwezige soundtrack en romantische beeldtaal duidelijk op het sentimentele wordt ingezet, verliest de odyssee zich nooit in ongeloofwaardige twists of goedkope Hollywood-heraldiek.

In het hier gerecreëerde Koerdistan blijkt het zichzelf voortslepende leventje, ondanks Zana en Dana’s wens, redelijk banaal en onwrikbaar te zijn, onbeïnvloed door Saddam of Superman. Inwoners van het naamloze dorp worden niet gecatalogiseerd als goed of slecht, maar krijgen enkel de romantische uitvergroting mee die kenmerkend is voor films die inzoomen op kinderen uit een ontwikkelingsland. Verfrissend is ook dat dit coming-of-age avontuur de genreconventies van de roadmovie inzet om de naïeve American Dream van deze twee bekas (een beladen Koerdische term die mensen zonder familie bestempeld) langzaamaan met de harde Iraakse realiteit te laten botsen. Alles van Coca Cola tot Michael Jackson wordt door Zana en Dana aanvankelijk gezien als symbool van geluk en vrijheid. Gaandeweg leren ze echter dat ook Superman en in zijn verlengde de VS niets zullen veranderen aan hun situatie en dat enkel hun broederliefde hen vooruit kan helpen.

Echter minder consequent is de stijl die Karzan Kader hanteert. Zwevend tussen gladde blockbusterprent en het realisme dat door cineasten als Vittorio de Sica, Abbas Kiarostami en Satyajit Ray werd gehanteerd, lijkt Bekas er vooral in geïnteresseerd om zijn beladen thematiek zoveel mogelijk in postkaartvorm te presenteren. Zwierige kraanshots en honingkleurige filters proberen de kleine beslommeringen van alledag nodeloos te verheffen tot picturale tableaus, en de twee weesjes van dienst beantwoorden met hun dromerige voorkomen, slonzige maar schattige shirts en naïef optimisme perfect aan het prototype voor de gemiddelde Amnesty-campagne.

De voorgestelde armoede is eerder aandoenlijk dan schrijnend, het herhaaldelijke gemep op de energieke Zana wordt systematisch weggelachen en achter het gevaar van mensensmokkel en landmijnen schuilt meer thrillerspanning dan oprechte tragiek. Bovendien blijkt de sjiietische oppressie en de gruwel van genocide in het universum van Bekas niet meer dan een kanttekening te zijn. Doordat de tragiek in Zana en Dana’s leven en de verschillende beproevingen die ze dienen te trotseren steeds omfloerst worden door lichtvoetige humor en zeemzoete romantiek verliest Bekas al snel de impact van de veel te brede thematische waaier die het wil aanbieden. Kaders poging om het zware Koerdische leven via de kinderblik op te fleuren resulteert eerder in gemakzuchtige oppervlakkigheid dan eerlijk sentiment.

Een halfuurtje ver in de film passeert een scène waarin een smalle doodskist doorheen al even smalle straatjes wordt gedragen. Een oude elektricien uit het dorp is gestorven, een lieflijke blinde man die voor Zana haast een vader was. Wanneer Zana verneemt dat het zijn geliefde Baba Shalidin is die in de kist ligt, lijken zijn stoppen door te zullen slaan bij de confrontatie met de zoveelste dode. Kader kiest er echter voor om de scène vanop veilige afstand te filmen, zonder iets te willen tonen van de feitelijke rouwprocessie (die bijvoorbeeld in het briljante The Wind Will Carry Us spil is voor de hele film), en besluit vervolgens om na twee minuutjes af te ronden met al te dweperige muziek. In de daaropvolgende scène is het leed alweer gesleten en lopen de twee broertjes opnieuw volop over Superman te dromen.

Zo lijkt de impact van de dood niet meer dan een futiliteit te zijn die door de opgelegde lichtheid van de film snel vergeten moet worden. Het punt lijkt misschien klein, maar de gezoete blik die Bekas hiermee biedt op het Iraakse leven, de samenleving en haar geschiedenis vertelt veel over het standpunt dat de film wil innemen. Of eerder het gebrek daaraan.

Bekas en het prille begin van een filmcultuur

The White Balloon van Jafar Panahi (net als The Wind Will Carry Us een meesterwerkje uit de Iraanse cinema) wordt ook vanuit het perspectief van een kind vertelt; Razieh, die qua levendigheid en recalcitrantie niet hoeft onder te doen voor Bekas’ Zana. Verschillend aan Panahi’s aanpak (en blik!) is dat hij de focus uiterst klein houdt en zich niet laat verleiden tot een thematische regenboog of visuele bombast. In plaats daarvan volgt hij in een meticuleus uitgemeten, Neorealistische stijl Razieh in haar dagdagelijkse beslommeringen en droom om een grote vis te kunnen kopen. Uit de kleine menselijke contacten die Razieh aanknoopt met de bewoners van Teheran vloeit een wondermooie afspiegeling over de Iraanse maatschappij, met de ontmoeting met een weemoedige soldaat als absoluut hoogtepunt.

Nergens weet Bekas je op eenzelfde manier bij het nekvel te grijpen, te ontroeren met onvervalste authenticiteit of te overvallen met een ideologisch bijtende vraag. Ook Danny Boyles Slumdog Millionaire (waarmee deze film verassend veel gelijkenissen vertoont) bood enkele jaren geleden eenzelfde soort van armoedesprookje aan. Maar waar Boyles zeemzoeterij briljant inent op de hele Bollywoodromantiek lijkt Karzan Kaders visie zichzelf hopeloos te verliezen in een wolk van sentimentaliteit die de nog steeds nazinderende nachtmerrie van Saddams dictatorschap eerder verhult dan in de ogen durft kijken.

Bekas is te nadrukkelijk een film over Irak. Een film die via de veilige omweg van de kinderblik een aandoenlijk totaalplaatje probeert te schetsen van de Koerdische problematiek en zich daardoor niet zozeer in Irak lijkt af te spelen als wel in een anoniem en opgeblonken ontwikkelingsland waar de hoopvolle ogen van dromerige kinderen perfect aan het Westers verwachtingspatroon voldoen. Een film die zonder eigen stem, stijl of visie alles probeert te zeggen over het leven in Koerdistan ten tijde van de oppressie en bijgevolg geheel stil blijft.

Over de Indische cinema en haar (aanvankelijk) beperkte vermogen om uiting te geven aan het maatschappelijk trauma van de Britse opdeling schreef Bashkar Sharkar: “Give victims a voice, bear witness so we may never forget, but know that we can never fully know.” Indische cineasten deden er ruim twintig jaar over om film effectief en eerlijk aan te wenden als platform voor uiting en dialoog over de bloederige geschiedenis. Net als die eerste Indische, door zelfcensuur geplaagde prenten — die later door parels van Satyajit Ray en zijn generatiegenoten zouden worden overschaduwd -, weegt Bekas als instrument voor het aankaarten en verwerken van het Koerdische trauma wellicht te licht. Maar misschien is het wel een eerste stap op de weg naar een volwassen filmcultuur in Irak en een rite de passage naar maatschappelijke rouw.

MO* geeft 5 duotickets weg voor Bekas. Neem hier deel.

Ruben Vandersteen is redactielid van het online filmtijdschrift kutsite.com.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift