Islam en beschaving

Het zit ze hoog. De jonge intellectuelen die met twee voeten in het veld van de diverse samenleving werken, worden bij elk media-optreden, voor elk boek dat ze willen schrijven en bij elk debat waaraan ze deelnemen geconfronteerd met onversneden vijandigheid tegen de islam.
 ‘Eerlijk gezegd had ik gehoopt dit boek niet te hoeven schrijven’, zegt Sami Zemni op blz. 11 van Het islamdebat. Het feit dat er toch nog 200 bladzijden volgen, toont aan dat hij zich genoodzaakt zag zijn eigen kritiek op de culturalisering van het maatschappelijk debat uit te schrijven en te argumenteren.
Ico Maly doet ongeveer hetzelfde, vanuit een andere achtergrond en met andere klemtonen: minder inzoomend op de islam en het debat within, meer vasthoudend aan de analyse van het politieke en maatschappelijke spreken waarmee de media en de politiek gaandeweg een “migrantenprobleem” gecreëerde hebben, dat de voorbije jaren dan versmald werd tot een probleem met de islam.
Een van de sterke punten van De beschavingsmachine is dat Maly de ontstaansgeschiedenis van het huidige spreken en denken behoorlijk goed kadert en uitlegt. Zaken als de Botsende Beschavingen van Huntington, de Onderzoeken van Van San en de Kruistocht van Bush jr. en zijn neocons, behoren -zeker bij het lezerspubliek van dit soort boeken- tot de gekende leerstof. Gelukkig wordt daar niet al te veel tekst aan verspild.
Het is wel lovenswaardig dat Maly een aantal andere elementen uit de geschiedenis opfrist, zoals bijvoorbeeld de manier waarop Verhofstadt in zijn Burgermanifesten het anti-islamdiscours legitimeerde bij een liberaal, intellectueel en democratisch publiek. Dat het discours van Paul Cliteur vanuit Nederland die voorzet van Verhofstadt bijzonder ver doorgetrokken heeft -waarvoor hij ook in Vlaamse media met veel aandacht beloond werd- staat buiten kijf.
Het is een verdienste van dit boek dat daar op gewezen wordt. Ik ben zelf een pak ouder dan Ico (hij is geboren toen in het jaar dat ik getrouwd ben) en werkte in de jaren tachtig toevallig in Borgerhout, onder andere voor de vzw Welzijnszorg. Ik heb het ontstaan van het Blok en daarna de verschuivingen in de analyse bij de centrumpartijen (en nog later bij links) dus heel bewust meegemaakt. Toch is het ook voor een old hand heel verfrissend en verhelderend dat dit soort ontwikkelingen nog eens onder de aandacht gebracht worden.
Hetzelfde geldt voor het ontstaan van het “inburgeringsdiscours”, waarbij de reële maatschappelijke problemen zodanig geherdefinieerd worden dat er van sociaal-economische uitsluiting geen sprake meer is en enkel de veronderstelde culturele onaangepastheid van migranten of allochtonen nog aangepakt wordt. Door meer blauw op straat te beloven of door meer vereisten van “integratie” op te leggen aan wie geen stamboomVlaming is.
In het voorlaatste hoofdstuk gaat Maly uitgebreid in op de manier waarop inburgering onder Marino Keulen gedefinieerd (en verengd) werd. Zijn kritiek is hard, maar voor een groot deel rechtvaardig. Waar ik niet meer volg, is waar Maly Blommaert volgt. Op blz 135 lees ik ‘Nederlands spreken en begrijpen is bevorderlijk voor de integratie, zo luidt het argument. De sociale interactie en integratie zou hierdoor een grote sprong voorwaarts nemen. De argumentatie klinkt logisch, maar helaas ontbreekt elk fundament voor deze “interessante piste”.’ Ik begrijp dat de kritiek op de nadruk op Nederlands soms de oren uitkomt als er geen taal of teken is van echte integratiebereidheid van de kant van het belei of wanneer je weer eens vaststelt dat taalkennis helemaal niet helpt om aanvaard te worden of werk te vinden, maar het is kortzichtig om de kennis van de lands- en gebruikstaal dan maar meteen af te serveren als “ongefundeerd”.
Ik ken de redenering wel: wie rijk en hooggeplaatst is, kan zonder problemen functioneren en moet blijkbaar niet “integreren”, dat is een vereiste die alleen toegepast wordt op wie arm en werkloos is. Terechte kritiek, overigens. Maar het klopt niet meer als het omgedraaid wordt: dat de armen even goed kunnen functioneren met hun beperkte Nederlands of straatNederlands, als taalkennis toch blijkbaar niet nodig is voor de rijken om hier te functioneren. Dat is een sofistische redenering die vooral schadelijke gevolgen heeft voor wie arm is en erin gaat geloven. Al zal ik zeker niet tegenspreken dat het geloof in de wonderen van de Nederlandse taal weinig relatie heeft met de reële upward mobility van de gemiddelde allochtoon of migrant. Maar het is niet omdat een instrument geen wonderen verricht, dat het per se nutteloos en verwaarloosbaar is.
Niet alles in de beschrijving van de “constructie van het culturele discours” is fris en verhelderend. Het stuk over het vijandsbeeld dat rond Irak gecreëerd werd, wordt in dit boek te eenduidig en rechtlijnig ingeschakeld in het uitsluitingsdiscours dat de autochtone meerderheid steeds legitiemer ging vinden. A en B hebben zeker raakvlakken, maar die zitten een stuk complexer in elkaar dan hier gesteld (en uitgewerkt) wordt. Het is trouwens niet toevallig dat de twee referenties die Ico Maly aangeeft om te “bewijzen” dat de eerste Golfoorlog een testcase was voor het nieuwe vijandsdenken uit 1981 (Said’s Covering Islam) en 2007 (Blommaert) komen: ofwel ver voor de oorlog, ofwel lang na de tweede Golfoorlog en 9/11.
Er zijn nog plaatsen waar een beetje kort door de bocht gegaan wordt. Maly schrijft op blz. 39 bijvoorbeeld dat na Zwarte Zondag (november 1991) ‘alle stemmen in het debat, van links tot rechts, het uitgangspunt deelden dat het “migrantenprobleem” een onhoudbare situatie was. Dat probleem werd omschreven als “dramatisch”, “explosief”, “gevaarlijk” en “onleefbaar”. Dat is aantoonbaar onwaar. Conservatieve en centrum-linkse partijen schrokken wel van de doorbraak van het Blok, en er werden analyses gemaakt die in de richting gaan van wat Maly schrijft, maar ze waren niet eenstemmig en niet alarmistisch. Niet op dat moment. De rest van het eerste hoofdstuk beschrijft overigens hoe de samenleving van “niet zien” over “willen zien” tot een heel bepaalde manier van zien gekomen is.
Willens nillens zit midden in het boek van Ico Maly een hoofdstuk over islam (net zoals die term ook in de ondertitel moest -wie wil verkopen, moet soms een kleine toegeving doen. Het hoofdstuk over islam als bestseller baseert zich grotendeels op een -terechte en vrij redelijke- kritiek op Jan Leyers en zijn Weg naar Mekka, en op een minder redelijke -maar dat ligt ook aan het onderwerp- kritiek op Wilders en zijn Fitna. Vooral de analyse van de manier waarop Leyers zijn Weg kiest en hoe hij die voorstelt, zijn van belang, want terwijl alleen randpolitici hoog oplopen met de exploten van Wilders, is de impact van Leyers’ Weg op maatschappelijke sleutelfiguren en een heel brede middengroep enorm geweest.
Maly stelt dat de claim van Leyers dat hij “opzoek ging naar de waarheid over de islam” ongeloofwaardig is omdat hij vertrok van heel duidelijke vooropgezette ideeën over het allesverklarende belang van de islam voor volkomen diverse mensen, groepen, volkeren en staten; bovendien was het resultaat geen zelfbevraging en kristische openheid, maar onversneden bevestiging van de vooropgestelde clichés. Dat soort series draagt een verschrikkelijke verantwoordelijkheid voor de manier waarop een meerderheid van Vlaanderen over de islam denkt, én voor de perceptie onder moslims hoe ze voorgesteld en afgeserveerd worden door de dominante cultuur.
De stap van Verhofstadt over Cliteur en Leyers naar Barnard, Van Istendael en Sanctorum is een interessante oefening en nog niet vaak gemaakt. Het fenomeen van het progressief front dat de allochtonen herleidt tot moslims, en moslims tot alleen maar de letterlijkste interpretatie van de Koran, is vrij jong en dus relevant voor een onderzoek als deze Beschavingsmachine. Of we de gewraakte auteurs het predikaat “links” moeten ontzeggen voor hun hoogst bekrompen en bijwijlen (en vooral bij sommigen onder hen) ontspoorde meningen, is een zaak die ik graag overlaat aan de bewakers van het merk. Zelf vind ik dat niet zo relevant, ik heb ook niet zo’n behoefte om mij alleen maar terug te vinden bij mensen die op betrouwbare wijze dezelfde meningen hebben als ik (of andersom).
Essentieel in het betoog van Ico Maly -en daar ben ik het volmondig mee eens- is de kwalijke verschuiving van een sociaal-economische analyse van uitsluiting naar een culturaliserende verenging en essentialisering. Dat spoort onaangenaam goed met het culturele nationalisme dat in het noorden van dit land zo welig bloeit. En vooral: het vertaalt zich al snel in beleidsvoorstellen en -maatregelen die de ongelijkheid niet meer aanpakken, maar de slachtoffers. Het geheel van de puzzel die Ico Maly beknopt presenteert in dit boek, maakt duidelijk hoe we in dit doodlopende en onvruchtbare straatje terechtgekomen zijn.
Op het moment dat Maly zijn eigen definitie van cultuur duidelijk maakt (om aan te geven hoe smal en beperkt zijn “anderen” het begrip hanteren), rijst echter de vraag of de tegendefinitie wel zo veel ruimer is. Ik denk dat een defintie van cultuur als “een spel van ideologie en macht” (blz. 114) te weinig recht doet aan de rijkdom en de diepte van wat cultuur voor mensen en voor de mensheid betekent. Zo’n beperkende definitie sluit ook bij voorbaat uit dat je begrijpt waarom mensen zo gehecht kunnen geraken aan wat zij cruciale uitingen of onderdelen van het culturele complex beschouwen. “Een spel van ideologie en macht” suggereert een louter constructie van waarden en vormen die volkomen contingent zijn en dus -bij veranderende machtsverhoudingen of sociaal-economische omstandigheden- ook moeiteloos kunnen wijzigen.
Hier raken we aan een probleem dat ik waarneem bij de meeste discoursanalyses die ik lees, en 2009 heeft er in de niche die we vanavond behandelen niet weinig voortgebracht (naast De Beschavingsmachine is er Sami Zemni’s Islamdebat en De leeuw in een kooi van K. Arnaut, S. Bracke, B. Ceuppens, S. De Mul, N. Fadil en M. Kanmaz). Onderliggend in deze analyses is de overtuiging dat spreken de wereld vormgeeft (dat klopt voor een stuk: ideeën en de strijd om symbolische dominantie zijn belangrijk omdat ze bepalen wie de keuzes in een samenleving kan maken) en dat anders spreken een andere wereld zou opleveren (ook dat klopt, voor een kleiner stuk: de grond van maatschappelijke realiteiten ligt natuurlijk voor een groter deel in de sociaal-economische verhoudingen en praktijken, én in de culturele praxis die zelf een vorm van spreken voortbrengt).
Met andere woorden: de strakke focus op “het discours” is tegelijk verhelderend en verblindend. Het geeft inzicht in tendensen die al te vaak als een soort natuurlijke evolutie worden voorgesteld, maar het houdt ook het gevaar in dat het te weinig oog heeft voor de morsige en tegenstrijdige werkelijkheid in de wijken, in gezinnen, in gemeenschappen, in staten…
Heel vaak -en dat is een euvel waraan De beschavingsmachine niet ontsnapt- wordt het overgrote deel van zulke analyses ook besteed aan het ontrafelen van de valse premissen en verborgen agenda’s van het dominante discours (een waardevolle onderneming, zonder meer) maar gebeurt dat in een soort maatschappelijk vacuüm. Ik bedoel: het is steeds alsof alleen de dominante krachten spreken, alsof er niet tegen-gesproken wordt.
En alsof het eigen handelen en spreken en beleven van degenen die uitgesloten worden geen betekenis creëert, voor de eigen gemeenschappen en levens, maar ook in de dialectiek van maatschappelijke verhoudingen. Allochtonen zijn in deze analyse veel te veel afwezig, tenzij als op de achtergrondf, als machteloze slachtoffers van uitsluiting. Het zou veel meer verhelderend zijn als ook de groei van tegen-discours, in dialoog en conflict met de evolutie van het dominante discours, beschreven zou worden. Dat is correcter en het geeft meer perspectief.
De grote verdienste van De beschavingsmachine (en van vergelijkbaar werk door jonge academici als Sami Zemni, Nadia Fadil, Meryem Kanmaz, Bambi Ceuppens, Karel Arnaut et les autres) is dat ze de historische ervaring met de kolonisatie-ideologie gebruiken als interpretatiekader voor de manier waarop vandaag met etnisch-culturele minderheden in ons land (en in het Westen) wordt omgegaan. Dezelfde grote mechanismen worden toegepast, waarbij we onszelf veel waarden en bewonderigenswaardige eigenschappen toedichten die in feite zeer gecontesteerd zijn, terwijl een andere gecreëerd wordt die eenvormig gemaakt wordt en ontdaan van zijn en haar diversiteit, menselijke faciliteiten en constructieve bijdragen tot de maatschappij.
Navo-haviken, verlichte of kosmopolitische schrijvers, conservatieve politici, lobbyisten voor de wapenindustrie en Ward aan de tapkast: er is weinig dat deze eclectische verzameling westerlingen meer verbindt dan de strijd voor het behoud van “onze verworvenheden en ons maatschappijmodel”. Een paar decennia geleden was dat model nog gebouwd op het gezin –met moeder aan de haard– en de christelijke waarden. Vandaag zijn we seculier en voert zelfs de behoudsgezinde meerderheid de rechten van holebi’s hoog in het vaandel, staat de gelijkheid van vrouwen buiten kijf en vinden we dat iedereen het recht heeft om zijn mening te zeggen. Klinkt het niet, dan botst het maar. Wat daarstraks nog de progressieve utopie van 68’ers was, is vandaag algemeen gedeeld gedachtengoed.
Het lijkt te mooi om waar te zijn, en dat is het ook. De grote eensgezindheid over de nieuwe westerse waarden is vooral een gretig gedeelde illusie die “ons” moet onderscheiden van de hedendaagse barbaren, lees: de moslims. Het is een danig verfraaid spiegelbeeld dat in de praktijk weinig oplevert voor holebi’s, vrouwen of verdraagzaamheid, en het zegt zo goed als niets over de andere die we afwijzen. Maar aangezien we zo graag geloven dat wij de mooiste van het hele land zijn, koesteren we de vervormende spiegels en vervloeken we iedereen die op onze rimpels en vetrollen wijst.
Eenmaal die vertekening van de samenleving geaccepteerd is, wordt het makkelijk om een uitsluitend beleid voor te stellen en op te leggen. Om het verzet tegen die onderdukkende praktijk te voeden, zijn het soort analyses zoals deze van Maly bijzonder nuttig. Als de tekening minder zwart-wit zou zijn -met bijvoorbeeld wat meer realiteitsgetrouwe grijswaarden als er over islam of allochtone gemeenschappen gesproken wordt- zou de analyse nog aan kracht en geloofwaardigheid winnen. En voor wie gelooft in de noodzaak van verzet, weet dat die twee zaken niet verwaarloosd mogen worden.
De beschavingsmachine. Wij en de islam door Ico Maly is uitgegeven door EPO. 167 blzn. ISBN 978 90 6445 229 1
Het islamdebat door Sami Zemni is uitgegeven door EPO. 220 blzn. ISBN 978 90 6445 548 3

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur