Op dictatour door Europa

De Nederlandse journalist en redacteur Frank van Hoorn heeft een interessant en vlot weglezend boekje geschreven over de dictaturen van het twintigste-eeuwse Europa (Hitler, Franco, Mussolini, Hoxha, Tito), met een laatste hoofdstuk gewijd aan de zogenaamde laatste dictator van Europa, de Wit-Russische Loekasjenko. Meer specifiek onderzocht hij hoe de despoten dankbaar gebruik maakten van toerisme om hun ideologische boodschap te doen insijpelen in het buitenland en verder te verspreiden.

Voor zijn boek ging Van Hoorn graven in oude krantenarchieven en eertijdse toeristische gidsen die verslag uitbrachten van de ervaringen van buitenlandse bezoekers die “op dictatour” gingen.

Mussolini was zo iemand die met advertenties in buitenlandse kranten, ticketkortingen en zelfs taalcursussen geïnteresseerden uit heel Europa wist aan te trekken. Van Hoorn beschrijft hoe in 1927 een groep Nederlandse leraren klassieke talen werd ontvangen door Il Duce. “Na afloop volgde een groepsfoto. Daar stond de dictator, de armen over elkaar en de kin omhoog, tussen leraren aan Nederlandse gymnasia in hun beste zomergoed. Eén leraar kopieerde de gekruiste armen van Mussoloni: hij spiegelde zich aan de duce. Minutenlang kan ik naar deze foto staren, zonder me een seconde te vervelen.” (p.39)

In het hoofdstuk over Tito bezoekt Van Hoorn Tito’s geboortedorp Kumrovec, een soort Kroatisch Bokrijk, hij bezoekt het residentiële eiland Brijuni en citeert ondertussen uit allerlei gidsen, reisreportages en Tito-biografieën. “Toerisme maakte Joegoslavië tot een welvarend land, concludeerde een Nederlandse krant in 1977” (p.69) En de toeristen van de jaren zestig en zeventig waren dol op het Zuidslavische, mediterrane land. Uiteraard citeert Van Hoorn ook de Nederlandse Balkanreiziger Den Doolaard. In Belgrado, tenslotte, bezoekt Van Hoorn het graf van de Maarschalk in het Bloemenpaviljoen.

In tegenstelling tot het Albanië-hoofdstuk (zie verder) is het Joegoslavië-hoofdstuk nogal povertjes. Over Tito’s erfenis en het al dan niet toeristische belang ervan valt veel meer te schrijven. Zo vind je in alleen al Belgrado in de café’s oude Tito-portretten (die nooit werden weggenomen), nieuwe portretten, retro-socialistische ambiance met een hippe interpretatie van de dictator en zijn symbolen enzovoort. Ook bieden toeristische diensten in de respectieve ex-Jugo-republieken Tito-tours aan. In Macedonië met name is de zogenaamde Joegostalgie ook nog sterk aanwezig. Niets daarover echter bij Van Hoorn. Wat het Albanië-hoofdstuk ook krachtiger maakt is dat hij onderweg met de mensen heeft gepraat. Die dankbare dialogen ontbreken in het Tito-hoofdstuk.

In Albanië gunt Van Hoorn zich de tijd om het land te bereizen en de mensen te leren kennen. Albanië is dan ook nog steeds de blinde vlek op de Europese kaart: we weten er weinig over. En Van Hoorn is nieuwsgierig. Zijn Albanese verhaal is er een dat letterlijk begint bij de aankomst op de luchthaven. Vol verwondering laat hij de taxichauffeur aan het woord en beschrijft hij zijn eerste indrukken van hoofdstad Tirana en haar inwoners. Terwijl hij Hoxha in citaten aan het woord laat, reist Van Hoorn door het land om de restanten (en ruïnes!) van een van ‘s werelds meest radicale en geïsoleerde dictaturen te bekijken.

Onderweg verblijft hij in de oude hotels van de Albturist-keten. In een erg sterke anekdote neemt een taxichauffeur hem mee naar het quasi anonieme graf van de dictator: “Hij wil bloemen leggen, giechelt het meisje in het stalletje, en ik moet ze kopen. Mijn nieuwsgierigheid wint het van de schaamte (…) Met deze Hollander, denk ik dat hij zegt, ben ik naar Hoxha’s graf geweest.”, klinkt het later op café.

Van Hoorn vertelt ook hoe er ondanks de isolering van het land — Albanië heulde eerste samen met de Russen, later met de Chinezen, waarna het land een gans eenzame koers koos, beschermd aan de buitengrenzen door duizenden kleine, paddestoelachtige bunkertjes — toch een vorm van toerisme ontstaat, ook vanuit Nederland.

Het boek eindigt met een kort bezoek aan Wit-Rusland, streng en meedogenloos bestierd door Aleksandr Loekasjenko. Dit hoofdstuk beklijft echter niet, het verhaal wordt op een drafje afgewerkt. Van Hoorn pleegt een obligaat blitzbezoek.

Leren toeristen ook iets van het rondreizen in een dictatuur? Van Hoorn: “De toerist ziet hoe mooi de natuur is, hoe gezellig de steden, hoe voorkomend het hotelpersoneel, hoe vriendelijk het volk, en concludeert dat het met die onderdrukking allemaal wel meevalt (…) Het cliché wil dat je alleen kunt oordelen over zaken die je zelf hebt gezien, maar voor een reëel beeld van tirannie heb je waarschijnlijk meer aan een goede krant.”

Vuil van de reis door Frank van Hoorn is uitegegeven door Lj Veen, 174 blzn. ISBN 9789020466607

Sven Peeters is co-auteur van de Belgrado-gids Het Kafana-Tribunaal (met Jelica Novakovic, Clio, 2006) en auteur van Balkanboeken, een blog over de Balkan in Nederlandstalige literatuur en media. In deze recensie focust hij enkel op de hoofdstukken relevant voor de regio waar hij over schrijft.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift