‘We moeten af van het patriarchaat met zijn ijzeren heteronormen’

Dorottya Rédai: ‘Dictators vrezen sprookjes meer dan betogingen’

© Lilla Bölecz

 

Het is niet eenvoudig dezer dagen om een afspraak te maken met de Hongaarse wetenschapster en activiste Dorottya Rédai. Ze moet van het ene media-optreden naar het volgende debat over gender, heteronormen en de bedreiging van de democratie. Het Amerikaanse weekblad Time noemde haar ‘een van de meest invloedrijke mensen van 2021’, en voor de regering-Orbán is ze een van de meest geduchte tegenstanders. MO* kon haar toch strikken voor een gesprek.

‘Ik werd woordvoerster van het verzet tegen wil en dank’, zegt Dorottya Rédai. ‘Eigenlijk ben ik introvert en zou ik liever aan langlopend academisch onderzoek over gender en onderwijs werken.’ Maar wie de wereld wil verbeteren, kan niet altijd haar eigen timing of bijdrage kiezen.

De Belgische Stichting P&V kende de Hongaarse activiste en academica dit jaar haar Burgerschapsprijs toe, en dus maakte Rédai graag enkele uren vrij voor een gesprek.

‘Neoconservatieve krachten willen vrouwen weer in hun oude rol van moeder of huisvrouw te dwingen, waarbij ze die rollen romantiseren.’

Het interview moest wel te elfder ure nog verplaatst worden, omdat ze een uitnodiging had gekregen voor een rondetafelbijeenkomst op de Nederlandse ambassade in Boedapest. ‘Het was een boeiende ontmoeting,’ vertelt ze, ‘met enkele bedrijven die vertegenwoordigd worden door vrouwen. Dat is een heel andere wereld dan die waarin ik me gewoonlijk beweeg.’

© Gie Goris

Dorottya Rédai: ‘Neoconservatieve krachten doen er alles aan om vrouwen weer in hun oude, traditionele rol van moeder of huisvrouw te dwingen, waarbij ze die rollen romantiseren. Alle ambities die botsen met die traditionele rollen, worden meteen weggezet als volksvreemd.’

‘Die bedrijfsleidsters onderbouwen het pleidooi voor diversiteit met de vaststelling dat die betere productiviteit, en dus meer winst, oplevert. Maar wat wil je, als de politiek de andere kant op marcheert en de stem van het middenveld gesmoord wordt? Uiteindelijk gaat het hier om werkomgevingen waarin het gelijkekansenbeleid een echt verschil maakt voor vrouwelijke werknemers en mensen uit minderheden. Je kan dus niet anders dan erkennen dat deze bedrijven een rol spelen in sociale verandering.’

Toch stelt Rédai op heel wat vlakken achteruitgang vast. ‘Neoconservatieve krachten doen er alles aan om vrouwen weer in hun oude, traditionele rol van moeder of huisvrouw te dwingen, waarbij ze die rollen romantiseren. Alle ambities die botsen met die traditionele rollen, worden meteen weggezet als volksvreemd.’

Daartegen blijft ze zich, samen met een breed spectrum activisten, verzetten.

‘Tegelijk is het belangrijk om te zien dat de samenleving verder evolueert. Er is meer gendergelijkheid vandaag dan dertig jaar geleden. Er zijn meer vrouwen die aan het hoofd van bedrijven of organisaties staan. Er zijn meer mannen die hun deel doen in het huishouden en de zorg voor de kinderen. Het gaat traag, maar we moeten erkennen dat het vooruitgaat.’

De wettelijk verkozen dictatuur

Dorottya Rédai is een combattieve vrouw. Haar grote droom is een wereld zonder patriarchale onderdrukking, van buitenaf opgelegde normen of ongelijkheid.

Ze zet zich in voor ‘gelijkheid’, niet voor ‘inclusie’. Want: ‘Wie sluit wie dan in? Wie is de norm en wat moet een minderheid doen om erbij te horen? Inclusie is zoals tolerantie: wie verdraagt wie? Die termen zijn te hiërarchisch, te ongelijk. Daarom moeten we werk maken van andere structuren, met minder ongelijkheid.’

Toen enkele gelijkgestemde vrouwen een lesbische organisatie oprichtten, kozen ze als naam en symbool Labrisz: het dubbelzijdige kapmes van de mythische Amazones. ‘Het is een wapen waarmee we niemand zullen aanvallen, maar waarmee we onszelf willen verdedigen én het regime onze kracht willen tonen.’

‘Het regime’ is meer dan de toevallige meerderheid aan de macht. In Hongarije krijgt het regime vooral het gezicht van Viktor Orbán, die de Hongaarse regering al sinds 2010 leidt. Maar de conservatieve contrarevolutie is breder en diep ideologisch. In de loop van het gesprek omschrijft Dorottya Rédai de huidige machthebbers ook als een ‘wettelijk verkozen autoritair bestuur’ dat gendergelijkheid en seksuele diversiteit actief bestrijdt.

Op de vraag of de Kerk daarin ook een belangrijke rol speelt, schudt Rédai het hoofd: ‘Hongarije is Polen niet. Hier is de Kerk eerder marginaal, al doet ze haar best om op de golven van de conservatieve beweging opnieuw meer aanzien en impact te krijgen. Hier is het in elk geval de regering die het voortouw neemt.’

Hongarije is niet het enige land dat te kampen heeft met wettelijk verkozen autoritair bestuur. Integendeel: het lijkt anno 2022 wel een wereldwijde trend. De autoritaire leiders van vandaag gebruiken hun parlementaire meerderheid om de rechten van minderheden in te perken en terug te schroeven via wetgevende weg.

‘We kunnen jongeren doen inzien dat er in het leven meer mogelijkheden zijn dan slaafs de patriarchale normen overnemen.’

En ze creëren zo nu en dan een morele paniek, om wetten te kunnen goedkeuren waarmee al wie afwijkt van de – conservatieve – norm gecriminaliseerd wordt.

In Hongarije joeg de Fidesz-partij al in 2011 een nieuwe familiewet door het parlement én een nieuwe definitie van het huwelijk als een unie tussen een man en een vrouw. In 2013 volgde een verbod op adoptie door homokoppels. In 2018 werden procedures voor geslachtsoperaties opgeschort en universitaire genderstudies geschrapt. In 2020 werden gendererkenningen voor trans mensen ingetrokken. Enzovoort.

Organisaties als laatste vorm van oppositie

‘In de context van groeiend autoritarisme lijkt het soms alsof mensenrechtenorganisaties en LGBT-bewegingen de laatste vorm van georganiseerde oppositie zijn’, schreef Rédai in een recente academische paper.

Daarmee bedoelt ze niet dat die bewegingen de verkiezingen zouden kunnen winnen of de machtsverhoudingen op korte termijn kunnen omkeren. ‘Niemand kan dat, ook wij niet’, zegt ze. ‘Maar wat we wel kunnen, is burgers doen nadenken. Anders doen denken. We kunnen ook jongeren doen inzien dat er meer mogelijkheden zijn in het leven dan slaafs de normen van een patriarchale traditie overnemen.’

‘De kernvraag is: hoe creëer je zichtbaarheid voor je zaak? Want dat is de manier om nieuwe ideeën bij een groot publiek te introduceren. Vervolgens: hoe zorg je ervoor dat die zichtbaarheid vertaald wordt in sociale mobilisatie en publieke steun?’

Rédai en de organisatie Labrisz zetten in op culturele actie en vorming, ‘omdat de overheid ons volkomen negeert, of bestrijdt. In elk geval denkt ze er niet over met ons in gesprek te gaan. Lobbyen, petities organiseren of demonstreren zijn dan ook nutteloos geworden.’

© Labrisz

Dorottya Rédai (vijfde van links) samen met de vrouwen van Labrisz

Het is een sprookje

Uit de grootste moeilijkheden worden vaak de creatiefste ideeën geboren. In de schoot van Labrisz groeide het plan om ook voor jonge kinderen een aanbod te creëren om het brede spectrum aan genderkeuzes en -ervaringen bespreekbaar te maken.

Het idee kreeg in 2020 de vorm van Sprookjesland is van iedereen, een selectie van zeventien speciaal voor dit boek geschreven sprookjes. Het zijn verhalen waarin prinsen met elkaar trouwen en prinsessen lang en gelukkig samenleven, waarin Roma-kinderen helden zijn en waarin andere kinderen familiaal geweld overleven, waarin een meisje draken bestrijdt terwijl haar vriendje liefdesliederen zingt.

© Lilla Bölecz

 

Het personage Margaret, bijvoorbeeld, leert dat ze de Grote Reus moet verslaan om de held te worden die ze altijd al had willen zijn. De Reus probeert haar te overtuigen dat ze alle schoonheid, charme en goedheid van de wereld kan krijgen als ze haar zwaard neerlegt, en dat iedereen haar dan zal kennen als Margaret de Schone. Maar ze laat zich niet paaien en ook haar vriend, Simon de Verhalenverteller, wil liever verder met Margaret de Reuzendoder – want dat is wat zij zélf wil zijn. (En ze leefden nog lang, avontuurlijk en gelukkig…)

‘De kinderen waarover conservatieven zich zo bezorgd tonen, zijn altijd witte middenklassekinderen, lichamelijk in topvorm, van nature hetero maar tegelijk aseksueel.’

Het boek werd een nationaal én internationaal succes. In Hongarije werden meer dan 33.000 exemplaren verkocht. Het werd vertaald in het Nederlands, Pools, Slovaaks, Duits en Zweeds en binnenkort verschijnen Finse, Engelse, Franse en Tsjechische vertalingen. En daarbovenop kwamen een heleboel prijzen en nominaties.

‘Een sprookjesboek publiceren lijkt misschien apolitiek, maar we bereiken er veel meer mensen mee dan met een betoging’, vertelt Rédai. ‘Bovendien planten we op die manier zaadjes in de hoofden van jonge mensen, die straks mee kunnen zorgen voor echt andere politieke machtsverhoudingen in Hongarije.’

De regering-Orbán en de conservatieve krachten in Hongarije vonden Meseország mindenkié, zoals de originele titel luidt, overigens allesbehalve apolitiek. De activistes van Labrisz hadden de storm die het sprookjesboek veroorzaakte niet zien aankomen.

Labrisz en andere gendergeoriënteerde bewegingen kregen het verwijt dat ze “onschuldige kinderen” bedreigden met hun “LGBT-propaganda”. ‘De kinderen waarover conservatieve politici en opiniemakers zich zo bezorgd tonen,’ stelt Rédai vast, ‘zijn altijd witte middenklassekinderen, lichamelijk in topvorm, van nature hetero maar tegelijk aseksueel. Misschien is dat wel het échte probleem met de sprookjes: ze erkennen de ware diversiteit in de samenleving en ze helpen ouders daarover praten met hun kinderen.’

Rédai blijft er ook vandaag van overtuigd dat de sprookjes niet de aanleiding waren voor de tsunami aan nieuwe wetten en aanvallen door de Hongaarse regering, maar eerder het voorwendsel.

“Daddy Cool”? Neen, bedankt

Het belang van de kinderjaren voert ons gesprek ook naar Boedapest in de jaren ’70 en ’80, Dorottya Rédai’s eigen wonderjaren. Boedapest lag in de jaren 1980 nog achter het IJzeren Gordijn. Hongaarse jongeren knutselden er hun eigen verweer tegen allerlei vormen van onvrijheid in elkaar, met de stukken en brokken westerse cultuur die het Oostblok binnensijpelden.

Dorottya, die zestien was toen in Berlijn de Muur verkruimelde, dweepte eerst met met glamrock uit de jaren ‘70. Later experimenteerde ze met rock‘n’roll, rhythm-and-blues en een hippie-uiterlijk. In de jaren ‘70 prijkten Abba en Boney M. boven aan haar persoonlijke hitlijst.

© Lilla Bölecz

 

Tot ze als achtjarige de hoes van het in 1976 verschenen debuutalbum van Boney M. zag (met daarop onder andere de hitsingle Daddy Cool). De zanger torent daarop dreigend en autoritair uit boven de drie zangeressen, die in lingerie op de grond liggen. ‘Ze lagen geketend op de grond’, zegt Rédai.

De referentie naar slavernij die ze zich herinnert, mag dan niet accuraat zijn, maar het masculiene geweld, de patriarchale macht en de verkrachtingsfantasie spatten wel van de hoes. Het is nooit meer goed gekomen tussen de kleine Dorottya en Boney M.

Einde verhaal, zou je zeggen, maar het is andersom. Bij die schok begint het verhaal dat haar, ongevraagd, tot een van de iconen van zowel de democratische oppositie als de genderstrijd in Hongarije zou maken.

Dat Rédai zo’n belangrijke stem zou worden, stond allesbehalve in de sterren geschreven. ‘We discussieerden op de middelbare school wel veel over politiek, maar ik was zeker niet erg actief in de periode van de val van het communisme.’

Toch was ze gefrustreerd dat ze nog te jong was om te gaan stemmen bij de eerste vrije verkiezingen in 1990. ‘Iedereen barstte van verlangen naar het kapitalisme en de consumptiemaatschappij’, zegt Rédai, hoofdschuddend. Want intussen weet ze dat kapitalisme vooral ongelijkheid produceert. ‘Neoliberalisme is het hedendaagse gelaat van de aloude patriarchale onderdrukking’, zegt ze later in ons gesprek. Maar in 1990 ging het dus vooral over vrijheid.

Waarom mag hij wat ik niet mag?

Vrijheid was een erg persoonlijke kwestie voor Rédai. Als kind moest ze die verdedigen binnen haar eigen familie, en tegen de gevolgen haar gezondheidsproblemen.

Vanaf haar zevende had ze af te rekenen met suikerziekte, die haar dagelijkse leven heel strikt reguleerde. Bovendien versterkte die diagnose de controleangst van haar moeder. Die vreesde voortdurend voor een levensbedreigende crisis als haar dochter buiten haar gezichtsveld bewoog.

‘Ik wou gewoon dezelfde rechten, mogelijkheden en vrijheden die voor jongens blijkbaar heel gewoon waren.’

Maar wat Rédai écht zou bijblijven, was dat haar broers meer vrijheid kregen dan zijzelf. Dat zij zich gedrag konden veroorloven dat van haar absoluut niet getolereerd werd. Dat meisjes niet gewoon anders behandeld werden dan jongens, maar dat ze voortdurend minder ruimte en minder kansen kregen dan jongens.

‘Ik besefte heel vroeg dat mijn leven een stuk makkelijker zou zijn als ik een jongen was geweest’, vertelt ze daarover. ‘Niet dat ik ernaar verlangde om fysiek een jongen te worden. Ik wou gewoon dezelfde rechten, mogelijkheden en vrijheden die voor jongens blijkbaar heel gewoon waren.’

Die ongelijkheid smaakt extra bitter omdat haar ‘verwende en gepriviligeerde broer uiteindelijk homofoob werd, en een vrome christen. Hij spreekt niet meer met me sinds ik twintig jaar geleden uit de kast kwam als lesbische. Het is niet moeilijk om de connecties te zien tussen seksisme, heteronormativiteit, religieus geloof en homofobie.’

Toch duurde het tot Dorottya aan de universiteit studeerde eer ze haar intuïtieve onvrede met genderongelijkheid kon vertalen in helder inzicht en in activisme. Een keuzevak over gender en taal bleek een basiscursus feministische theorie te zijn, die haar hielp om de kinderlijke gevoelens, de puberale frustraties en de adolescente ambities te zien als deel van een groter, structureel gegeven.

Het was niet langer een gevecht van de kleine Dorottya tegen haar bazige omgeving, het werd een strijd voor een andere wereld.

Vooruitgang is een spiraal

Na haar masteropleiding Engels nam Dorottya Rédai enkele jaren afstand van de academische wereld. Ze keerde terug voor een master Genderstudies, een terrein waarop ze nog steeds actief is en waarover ze de volgende jaren opnieuw meer onderzoek hoopt te doen.

‘In mijn eerste lesbische relatie kon ik mijn vrouw-zijn zélf invullen.’

Rond 2003 sloot ze aan bij een belangenvereniging voor lesbische vrouwen, Labrisz. Niet dat ze zich altijd al aangetrokken gevoeld had tot meisjes, maar ze had zich nooit echt thuis gevoeld in de relaties met jongens. ‘Het ging niet om een gebrek aan emotionele of seksuele betrokkenheid’, zegt ze. ‘Ik voelde me gewoon niet thuis in de genderrollen die blijkbaar ingebakken zaten in die relaties. Ik voelde me ongelukkig worden als ik “de vrouw in de relatie” moest zijn.’

© Lilla Bölecz

 

Toen de eerste verliefdheid op een meisje volgde, voelde dat voor haar aan als een bevrijding, herinnert ze zich. Omdat de ervaring bevestigde dat rollen, patronen en verwachtingen doorbroken kunnen worden. ‘In mijn eerste lesbische relatie kon ik mijn vrouw-zijn zelf invullen.’ Dat versterkte haar overtuiging dat ook normen en structuren ten goede veranderd kunnen worden.

Niets gaat vanzelf, dat beseft Rédai maar al te goed. ‘Het is niet omdat je een lesbische relatie hebt, dat je als bij toverslag verlost bent van alle verwachtingen die de wereld op je lijf en je leven projecteert. Ik heb ook wel eens in een relatie gezeten waarin mijn vriendin veranderde in een “echtgenoot” en ik toch weer “de vrouw in de relatie” werd.’

Het is een ervaring die niet enkel in kleine kring, maar ook in de grote wereld opduikt. De vooruitgang om gender in alle vrijheid zelf in te vullen en te beleven, los van de heteronormen en van de patriarchale machtsrelaties die traditioneel doorgegeven worden, krijgt de voorbije jaren steeds vaker een sterke terugslag.

Autoritaire populisten van Hongarije tot Brazilië willen er alles aan doen om die vooruitgang terug te dringen. Rédai: ‘Mijn grootmoeder vertelde me altijd dat vooruitgang geen rechte lijn is maar een spiraallijn, met vooruitgang, terugval, strijd en succes.’

De doorbraak van vrijheid en democratie in de jaren 1990 was een grote sprong voorwaarts voor de generatie van Rédai. Maar in meerdere Centraal-Europese staten kwam de weerslag verrassend snel en hard. En op weinig plaatsen sloeg de traditie zo hard terug als in Hongarije.

‘Het oude socialistische systeem had heel wat voorzieningen die bedoeld waren om vrouwen gelijke arbeidskansen te geven, zowel in het onderwijs als door het toegankelijk maken van kinderopvang en kleuterscholen. Maar de fundamentele ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, in politiek of gezin, werd nooit in vraag gesteld.’

Vrouwen werden ondersteund, maar mannen werden nooit gevraagd meer zorgende taken op zich te nemen. Dat resulteerde in een betere deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt, maar ook in niet-erkende, dubbele of drievoudige dagtaken voor diezelfde vrouwen.

Vandaag heeft het patriarchaat volgens Rédai wereldwijd de vorm van een neoliberaal systeem gekregen. ‘Daarin worden traditionele genderpatronen in nieuwe vormen en met nieuwe argumenten bevestigd.’

Echte vrijheid vraagt structurele verandering

Op een dieper niveau vecht Dorottya Rédai het neoliberale dogma aan omdat het de verantwoordelijkheid van menselijk handelen helemaal bij het individu legt. Of je rijk of arm bent: het is jouw verantwoordelijkheid. Maar ook seksueel geweld of uitsluiting op basis van gender wordt uitsluitend gezien als een individuele keuze of verantwoordelijkheid. Alsof er geen machtsstructuren bestaan en alsof de staat of de dominante instellingen geen rol spelen.

Als ik tegenwerp dat haar eigen strijdpunt toch ook is dat elk individu zijn of haar eigen invulling van gender of seksualiteit moet kunnen kiezen, antwoordt Rédai: ‘Onze strijd focust niet op elk afzonderlijk individu, maar op de structuren die verdrukkend en onvrij zijn. Dat betekent dat wij net wél de klemtoon leggen op structuren en op het systeem, als voorwaarde om elke burger vrijheid van keuze te geven. Neoliberalisme ontkent het belang daarvan, en daarom slaagt het er ook niet in kwetsbare mensen keuzevrijheid te bieden.’

Die focus op structuren van verdrukking in plaats van op elke individuele ervaring is ook binnen de feministische of LGBT-bewegingen niet verworven, dat beseft Dorottya Rédai. Maar ze is erg terughoudend om daarover in detail te gaan, al was het maar omdat de nieuwe traditionalisten maar al te graag een verdeel- en heersspel spelen. ‘Ja, er zijn feministen die transfoob zijn, of LGTB-activisten die racistisch of islamofoob zijn. En dat versterkt nog het geweld van het patriarchaat’, benadrukt ze.

De vele gezichten en oorzaken van ongelijkheid

Gender is geen geïsoleerd gegeven, ook dat is voor Rédai cruciaal. Genderongelijkheid overlappen met ongelijkheid in klasse, etnische afkomst, seksuele oriëntatie… En die overlappingen versterken de bestaande ongelijkheden.

Als een Roma-leerlinge te maken krijgt met ongepast seksueel gedrag van een Hongaarse leerkracht, bijvoorbeeld, is ze nog veel kwetsbaarder dan een Hongaars meisje in dezelfde situatie. En als die leerlinge uit een arm gezin komt, zijn haar kansen op bescherming al helemaal miniem.

‘Audrey Lorde zei: “Er kan niet één vrouwenbeweging bestaan, aangezien vrouwen geen monolithische groep vormen.”’

Rédai: ‘Die ongelijkheden versterken elkaar, maar de verschillende perspectieven verzwakken het verzet. De verwarring daarover maakte het lange tijd moeilijk om samen aan een betere wereld te bouwen. Vaak leek het ieder voor zich en stonden onderlinge verschillen in de weg van samenwerking rond gedeelde strijdpunten.’

‘Maar het offensief van het huidige regime in Hongarije zorgt, paradoxaal genoeg, voor de brede bewustwording dat solidariteit nodig is over de grenzen van de eigen groep of gemeenschap heen. Veel feministen zijn tenslotte ook arbeidsters, veel onderwijzers zijn lesbisch, veel arbeiders zijn Roma, veel Roma zijn vrouwen, enzovoort.’

© Lilla Bölecz

 

Dat kruispuntdenken, ofwel de intersectionele strijd voor een rechtvaardige wereld, kan niet wachten tot alle groepen elkaar in alle eisen steunen. Dat was trouwens de boodschap van de zwarte Amerikaanse auteur Audrey Lorde over de vrouwenbeweging, zegt Rédai: ‘Zij stelde dat er niet één vrouwenbeweging kan bestaan, aangezien vrouwen geen monolithische groep vormen en er reële machtsverschillen zijn, bijvoorbeeld tussen witte en zwarte vrouwen.’

‘Maar er bestaan wel gedeelde strijdpunten, en de diverse vrouwenbewegingen moeten volgens Lorde samenwerken rond die gemeenschappelijke belangen. “Er bestaat geen strijd die maar op één thema gericht is, want ons leven is veel breder dan één thema”, zei ze. Daar ben ik het mee eens.’

Daarom vindt Rédai het zo belangrijk dat er coalities rond gezamenlijke strijdpunten gesmeed worden. ‘De ene keer hebben LGBT-bewegingen de steun van vakbonden en mensenrechtenorganisaties nodig, de andere keer moeten LGBT-bewegingen en vrouwenorganisaties zich uitspreken over de rechten van migranten of over de noodzaak om onderwijzers een deftig loon te geven.’

Seksueel geweld door pubers

Onderwijs is voor Dorottya Rédai een centraal aandachtspunt. Het is de plek waar jongeren niet alleen kennis opdoen maar ook ideeën vormen over burgerschap, over gender, over wie ze zelf willen worden. Jongeren worden er gevormd én vormen zichzelf en elkaar.

Dat gaat vaak gepaard met verbaal of zelfs fysiek geweld, met online of tastbare druk, en met veel worstelen met maatschappelijke normen en verwachtingen. In haar academisch onderzoek probeert Rédai zicht te krijgen op de manier waarop scholen en leerkrachten daarmee omgaan.

‘Genderpatronen en -machtsongelijkheid liggen aan de basis van het meeste gendergerelateerde geweld op scholen’, stelde ze in 2019 vast. Daartegenover ziet ze een gebrek aan structureel denken en systemisch werk. Er wordt, schrijft ze, bij seksueel geweld nog veel te veel geloof gehecht aan verklaringen die uitgaan van testosteronstormen bij puberale jongens of van meisjes die zich ongepast kleden.

Ook in haar wetenschappelijke werk stoot ze, met andere woorden, op de noodzaak om structuren in denken en handelen te veranderen.

Van introvert naar publiek persoon

Vlak voor we ons gesprek afronden, vraag ik Dorottya Rédai wat de afgelopen jaren voor haarzelf betekend hebben. Wat deed het succes van Sprookjesland is van iedereen met haar, en hoe verwerkte ze de felle politieke reacties? Hoe voelt ze zich, als middelpunt van nationale en internationale aandacht?

Ze zucht. ‘Mijn hele leven werd op zijn kop gezet. Mijn academisch werk verdween wat naar de achtergrond, en dat vind ik jammer. Tegelijk besef ik dat mijn activisme veel meer bereikt dan een academische paper die door tien collega’s gelezen wordt. Maar we waren niet voorbereid op de plotse aandacht, en daardoor stond ik er grotendeels alleen voor. Van de ene dag op de andere moest ik mijn introverte zelf inruilen voor een openbare persoon die deelneemt aan mediatieke debatten.’

‘Al hebben we nu met Labrisz voor het eerst ook mensen betaald aan het werk gezet om alle werk en turbulenties op te vangen. Maar hoe financier je die tewerkstelling op termijn? Daar zijn we nog niet uit.’

Deze maand nog worden de Engelse en Franse vertalingen van Meseország mindenkié gelanceerd. Rédai reist daarvoor naar Londen en half november naar Parijs. In die periode komt ze ook naar Brussel om haar Burgerschapsprijs op te halen en is ze uitgenodigd door het Europees Parlement.

Begint dat succes niet te zwaar door te wegen? ‘Toch niet’, reageert Rédai plots opgewekt. ‘We zitten nu in een fase waarin het vooral de leuke dingen zijn die komen bovendrijven: prijzen, buitenlandse voorstellingen, reizen. Daar kan ik echt wel van genieten.’

‘Zeker,’ vult ze aan, ‘omdat het ook nog eens bijdraagt tot het veel breder verspreiden van de boodschap waar het ons oorspronkelijk om te doen was: we moeten af van het patriarchaat met zijn ijzeren heteronormen, om ruimte te maken voor de enorme diversiteit die onder mensen leeft.’

In haar gedrevenheid hoor je een echo van de stem van Margaret de Reuzendoder wanneer die haar zwaard trekt: “‘Kom op’, riep ze tegen de Reus die verborgen zat in melkwitte mist. ‘Toon jezelf, kom te voorschijn en ga het gevecht met me aan.’” Het vraagt weinig verbeelding om te bedenken hoe dat sprookje eindigt.

Sprookjesland is van iedereen is een selectie sprookjes, geschreven door 17 Hongaarse auteurs (Zoltán Csehy, Petra Finy, Eszter Gangl, Dóra Gimesi, Sára Harka, Noémi Rebeka Horváth, Kriszta Kasza, Edina Kertész, Judit Ágnes Kiss, Brigitta Kovács, István Lakatos, Krisztina Rita Molnár, Edit Pengő, Orsolya Ruff, Edit Szűcs, Andrea Tompa, Judit B. Tóth). © Illustraties: Lilla Bölecz. Geselecteerd en uitgegeven door Boldizsár M. Nagy.

De Nederlandse vertaling verscheen in oktober 2021 (vertaald door Mari Alföldy, Matan Publishers; 196 blz.).

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3249   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur