Onder Lula blijven landlozen strijden voor grond en onderwijs

Na drie maanden in Brazilië ben ik nog niet echt in contact gekomen met extreme armoede, behalve dan de enkele clochards en straatkinderen in grote steden als São Paulo en Rio de Janeiro. Maar de stadsbesturen slagen er de laatste jaren steeds beter in om die daklozen weg te moffelen uit het straatbeeld om de toeristen niet al te veel te storen in hun rustige visite van de stad. Wat ze niet kunnen verstoppen, zijn de favela’s, de sloppenwijken die fel uitsteken tegenover de luxueuze villawijken enkele honderden meters verderop.
Als je toekomt in de internationale luchthaven van Rio, moet je eerst doorheen sloppenwijken die kilometers lang de hele voorstad inpalmen en als grote gapende wonden de bezoekers verwelkomen in a cidade maravilhosa. Maar sloppenwijken, daar ga je als gringo niet in rondneuzen en je wordt dus ook niet direct bloot gesteld aan die overlevingsvorm.
Het eerste contact met extreme armoede komt in Maceió, hoofdstad van Alagoas in het arme Noordoosten. Maceió heeft de mooiste standsstranden van het land, omzoomd door talrijke kokosbomen en een fietspad van zes kilometer. Bij laagtij kun je talrijke kleurrijke visjes bewonderen al snorkelend in het warme, heldere turquoise water van de natuurlijke zwembaden in de koraalriffen. Neem echter een straat landinwaarts en na enkele huizenblokken kom je in een heel wat minder idyllische omgeving terecht. De era der flatgebouwen is hier (gelukkig?) nog niet aangebroken. Betonnen stoepen vol barsten, huisvuil en waterplassen scheiden de kleine huisjes van de straten. De auto is hier koning, nog meer dan in België. Voetgangers hebben geen rechten, oversteken is op eigen risico. Dat is een algemene regel in zowat heel Latijns Amerika.
Ik loop richting stadscentrum, de goot is een openluchtriolering. De stank komt steeds weer op, straat na straat, beklemtoond door de bedwelmende hitte, een goede 35 graden. Eens is het een riolering die langs de straat loopt, dan is het een braakliggend stuk grond dat dienst doet als stort, even later is het een riviertje dat dwars door de stad loopt. Zou de Zenne vóór haal overwelving zo gestonken hebben?
Ik stijg tot het centrale plein, daar waar de provinciale regering zetelt. Tegenover de kerk bedekt met prachtige wit/marineblauwe azulejo’s strekken zich tientallen tenten uit. Neen, dit zijn geen mooie kakigroene scoutstenten, dit zijn grote zwarte plastieken dekzeilen die niet maar dan wat schaduw bezorgen. Het moet er niet lekker vertoeven zijn met de knallende zon die daar de hele dag op neerslaat. In die “tenten” liggen honderden mensen netjes naast elkaar opeen gedrukt, er is geen doorkomen aan, met zoveel zijn ze. Gelukkig is er in Maceió geen toerisme, want de schok van deze beelden moet enorm zijn voor de gemiddelde toerist die hier per toeval voorbij loopt.
Wat doen die mensen hier? Met enige voorkennis van zaken weet ik dat dit landlozen zijn uit de Sertão, het droge en straatarme binnenland van het Noordoosten. Maar toch, ze wonen hier toch niet, in deze erbarmelijke, middeleeuwse omstandigheden?! Dit lijkt wel een vluchtelingenkamp in een door oorlog verscheurd Afrikaans land. Maar dit is Brazilië, heus niet zo’n arm land als vele Europeanen denken. Deze miserie vraagt om meer uitleg. Ik maak een poging om dwars doorheen het tentenkamp naar de overkant van het plein te gaan, maar de stank van de openbare stoelgang net vóór de tenten is me teveel. Hoe kunnen deze mensen zo’n stank dag en nacht verdragen? Ik neem de langere weg, rondom het tentenkamp.
Hier zijn de rode vlaggen van de Movimento de Libertação dos Sem Terra (MLST, beweging ter bevrijding van landlozen) alom aanwezig. En gelukkig wonen die mensen hier niet, het is een protest aangaande de Internationale Vrouwendag en kadert in de hun strijd voor onderwijs voor iedereen, legt Jacobinho me uit, een klein mannetje dat trots zijn MLST T-shirt draagt en als een ware vakbondsman de eisen van zijn beweging predikt.
De onderwijzers zijn dezer dagen in staking voor een hoger loon, duizenden landlozen zijn uit het binnenland afgezakt om de onderwijzers bij te staan en om hun verzoek om grond nogmaals te formuleren aan de regionale regering. Mannen, vrouwen en kinderen uit de Sertão liggen hier al drie dagen in erbarmelijke omstandigheden. Oude, kapotte kleren, desolate gelaatsuitdrukking. Ze slapen zij aan zij op kleine kampeermatrasjes, of op karton in het slechtste geval. Ze blijven nog twee dagen, tot vrijdag. Enkele vrouwen achter een gasvuur voorzien eten voor iedereen – bonen en rijst – die ze in ijzeren bekers verorberen.
De onverschilligheid tegenover de voorbijgangers in maatpak die naar hun werk gaan is frappant. Dit is wat me het meeste stoort aan Brazilië, de buitensporige sociale ongelijkheid. Extreme armoede leeft in perfecte harmonie met excessieve rijkdom. In Rio de Janeiro liggen de favela’s op de bergflanken boven de rijke buurten. Duizenden vrouwen zakken dagelijks naar beneden om te gaan werken als empregada (huis/kuisvrouw) in een poepsjiek appartement van Copacabana, Ipanema of Barra da Tijuca. In de badplaatsen wonen de armen in minisloppenwijken naast de condominios fechados – gesloten en streng bewaakte villawijken – om de rijke meesters van hun arbeid te voorzien.
Op strand liggen de rijke vrouwen te lebberen aan een caipirinha, gekocht van een straatventer die zich de hele dag bloot stelt aan de genadeloze zon. Geen wonder dat zoveel armen huidkanker hebben. Maar zo werkt Brazilië, armen sloven zich uit om toch maar iets van ’s lands rijkdom mee te pikken. Dagelijks de rijke dienen voor een hongerloon om toch maar eten op het bord te hebben op het einde van de dag. Het verwondert me dat alles zo rustig blijft, dat niet meer mensen in opstand komen.
Benjamin Tollet, freelance journalist

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3205   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift