Kadogo's in Kinshasa

Ik word voorgesteld aan een kleine, tengere jongeman in een wit hemd. Gisteren zag ik dezelfde man een beetje ingetogen zijn verhaal doen voor de camera. Het was het nieuws van acht uur. Onze disgenoten, de zusters van het Onbevlekte Hart van Maria, waren druk bezig te rodelen over andere zusters, priesters en paters, waardoor ik niet goed kon volgen wat de man op het nieuws te vertellen had. Ik kon de woorden “enfants soldats” en “association” opvangen.
Sem Lumo Neluba is een ex-kindsoldaat, hier ook wel “kadogo” genoemd, of beter: “een kind dat aansluiting had bij een gewapende groep”. Nu onderzoekers beter geïnformeerd zijn over de rol van kinderen in gewapende groepen en weten dat ze niet altijd echt moesten meevechten, maar vaak ook draag- of boodschappenjongens waren of seksuele diensten moesten verschaffen, definiëren ze de groep anders. In 1996 was hij twaalf jaar. Op een zeker dag werden hij en enkele schoolkameraadjes op weg naar huis tegengehouden door rebellen. Van de ene moment op de andere waren ze “kinderen die aansluiting hadden bij een gewapende groep”.
Hoe gaat dat eigenlijk precies in zijn werk, vraag ik bij een volgende ontmoeting. Wat zeggen zo’n gewapende mannen dan tegen deze jongens, welke argumenten brengen ze aan om hen ervan te overtuigen mee te komen? Ze geven complimentjes: “Jij bent jong en sterk, jij zou ons goed kunnen helpen.” Ze stellen bijvoorbeeld voor om hun wapens en bagage te dragen tot aan het volgende dorp, voor een flinke vergoeding uiteraard. Als jong gastje zeg je daar niet meteen neen tegen. Pas wanneer je in het volgende dorp aankomt, besef je dat ze je niet meer zullen laten terugkeren en dat je gedwongen wordt mee verder te trekken.
Ze werden naar een opleidingskamp gebracht in Zuid-Kivu, waar ze zich onder het goedkeurende oog van Rwandese en Burundese instructeurs bekwaamden in allerlei gevechtstechnieken. Volgens mij heeft Sem dit verhaal al vaker moeten vertellen. Wanneer ik me over mijn schrift buig om alles nauwkeurig te noteren, staart hij naar het televisietoestel in de hoek: voetbal. Heb ik gedaan met schrijven, neemt hij de draad feilloos weer op. Vanuit Zuid-Kivu trokken ze met papa Kabila naar het westen, al plunderend. Op 17 mei 1997 marcheerden ze de hoofdstad binnen en “bevrijdden” ze Kinshasa in één ruk door.
Bij onze tweede ontmoeting staat hij wat langer stil bij deze tocht. Ik ben zelf geveld door een zonneslag en luister in schaamte en in het volle besef van mijn ongelofelijke zwakheid naar zijn relaas. Ze liepen dagen na elkaar door de brousse, zoals wij nu door het hoge gras lopen, maar dan met al hun munitie en bagage op hun hoofd. Meestal liepen ze twee of drie dagen en nachten door, om daarna één of twee etmalen uit te rusten. Als een groep een plaatsje veroverd had, bleven ze daar meestal enkele dagen, de tijd die nodig was om te plunderen en om op krachten te komen met het in beslag genomen voedsel. Eind januari, begin februari vertrokken ze in de buurt van Bukavu, om in mei in Kinshasa aan te komen.
In 1999 begonnen allerlei mensenrechtenorganisaties en organisaties van de VN de aanwezigheid van kinderen in het leger en de rebellenbewegingen aan te klagen. Sem kwam, samen met enkele vrienden, op het idee om aan hun superieuren toestemming te vragen om terug naar school te gaan. “Zelf-demobilisatie” heet dat.
Twee jaar later waren ook UNICEF en BUNADER (Bureau National pour la démobilisation et la réinsertion) er klaar voor. De pilootfase voor het demobilisatie- en re-integratieproject ging van start. Vanuit de militaire kampen werden alle kinderen en de volwassenen die zich vrijwillig hadden opgegeven om gedemobiliseerd te worden, naar een CTO (Centre de Transformation et d’ Orientation) gebracht. Aangezien dit centrum in Kinshasa niet echt voorzien was op de massa geüniformeerden die zich aandiende, werden de volwassenen eerst buitengebonjourd. Ze bleven over met 207 kindsoldaten, een explosieve mengeling. Zeker wanneer het verblijf in het CTO, dat voorzien was om drie maanden te duren, uiteindelijk negen maanden duurt. Zeker wanneer er van de beroepsopleiding die voor de jongeren werd voorzien, niets in huis komt en ze dus ganse dagen in het centrum moeten doorbrengen, al slapend, etend en ruzie makend.
Tijdens het verblijf in het CTO zou een team van het internationale Rode Kruis over het hele land de families van de kinderen opsporen en hen voorbereiden op een terugkomst van hun verloren zoon/ dochter. Voor enkele van hen lukte dit. Zij werden teruggebracht naar hun familie, maar hadden geen opleiding gekregen, geen steun, niks. Velen bleven hangen in het CTO omdat er geen spoor werd gevonden van enige verwanten, of omdat ze uit het oosten kwamen, waar de conflicten bleven voortduren. UNICEF en BUNADER beslisten dat er voor deze jongeren nu toch een professionele opleiding moest komen, om hen voor te bereiden op “het echte leven”.
De jongeren werden massaal opgeleid tot mecanicien. Handig, zeker wanneer ze je daarna terugsturen naar je dorp in de brousse waar alleen de pastoor een auto heeft. Anderen leerden het vak van kleermaker. In de meeste dorpen kopen de mensen echter allemaal pret-à-porter, omdat ze geen geld hebben om speciaal iets te laten naaien. Bij het beëindigen van de opleiding moesten de jongeren normaal een “kit” krijgen met wat eten, kleren en werktuigen. Dit gebeurde niet, en in de plaats daarvan kregen ze allemaal 300 dollar cash in hun handen gestopt. De medewerkers deden hun uiterste best om de jongeren diets te maken dat ze dit verstandig moesten besteden, maar bij de meeste ging dit er uiteraard langs één oor in en langs het andere weer uit. Een jonge gast met 300 dollar op zak, die wil voor één keer wel eens profiteren.
De pilootfase werd afgesloten, het nieuwe bureau CONADER (Commission Nationale pour la Démobilisation et la Réinsertion) zou leren uit de gemaakte fouten. Intussen stonden jongens zoals Sem op straat.
Christophe komt erbij zitten. Hij heeft een gelijkaardig verhaal en heeft samen met Sem en enkele anderen een vereniging opgericht. Ze stellen zich tot doel de rechten van de gedemobiliseerde jongeren te verdedigen en hun re-integratie te bevorderen. Bij het uittekenen van het programma voor hun re-integratie zijn de jongeren zelf nooit bevraagd. Wat willen deze jongeren eigenlijk? Met welke opleiding hebben ze reële kansen op de arbeidsmarkt?
Sem en Christophe zijn van mening dat ze een toekomst hebben in landbouw en veeteelt.
Ze hebben echter geen geld om een woning, laat staan een veld, koeien of geiten te kopen. Daarom beslissen ze met twintig jongeren om eerst een tijdje als dagloner te gaan werken en zo wat geld bij elkaar te sparen om later hun eigen stukje grond te kunnen kopen. Veel blijft er niet over wanneer je één dollar per dag verdient en je huur en eten moet betalen, maar na een goed jaar hebben ze toch wat bij elkaar kunnen leggen. Ze kopen twee hectaren grond in Kimuenza, een gemeente aan de rand van Kinshasa. Daar telen ze onder andere maïs. Op dit moment is het oogsttijd, het veld heeft goed opgebracht.
Op sociaal vlak voelen ze zich echter nog steeds niet geaccepteerd. Het stigma van “kindsoldaat” kleeft nog altijd aan hen, de mensen denken dat ze onbetrouwbaar en agressief zijn. Nochtans, Sem en Christophe hebben onlangs een elf maanden durende opleiding gevolgd tot “éducateur social”. Ze zien er onberispelijk uit en spreken als iemand die veel gestudeerd heeft. Christophe werd toen hij klein was “de pastoor” genoemd. Hij bereidde zich voor op een leven gewijd aan God, maar God besliste daar anders over: hij ging de oorlog in. “Het enige wat wij willen,” zegt hij, “is aan de mensen laten zien dat wij iets waard zijn.” Met al hun ervaring en hun vorming als opvoeder, hebben ze zich al bij CONADER aangediend. CONADER stelt over het gehele land mensen te werk die de bevolking moeten sensibiliseren rond demobilisatie en re-integratie. Ze werden echter afgewezen.
Ik suggereer hen dat zo’n uitzending op televisie dan toch deugd doet. Het brengt positieve aandacht met zich mee voor hun vereniging en voor gedemobiliseerde ex-strijders in het algemeen. Een sceptisch lachje: ja, maar om die aandacht hebben we wel heel hard moeten roepen. We zijn zelf naar de televisie gestapt en hebben hen gevraagd om alstublieft eens iets uit te zenden over onze activiteiten. We hebben voor die paar minuutjes aandacht trouwens flink mogen betalen. Ik neem me voor hun velden binnenkort eens zelf te gaan bezoeken.
Ze hebben een paar lapjes grond gekocht langs een beek, waar ze geëxperimenteerd hebben met rijst en pinda’s, wat goed blijkt op te brengen. Hogerop ligt nog een veldje waar maïs wordt geteeld. Daar zijn op dit moment vier jongens bezig met de oogst. Eén van hen heeft net zijn middelbaar afgemaakt in de richting wiskunde- wetenschappen, een andere zit in zijn vijfde jaar handel. De vereniging stelt als prioriteit dat alle leden eerst de mogelijkheid krijgen om hun studies af te maken.
Een deel van de winst gaat dus naar het schoolgeld voor de jongens die nog studeren. Deze komen in het weekend of na de schooluren een handje toesteken. De rest van de winst wordt gebruikt voor hun dagelijks levensonderhoud. Wat er dan nog overblijft, kan geïnvesteerd worden in nieuwe zaden. Ze wonen niet heel ver, in Kimuenza zelf en hebben een rotatiesysteem aangenomen voor het werk op het land. Ik kan niet anders dan bewondering hebben voor wat ze hier doen. Ze hebben op geen enkel nationaal programma gewacht om zelf iets op te starten, maar nu zouden ze toch graag een duwtje in de rug krijgen. Nog geen schouderklopje… niemand interesseert zich voor hun project. Ze hebben bij CONADER aangeklopt, bij FAO voor zaden, maar geen reactie.
De jongens poseren bij de geoogste maïskolven die op de grond op een hoop liggen. Ik krijg een paar maïskolven in mijn handen geduwd, alsof ik hoogstpersoonlijk heb bijgedragen aan een geslaagde oogst. Wanneer ik vanuit mijn gehurkte fotopositie rechtkom, wordt alles wazig voor mijn ogen. Ik zou nog niet kúnnen bijdragen aan hun oogst, want hier lig ik al op de grond, geveld door een zonneslag. De zwakheid van het blanke ras wordt hier weer eens op magistrale manier geïllustreerd!
Ik word gereanimeerd met bananen en mangoustans die één van de gasten snel beneden in het dorp is gaan kopen. Het was een kort maar krachtig bezoek, zou ik zeggen. Ik schaam me dat ik zo tussen hun maïskolven ben ingestort en denk om één of andere reden dat dit getuigt van weinig respect voor hun werk. Maar waarschijnlijk is dit net wel het geval… en ze zijn blijkbaar verheugd want “jij bent de enige die ooit de moeite heeft gedaan om ons project te komen bezoeken”. Ze hebben in elk geval iets om op tijd en stond nog eens goed mee te lachen. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift