Het is ochtend in het Avondland

De koning van de rock-'n-roll

© Kris Janssens

Eén grote stap, over een hoop steenpuin en afgebrokkelde muren en ik sta midden in een stukje vergeten verleden van kunststad Battambang. Dit was ooit een populaire bioscoop.

Als je héél goed zoekt, vind je in Cambodja overblijfselen van het gouden rock-‘n-roll tijdperk, toen het land “de parel van Zuidoost-Azië” was, schrijft Kris Janssens in zijn blog. In kunststad Battambang, in het noordwesten, bestaat nog zo’n stille getuige uit de jaren 60.

Als ik het woonerf opstap, beginnen er twee honden vervaarlijk te grommen. Naast een verlaten winkeltje, met een paar drankjes en pakjes sigaretten, staat het huis. Nu ja, het is meer een muur met een deur in. Ramen zie ik niet meteen. En aanbellen kan ook niet. Dan maar ouderwets kloppen en hopen dat het geluid boven het aanhoudend geblaf uitkomt. Een jongeman doet open. Hij heeft een handdoek rond zijn middel geknoopt, alsof ik hem gestoord heb in zijn badritueel.

Ik had verwacht dat ik mijn vreemde verzoek zou moeten motiveren. Zou moeten uitleggen waarom ik per se door zijn huis wil lopen. Maar hij begrijpt mij onmiddellijk en laat me zonder discussie binnen. Ik voel mij net een personage uit een surrealistisch filmscenario van Harold Pinter.

De jongen komt zelfs niet achter mij aan. Hij weet waarom ik hier ben. Hij heeft nog bezoekers gehad, met dezelfde bizarre vraag. Altijd Barang, want Cambodjanen begrijpen niet wat er zo bijzonder is aan die oude brol achter het huis.

Op kousenvoeten volg ik de smalle, donkere gang die uitkomt op een kleine wasplaats. Voorbij de waterton sta ik opnieuw buiten. Een betegeld tuinpaadje loopt langs drie deuren met verroeste hengsels. Met een zucht geven ze mij toegang tot de schat die erachter verborgen ligt.

Het was het gouden tijdperk van Cambodja, toen nog “de parel van Zuidoost-Azië”. Een land in volle ontwikkeling dat een eigen identiteit wilde opbouwen, na het vertrek van de Fransen in 1953.

Eén grote stap, over een hoop steenpuin en afgebrokkelde muren en ik sta midden in een stukje vergeten verleden van kunststad Battambang. Dit was ooit een populaire bioscoop. Het doek staat er nog, op een ingezakt houten podium. De genummerde klapstoeltjes ook, al zijn sommige in mootjes gehakt, klaar voor het haardvuur. Het ziet er allemaal nog vermolmder uit dan tijdens mijn vorige bezoek.

Het regent hier binnen en dat vreet letterlijk aan een gebouw. Niet dat het dak lekt. Er is gewoon geen dak meer. Geen idee hoe dat zomaar kan verdwijnen. Boven mij zie ik de blauwe lucht, hier en daar onhandig afgedekt door een paar golfplaten. Alsof die de tropische plensbuien kunnen tegenhouden. De plafondversiering hangt er wel nog. Een frivool patroon van ruitvormige tegels in verbleekt groen en rood. Op sommige plaatsen hangen ze levenloos naar beneden, als om de droefenis van deze plek te accentueren.

Ik hou van verval en teloorgang, van plaatsen met een ziel en een verhaal uit lang vervlogen tijden, al is het maar omdat je als mens nooit mag vergeten hoe vergankelijk je wel bent. Maar wat ik hier zie, is alleen maar jammer.

Cambodja had een rijke filmcultuur in de jaren zestig. De toenmalige koning-cineast, Norodom Sihanouk, kon de beste acteurs én muzikanten rond zich verzamelen. Hij gebruikte het witte doek om te pronken met de rijke cultuur van zijn land. Geen erg originele beeldtaal of spannende scenario’s. Wel de traditionele Apsara, een eeuwenoude dans met sierlijke handbewegingen.

Het was het gouden tijdperk van Cambodja, toen nog “de parel van Zuidoost-Azië”. Een land in volle ontwikkeling dat een eigen identiteit wilde opbouwen, na het vertrek van de Fransen in 1953. Er was niet alleen film en dans, maar ook rock-‘n-roll. Klassiekers uit het genre werden vermengd met lokale folkmuziek en kregen een eigen Cambodjaanse versie.

In de jaren 70 zou de Rode Khmer al dat fraais teniet doen. Het schrikbewind van leider Pol Pot wantrouwde alles wat uit het buitenland kwam en vond kunstenaars verdacht.

Ze werden vermoord of verdwenen op mysterieuze wijze van het toneel. Dat culturele weefsel heeft zich wel hersteld, maar niet meer tot het niveau van toen.

Je zou hopen dat deze vergane filmzaal nog gered kon worden. Ik beeld mij in dat hier morgen opnieuw een 300-tal enthousiaste toeschouwers binnenstappen. Niet allemaal via het huis van die jongen met zijn badhanddoek natuurlijk, maar langs de statige voorkant van het gebouw, die nu dichtgetimmerd is.

Maar het is te laat. De muren zijn rot en worden bewoond door kakkerlakken of ratten. Aan de drollen te zien, wordt de parterre in elk geval regelmatig door honden bezocht. Het balkon, waar je ooit de duurste kaartjes voor moest betalen, ziet er vandaag zo krakkemikkig uit dat ik er niet eens op durf.

De eigenaar wacht tot de laatste plank vanzelf op de grond valt, zodat hij met de pletwals over het culturele verleden van zijn land kan rijden om er luxeappartementen op te bouwen. Projectontwikkelaars en bouwpromotoren zijn nu éénmaal altijd een tikje sneller dan artiesten. En het geluid van geld klinkt luider dan de klank van muziek.

Er is wel een besef dat erfgoed waardevol is, maar vooral als het gaat over klassieke tempels uit de tiende eeuw of Apsara danseressen die er op de muren staan afgebeeld.

Dit land is nà de Rode Khmer opnieuw opgebouwd vanuit vluchtelingenkampen, waar je altijd met een half oog de omgeving in de gaten bleef houden. En dat heeft creativiteit afgeremd. Jongeren maken nu muziek met afgedankte computers en een plastieken rammelbeat. Maar als je snel bent, vind je nog een paar overblijfselen van onvervalste rock-‘n-roll.

Deze blog werd eerder gepubliceerd op www.kris-janssens.com

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift