Europese zetel 17: De woestijn van Viktator

Wie zijn land verlaat, wisselt zijn ziel in, zegt men in Hongarije. Met de recente herverkiezing van premier Viktor Orban en de extreemrechtse partij Jobbik in het Europese Parlement heeft Hongarije opnieuw massaal voor die ziel gekozen. Maar wat als uitgerekend je land in je eigen ziel knijpt? Zo moeten de half miljoen Hongaren die in de laatste drie jaar elders gingen wonen, gedacht hebben. Jusztina Szécsi (25) uit Boedapest bleef en vond veel, maar niet dat ene. Een essay over mijn zoektocht naar haar ziel in een land waar alles in de soep kan draaien. ‘Based on true events’.

‘Het is ochtend. De vogels fluiten. Tijd om op te staan, Jusztina, tijd om je huid aan een kapstok te hangen, in je kleren te rollen en eindelijk eens naar de job van je leven te jagen. Tijd om productief te zijn en eieren te leggen in de mand van de nationale essentie, te zoeken naar wat je nooit zal vinden.’ Zo begon elke dag voor Jusztina, een kind van de Magyaarse natie. Onder het voorzitterschap van de EU zou haar toekomst als nooit te voren schijnen, een licht zo helder en zilverachtig als de vacht van de Hongaarse Kuvasz hond in het schijnsel van de maan.

© Tess Vonck

 

Haar hele leven had ze in Sziget gewoond, het provinciestadje, niet het gelijknamige zomerfestival in Boedapest, ver buiten de majestueuze paleizen, tussen de kromme omaatjes op hun dorpels met hun zelf gebrouwde flessen Palinka. Op een nacht toen de regen op het keukenraam tikte, sloop een geest uit de pixels op haar scherm haar jonge leven binnen. Het was de stem van regisseur Wes Anderson. De familiegeschiedenis van het hoofdpersonage in de film was net als de hare gebroken, maar niet zo abstract dat het niet meer van betekenis kon zijn. Haar vader was plots overleden. ‘Hartaderbreuk zeiden de dokters, maar het leek alsof hij gewacht had om het licht uit te doen tot de muren van het huis sterk genoeg waren en ik zelfstandig genoeg om mama er in alleen te laten’, zei ze.

© Tess Vonck

 

Zoals na ieder overlijden leek het alsof de tijd bleef stilstaan, het leven ging schuilen in de kitsch van details, het ritueel van het onvermijdelijke. ‘Anderson heeft als geen ander kitsch tot kunst verheven. Ik wist dat ik nooit meer dezelfde zou zijn. Hij wist meer over vaders en dochters, schuld en onschuld, eenvoud en ingewikkeldheid dan de maatschappij me zelf kon vertellen.’ Kunst en film keerden haar binnenste buiten. Ze werd verliefd maar besloot in Sziget te blijven, studeerde kunstgeschiedenis en leerde alles over de wondere wereld van het beeldverhaal, van Felinni tot de Franse Nouvelle Vague, Hollywood over Béla Tarr en weer terug. Elke film bracht meer zuurstof, elke nieuwe kunstenaar een tweede adem. Toen die in Sziget geen ruimte meer vond, ging ze in Boedapest op zoek naar een nieuwe lading.

Twee jaar geleden studeerde ze af, werkte als stagiaire bij een filmmagazine. Maand na maand werden haar pen scherper, haar lezers rijker, haar baas genereuzer met complimenten, maar haar rekening bleef leeg en de maan scheen nooit.  Ze liep door de deur, blij de drukte van het appartement in het centrum dat ze met een chaotisch koppel deelde te verlaten. Het scharnier weende een beetje telkens ze de voordeur dicht liet vallen. Ze ontbeet dus zo elke ochtend en liet zich vaak met een boek onder haar arm leiden, struikelde af en toe over haar ziel maar raapte die telkens trots weer op en plakte hem terug met slappe tape tussen haar ribben.

© Tess Vonck

Holocaust monument langs de Donau oever

Gij die mij niet ziet

Ik ontmoette Jusztina voor het eerst in het treinstation. De treinen in Oost-Europa lijken op hun baasje. Efficiënt, maar minder geplaagd door de gejaagdheid van commerciële slavernij. De tijd wordt af en toe stil gelegd zodat je zelf de tijd kan nemen om de essentie van het moment te vangen. Zo was het ook die dag. De locomotief duwde mijn wagon langzaam dichter in haar gezichtsveld. Je zou denken dat je na achttien nieuwe gezichten geen angst meer kent, maar ik priemde ook dit keer mijn ogen dicht. De adrenaline verhoogde. Telkens ik het licht opnieuw binnenliet, stonden we nog altijd even ver van elkaar maar precies toch een beetje dichter bij.  Wanneer zou de luchtbel tussen ons uit elkaar spatten? Ik duwde mijn kant van de bel steeds dichter tussen mijn voorhoofd en het raam tot de huid gevoelloos werd. De ellipsvormig geworden uiteindes hield ik gevangen tussen mijn handen, zodat de tijd het mysterie nog even kon bevriezen.  

© Tess Vonck

 

Ik heb hoge verwachtingen van Boedapest. Een goede vriend schrijft al geruime tijd aan een roman die zich hier afspeelt. Een andere vriendin stuurde onlangs een liefdesverklaring aan de stad het sociale net in. Haar beschrijving van de Hongaarse jongeren in de hoofdstad, maakte me ook een beetje verliefd. ‘Het lijkt alsof tijdens een bepaalde periode alle leegstaande gebouwen werden opgeëist door kunstzinnige jongeren die hun volledig hebben laten gaan. Er hangt zo ergens een gelatenheid van “wij zijn gewoon maar Hongaren, wij hebben geen geld”, die de avond regelmatig al dansend op gipsymuziek doet eindigen’, schreef ze. Ik was verliefd op hun gelatenheid. Ik wilde hun gelatenheid voelen, me zelf voor heel even laten gaan. Het was tenslotte bijna mijn verjaardag.

Misschien was het geen goed idee om haar dat te vertellen. Het regende oude wijven. We zouden de stad verkennen, want ze had twee dagen vakantie genomen om mij te verwelkomen. ‘Het heeft een hele week niet geregend’, zei ze. ‘Het heeft hier al zo lang geen druppel meer geregend en nu, uitgerekend vandaag, regent het! Als het lang niet heeft geregend, ruikt de regen altijd vreemd.’ Het hart van een mens is als een waterput. Niemand weet wat er op de bodem ligt. Je kan je enkel inbeelden hoe diep het is aan de hand van wat er af en toe aan de oppervlakte komt drijven.

© Tess Vonck

 

We stonden samen onder haar regenscherm. De plas aan onze voeten klom langzaam langs de vezels van onze broekspijpen omhoog. Mijn benen leken langer. Een man op zijn fiets foeterde naar het geblindeerde raam van een auto die tsunami’s maakte in de plassen. Hij is gelaten. In Juzstyina’s ogen las ik ook gelatenheid. Eerder een gelatenheid van laten gaan, leef en laat leven, dan de gelatenheid die ik in mijn kalverliefde voor het onbekende mysterie hoopte te vinden.

‘Je zou verwachten dat ze respect hebben maar er verdwijnt enkel wat nodig is, in de plaats krijgen we wat we niet willen.’

We hadden het koud en gingen koffie drinken. Koffie is altijd een goed idee. In het koffiedik kan je soms jezelf zien. Maar eerst moesten we nog langs het Hongaarse parlement, een prachtig parelmoeren spookhuis dat van ver lijkt op de Taj Mahal ontworpen door een schizofrene Walt Disney. Ik ben onder de indruk van het architecturaal vernuft. De regenwolken trekken op en met hen die bizarre gelatenheid op Jusztyna’s gezicht. ‘Ze zitten daar in zo’n mooi paleis. Je zou toch verwachten dat je dan het respect hebt om je best te doen voor zij die je ticket voor de voorstelling gekocht hebben? Maar neen. Er verdwijnt alleen maar wat nodig is en in de plaats krijgen we wat we niet willen.’ De blauwe rook van mijn sigaret drapeert zich in kringetjes rond haar gezicht.

‘Het belastinggeld wordt verspild aan uiterlijk vertoon, de straten krijgen nieuwe namen, om de haverklap wordt een monument afgebroken om een ander in de plaats te zetten. Ik begrijp nationalisme niet. Je wist het verleden niet door dingen een andere naam te geven en monumenten te vervangen. De overheid probeert het verleden te amputeren, maar daardoor beleven we het elke dag opnieuw. Het is allemaal een camouflagegordijn.’

© Joksie Biesemans

 

‘Na de revolutie hadden de Hongaren het gehad met de Sovjetstandbeelden, die ze dan ook dachten te dumpen op een braakliggend terrein van zo’n vierkante kilometer een uur buiten het centrum, waar intussen prikkeldraad rondstaat. De plek wordt bewaakt door een dame die Sovjetmuziek door een retro radio laat schallen – maar die wijselijk enkel aanzet als ze bezoekers ziet aankomen – en Sovjetpaspoorts verkoopt als notitieboekjes’, schreef mijn vriendin in haar liefdesbrief. ‘Herinneringen maken je warm vanbinnen, maar kunnen je ook helemaal uitwringen’, mijmert Jusztina. Ik heb me intussen aan haar andere kant opgesteld, maar de rook vindt zijn weg naar haar gezonde longen. Nicotinewolken en herinneringen lijken op elkaar. Net als een hond volgen ze de windrichting niet, maar gaan staan en liggen waar ze willen.

Adem van de wind

Sinds vier jaar geleden premier Victor Orban de plak zwaait , is het duidelijk in welke richting de wind in Hongarije blaast. ‘Alles moet een nationaal karakter hebben: het denken, het theater, de kunst, - zelfs ademen’, schreef een Hongaarse cultuurjournaliste naar aanleiding van Orbans grondwetswijziging. Het alternatief is mogelijks nog verontrustender. Twintig procent van de Hongaren stemde op een extreem rechtse beweging, gekend onder de naam Jobbik. Ze stegen met 4 procent sinds vier jaar geleden, wat hen de meest succesvolle radicaal rechtse partij binnen de EU maakt. Op nationaal vlak blijft Orban de plak zwaaien, ondanks bakken kritiek van de internationale gemeenschap op zijn grondwetswijziging die meer macht aan de regering, minder persvrijheid en minder spontaniteit deel maakten van het Hongarije van vandaag.

© Tess Vonck

 

Achter het zwaaiende liniaaltje van de ordehandhaver, door media soms spottend de ‘Viktatuur’ genoemd, schuilt een culturele woestijn. Tijdens de gouden jaren in het pré-Viktatoriaanse tijdperk na de val van het communisme was Boedapest een paradijs voor out-of-the-box denkers.  De laatste jaren moesten tientallen theaterhuizen sluiten, alternatieve cinema’s zien geen uitweg meer uit het doolhof aan regels en spontane initiatieven die buiten de geijkte paden willen treden, krijgen geen kansen meer.

Alles wordt bestraft en beboet, de staatskas wordt gevuld; intussen zijn er meer parkeerwachten dan auto’s. De Roma minderheid, homo’s en andere kleurrijke passanten mogen in het openbaar als dieren worden gebrandmerkt en journalisten, kunstenaars en intellectuelen die niet van nature in de chauvinistische mars lopen, moeten zich in bochten wringen om hun eigen ziel niet te verloochenen in de nationale obsessie voor de Hongaarse ziel.

© Tess Vonck

 

De internationale gemeenschap zag de wind ook waaien, maar blies niet terug. Ook Europa blafte, maar beet niet. Door het zwijgen worden de machthebbers en de onderdrukkers alleen maar verder geholpen, en de onderdrukten niet. Het is voor Jusztyna, haar vrienden en met haar veel andere jongeren in Boedapest een groot probleem. Ze losten het op door in bed te gaan liggen, het licht uit te knippen, of te focussen op datgene waar ze wel vat op hadden: de zoektocht naar zichzelf en hun plaats in deze wankele samenleving. De samenleving geeft hen er langs alle kanten van langs, maar ze liggen niet K.O. aan de zijlijn toe te kijken. Ze boksen niet terug, maar ik zag zelden zo’n weerbarstige mondhoeken naar boven krullen.

In de rij voor soep

Jusztina is gelukkig. Twee jaar geleden eindigde haar zoektocht naar werk bij een jong bedrijfje voor en door jongeren. Op hun drieëntwintigste wisten haar bazen Zoltan en Adam de regeldiarree te omzeilen om een startup uit de grond te stampen. Uitgerekend op het moment dat alles in de soep draaide, de politiek, de economie, de nationale redelijkheid, openden ze een kleine soepbar in Pest. Sindsdien hebben ze ook nog een pastabar en een restaurant ‘La Publika’ waar werkelijk over elke steen en serviet is nagedacht. En allemaal zijn ze al even succesvol, al even gegeerd door jonge Hongaren die een toevlucht zoeken uit het pessimisme.

© Leves

 

Het is geen kunstgeschiedenis, maar hier wordt de hedendaagse geschiedenis van de Hongaarse ziel van onderuit herschreven, in een kitsch jasje van generatie Verloren tot kunst verheven. Jonge kunstenaars en fotografen kunnen hier werk uitstallen waar ze elders worden geweerd. Op even en oneven dagen wordt er druk gegeten, ook dat is een kunst, en in de soep geroerd. Jusztina voegt ingrediënten toe, observeert de toevallige passanten en tracht vanuit haar mensenkennis in te schatten welke ingrediënten het best hun ziel verrijken.

Als iemand vraagt, ‘hoe gaat het’, wordt meer dan eens geantwoord met ‘Vandaag heb ik geleefd’, met een luchtigheid die hier totaal onverwacht de hoornlaag van je huid doorzeeft met lachsalvo’s. Het lijkt onwerkelijk te denken dat iets banaal als een kom soep van betekenis kan zijn. Het lijkt al even onwerkelijk dat iemand in zijn ziel durft roeren als je voortdurend van bovenaf wordt verteld wie je moet zijn.

© Leves

 

Woestijnnomaden

‘Als je eenmaal in het leven hebt ervaren wat het is om een mening te kunnen hebben en die vrijelijk te mogen uiten, dan wil je dat niet meer afleren’, vertelt Jusztina me na een lange werkdag. De Meiboom op de binnenkoer van haar appartement staat al vroeg in bloei. De witte bloemen zijn verward, hun kopjes hangen al naar beneden, maar het is nog lang geen zomer. Een zoete geur verspreidt zich uit de monding waar hun steel de takken raakt. ‘Ik houd met niet zo met politiek bezig. En wat is Europa eigenlijk?’ Ze schaamt zich, zegt ze, dat ze zo weinig over de wereldproblematiek weet. ‘Ik heb het gevoel dat de discussie over deze thema’s verzinkt in een zee van gerecycleerde meningen. Ik wil wel een mening hebben, maar is die wel werkelijk de mijnen? De politiek en media maken die voor mij. Wat heeft het voor zin dan dat ik mijn energie daaraan verspil?’

© Leves

 

‘Dat is het gevaar met drijfzand’, zeg ik. ‘Je kan onmogelijk zien waar het begint. Iemand die de woestijn op zijn duim kent, moet je de weg wijzen. Als je alleen verdwaald bent, merk je pas dat je in drijfzand staat als je voeten naar de bodem zinken.’ De vreemde gelatenheid keerde terug op Jusztina’s gezicht, maar ik zag er dit keer iets anders in. Haar ziel leek op een bloem die door een onzichtbare hand abrupt van haar wortel was geamputeerd en in een vaas stond te pronken. Alleen had ze geen zin om te pronken, wist ze dat snijbloemen zonder wortel elk moment kunnen verwelken.

© Noel S. Oszvald

‘Zoektocht naar mijn ziel’ zelfportret van een jonge Hongaarse fotografe

Alles waar ze diep vanbinnen op gehoopt had, de obscure betekenis van haar van bovenaf opgelegde Magyaarse bestaan trilde. De meningen die zichzelf niet uitschreeuwen klinker soms nog het luidst, in hun stilte. Ergens kon ze het misschien niet onder woorden brengen maar het leek alsof ze wist dat haar ziel verdwaald liep in de woestijn, in de oneindige stilte van de natuur die geen rekening hield met de eisen van het door politiek geïnfecteerde mierennest van de stad.

© Tess Vonck

 

Onder de straten ligt haar rusteloze ziel als een geduldig wit dier te wachten, tot de redelijkheid terugkeert, tot ze haar tijdloos zand als een kap over de waanzin kan draperen. In die zin is haar gelatenheid, de gelatenheid van zoveel jonge Hongaren in deze stad, zoals mijn vriendin die bejubeld had, een teken van wijsheid en aanvaarding dat wat in hun land gebeurt niet meer is dan deel van de oneindige strijd van autoriteiten om de woestijn tegen te houden.  Hun laatste tranen blinken nog niet in het zout van witte meren, bedenk ik. Een zeldzame keer overkomt het een zandkorrel dat hij verstilt in het binnenste van een oester. Ze hebben alleen de diepte van de zee gemeen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2563   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Tess Vonck is nomade en freelance schrijfster. Na haar Master Sinologie en twee jaar in China en Taiwan, behaalde ze een master Journalistiek aan Lessius Hogeschool.