De hemel en de vrijheid

Vrijheid. Hoe minder ervan voorhanden is, hoe meer erover gesproken wordt. Dat blijkt ook tijdens de gesprekken in Teheran. Toch zegt Hussein dat het gebrek aan vrijheid niet het grootste probleem is. ‘Wat ons allemaal het meest bezighoudt deze dagen, is de economie. Dit land gaat naar de haaien als de rest van de wereld ons steeds meer isoleert.’ 

De klimmer die reikt naar de maan

Er wordt wel meer gezongen en geciteerd in Iran. De echte religieuze extremisten hebben het niet getroffen in Iran, een land waar poëzie, muziek, cinema, dans en visuele kunsten in alle lagen en uithoeken van de bevolking geapprecieerd worden.

Schoonheid in al haar vormen –religieus, maar ook erotisch of gewoon utilitair- staat heel hoog aangeschreven in Iran. De verplichting om alles wat echt vrouwelijk is te verbergen in verhullende kledij botst dan ook met de behoefte van Iraanse vrouwen –zeker in een grootstad als Teheran- om zich te tonen.

De controle op die kledingvoorschriften verloopt met getijden. Nu eens is het vloed, en dan mag er geen kous zichtbaar zijn en geen jongen in de nabijheid van een meisje. Dan is het weer eb, en niemand weet waarom de getijden er zijn of hoe lang ze duren. Vandaag is het in Teheran duidelijk eb. Er zijn natuurlijk vrouwen in de allesbedekkende chador, die alleen het gezicht vrij laat. Maar ik zie opvallend veel hoofddoekjes die gevaarlijk ver naar achter hangen, zodat er nauwelijks nog een knotje aan de ogen van de mannen onttrokken wordt.

Het alternatief voor de chador, een lange brede mantel die in het Farsi gewoon manteau heet, is ook al gekrompen tot ver boven de knieën. En de couturiers hebben de snit heel nauw naar de lenden toegesneden. Dat de gezichten van de meisjes onder het poeder, de lippenstift en de oogschaduw zitten, is niet mijn idee van schoonheid, maar het slaat duidelijk aan bij de andere helft van de bevolking, die ook steeds minder gehinderd wordt door decreten tegen het gebruik van haargel of het dragen van T-shirts met korte mouwen.

Een van de twintigers waarmee ik een voormiddag rond de Tochal, een berg van bijna 4000 meter, ten noorden van Teheran, ga wandelen, wordt zowaar lyrisch van al die voorbijwandelende schoonheid. ‘I never dared to reach for the moon’, zingt hij mee met Nana Mouskouri op zijn mobieltje. Ik voel dat de aandrang groot is. ‘I’d neven known I’d see heaven so soon.’

 

Hussein en de vrijheid van religie

Het is een komen en gaan van bussen aan het Tajrish plein. Tussen het busstation en de moskee van Imam zadeh Saleh voert een groepje oudere mannen het verhaal van de slag van Kerbala op. Imam Hussein, de derde Imam, kleinzoon van de profeet en geliefde zoon van Ali, werd daar in 680 gedood in een heroïsch gevecht met Ummayieden-troepen, de behoeders van wat later de soennitische traditie van de islam zou worden. Het schema van het straattheater is zelfs voor een analfabete kijker als ik makkelijk te volgen: Hussein en zijn medestanders zijn in groen uitgedost, de vileine Ummayieden in het rood –één strijder heeft een Arabische keffiye om, zodat de betekenis van het oude religieuze verhaal voor actuele tweestrijd tussen Iraniërs en Arabieren niemand kan ontgaan.

Enkele in chadors gehulde besjes die het toneeltje bijwonen, zijn zodanig ontroerd, dat ze in tranen uitbarsten. Het sji’isme is een heel emotionele religie, die ook mannen uitnodigt om luidruchtig te treuren en te wenen om het wrede lot dat Imam Hussein onderging.

De echte Hussein die ik later die dag spreek, heeft geen al te beste ervaringen met Europeanen. Maar bij een kopje thee wil hij graag even van gedachten wisselen over de relaties die zijn land met de rest van de wereld onderhoudt. Hij is een en al wetenschappelijke afstandelijkheid, al weet ik natuurlijk niet hoe hij zich in de heilige maand Moharram gedraagt, als de moord op Hussein herdacht wordt. Een van zijn vrienden werpt op dat de problemen van Iran veroorzaakt worden door de uit haar oevers getreden religie. De politieke mollahs zijn hét probleem, zegt hij uitdagend. Hussein is het daarmee niet eens.

‘Ik denk dat religie onmisbaar is voor een land, maar het zou wel een vrije keuze moeten zijn.’ En dat is in Iran niet het geval, dat beseft en betreurt hij. Het zou niet mogen dat mensen verplicht worden deel uit te maken van een godsdienst, het zou zeker niet mogen dat mannen en vrouwen allerlei uiterlijke geboden en verboden over zich heen krijgen uit naam van die verondersteld gemeenschappelijke religie. Want op die manier wordt de smaak en de overtuiging van een kleine groep machthebbers verheven tot goddelijke status, en dat is juist nadelig voor de religie zelf.

Toch wil Hussein niet zomaar een steen gooien in de richting van de basij [vrijwilligers van de revolutie, die hun status ontlenen aan hun inzet in de oorlog tegen Irak van 1980 tot 1988] en de revolutionaire wachten, die instaan voor de concrete afdwinging van de vervloekte verboden en geboden.

‘In oorsprong waren de basij een uitstekende zaak’, zegt hij. ‘Zonder hen hadden we nooit de oorlog tegen Irak kunnen winnen.’ Hussein vermeldt de tienduizenden gesneuvelde jongens niet die met een sleuteltje in de hand het slagveld opliepen om het met hun leven te ontmijnen. Ze geloofden vast dat ze de poorten van het paradijs zouden kunnen openen als ze sneuvelden onder Iraaks geschut of op Iraakse mijnen.

Uiteindelijk, zegt Hussein, is onvrijheid wel een probleem, maar niet het grootste. ‘Wat ons allemaal het meest bezighoudt deze dagen, is de economie. Dit land gaat naar de haaien als de rest van de wereld ons steeds meer isoleert.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2848   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur