Ebola: 'Mijn vriend aan de andere kant van het oranje hek'

Psychologe Ane Bjøru Fjeldsæter (31) werkte een maand in het ebolabehandelcentrum van Artsen zonder Grenzen in Monrovia, Liberia. Daar leerde ze Patrick kennen.

Liberia wordt verdeeld door een oranje hek. We hebben dit hek neergezet om het virus buiten te houden. We hebben het neergezet om ons, de mensen die gezond en bevoorrecht zijn, te scheiden van de zieke en arme mensen. Het is neergezet om ons minder sterfelijk te laten voelen. En om zorg van een afstand te kunnen geven.

Ik sta buiten het hek. De zesjarige Patrick erbinnen. Ik zie hem elke dag. We lachen en zwaaien naar elkaar.

Patrick is maar een kind, maar hij brengt zijn tijd door met mannen die vijf keer zo oud zijn – alsof hij zo probeert goed te maken dat hij veel te jong is om te sterven.

Ze dammen en spelen poker als ze de energie ervoor kunnen opbrengen. En ze luisteren naar BBC Afrika, op de radio die ik een keer voor ze meebracht in mijn ruimtepak. Patrick heeft een verlegen, scheve lach en een blauwe plek bij zijn rechteroog. Hij heeft net zijn moeder verloren. Maar zijn vader is bij hem, op deze verschrikkelijke plek.

Hart verloren

Elke dag houd ik mezelf voor: Ane, geef je hart niet aan dit kind dat niet lang meer zal leven. Hij zal hier een week zijn en daarna, voor eeuwig, weg zijn. Hoe kun je je werk dan nog doen? Weet je niet waar we hier mee te maken hebben? Op de radio hebben ze het over een sterftekans van negentig procent. Mensen aan de andere kant van het hek komen niet terug naar deze kant. Je weet dat het gevaarlijk is om emotioneel gehecht te raken.

Ik houd mezelf dit elke dag voor, maar ik luister nooit naar mezelf. Het is onmogelijk om ‘s ochtends niet uit te kijken naar die scheve glimlach. Het is onmogelijk om de kleine verschillen in zijn gezondheidstoestand niet op te merken. Ik kan het niet laten naar hem te zwaaien. En elke kans die ik krijg om hem of zijn medisch dossier te zien, grijp ik aan.

Omdat ik hoop op enige indicatie dat hij beter wordt. Iets – het kleinste gegeven – dat aangeeft dat er een kans is dat wij ooit samen poker zullen spelen zonder dat ik een masker, bril en twee paar handschoenen aan moet trekken.

Dan komt de verschrikkelijke ochtend. De ochtend waarop ik me heb geprobeerd voor te bereiden. De ochtend dat Patrick niet meer zwaait.

Leren fietsen

Dan komt de verschrikkelijke ochtend. De ochtend waarop ik me heb geprobeerd voor te bereiden. De ochtend dat Patrick niet meer zwaait. Ik kijk over het hek en zie hem op een matras liggen in de schaduw. Zijn groep vrienden ijsberen om hem heen. Ze kijken bezorgd.

Ik trek mijn pak aan en vrees het ergste. Als ik de behandelzone inga, vertelt zijn vader dat Patrick de hele nacht buikpijn heeft gehad. Ik kijk naar hem. Uitgedroogde lippen, koortsig, glazige ogen en geen enkele energie. Hij probeert te lachen als hij me ziet.

‘Patrick, mijn vriend, je ziet er niet zo goed uit. Ik maak me zorgen. Is er iets dat ik voor je kan doen?

Hij kijkt omhoog, fluistert iets en ik buig voorover om hem te kunnen horen. ‘Wat zei je?’

‘Ik zei: kun je aan een fiets voor me komen?’

Patrick, waar zou je met je fiets kunnen rijden? Je hield van je moeder en je was bij haar toen ze ziek was. Nu ben je omringd door oranje hekken en zul je nooit leren fietsen. Denk je dat je alleen maar buikpijn hebt? Hebben je oudere vrienden je niets verteld over ebola? Of zetten ze het geluid van de radio zachter als BBC Afrika vertelt dat mensen bloed spugen?

Ik verlaat de behandelzone. Ik wil niet huilen met mijn beschermingsbril op. Ik verfoei mezelf dat ik dit jochie heb ontmoet. Waarom blijf ik nooit gewoon thuis? De rest van de dag doe ik niets meer en neem ik mezelf voor dat ik thuis een normale baan ga zoeken.

Strenge blik

Toch ga ik de volgende ochtend terug. Ik wil er zijn voor Patricks vader. Ik zie hem aan de andere kant van het hek. Hij ziet er moe uit, maar hij grijnst als hij me ziet. En in de stoel naast hem zit zijn zoontje, onderuitgezakt, zijn scheve glimlach lachend. We zwaaien naar elkaar. Ik zie dat Patrick niet genoeg energie heeft om uit te stoel op te staan, dus ik trek mijn pak aan en ga naar binnen. Hoewel slechts een klein deel van mijn gezicht zichtbaar is, herkent Patrick me meteen.

‘Ik zie mijn vriend. Maar ik zie mijn fiets niet!’

Ik kan hem niet vertellen dat ik dacht dat hij het einde van de nacht niet zou halen. Ik zoek naar de juiste woorden. Kan ik zeggen dat ik het gewoon vergeten ben? Patrick kijkt me streng aan.

‘De vrouw vergeet, maar de man niet!’

Patrick, waar leer je dit soort dingen? Wordt er zo gesproken in je vriendenkring? Beloof me dat je ooit met kinderen van je eigen leeftijd zal spelen.

Nooit vergeten

Afgelopen zondag mocht Patrick het behandelcentrum verlaten. Net als zijn vader. Ze zagen er allebei uitgeput uit. Maar ik kon het nauwelijks geloven. Hij was genezen van ebola, terwijl de blauwe plek bij zijn oog er nog steeds zat. Hij was zo mager geworden, dat hij zijn broek alleen omhoog kon houden met een strak stuk touw om zijn middel.

Het verlaten van een ebolabehandelcentrum kan erg verwarrend zijn. Wekenlang zijn mensen bang om dichtbij je te komen en opeens wil iedereen je omhelzen en kussen. Dat kan een vreemde gewaarwording zijn, zelfs voor een jongen van de wereld als Patrick. In de zeldzame gevallen dat iemand geneest, krijgt de voormalige patiënt een certificaat waarop staat dat ze geen ebola meer hebben.

Patrick staat nu aan mijn kant van het hek, met zijn certificaat, klaar om te leren fietsen. En wat je ook denk, Patrick, deze vrouw zal het nooit vergeten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur