Een zeeman sterft niet

Mijn jongere broer Philippe heeft dit aardse bestaan verlaten. Ik kwam te laat aan in België om hem nog te kunnen goeie moed wensen voor zijn langste vaart.

  • © Lieve Plas De Jolly Jumper vaart uit in Nieuwpoort © Lieve Plas
  • © Ivan Godfroid Schipper Philippe © Ivan Godfroid
  • Schipper op de Shannon
  • Vertaling Ivan Godfroid Zelfgekozen afscheidsgedicht Vertaling Ivan Godfroid
  • © Philippe Godfroid Gerookte horsmakreel © Philippe Godfroid

Het was een vreemde dag, die 14de augustus 2016. Vijf dagen eerder had de stamceltransplantatie plaats gevonden die misschien het leven van Philippe wat had kunnen rekken. Hij vocht al meer dan vier jaar tegen een beenmergkanker, de ziekte van Kaler, en we wisten allebei dat dit zijn laatste kans was, dat alle andere opties intussen uitgeput waren. Het zou alles of niets worden.

De artsen waren optimistisch. Onze weefseltypes vertoonden een perfecte match. Voor broers van dezelfde ouders is de kans daartoe slechts één op vier. “Ik heb altijd geweten dat ik op een dag de lotto zou winnen”, had Philippe nog gezegd, toen ons de positieve resultaten werden meegedeeld. “Vandaag is het dan zover”.

Mijn Kleine Prins

Vijf dagen na de stamceltransplantatie zocht ik een vriendin op in Bergen die ik al lang niet meer had gezien. We belandden bij een boekenwinkel met zomerkoopjes. Op de uitstaltafel lag een stapeltje exemplaren van Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry. Een stemmetje in mij zoog me erheen. Ik kocht het boek zonder aarzelen, zonder te begrijpen waarom. Toen nog niet.

Twee en een halve maand na de stamceltransplantatie, amper terug in Butembo, drong het geleidelijk tot me door, uit de berichten van het thuisfront, dat alles tevergeefs was geweest. De verhoopte verbeteringen waren eerst té aarzelend gekomen. Hij had toch nog een week naar huis gemogen, omdat hij genoeg gezonde witte bloedlichaampjes had aangemaakt om wat weerstand te kunnen opbouwen. Maar dan kwam onverwachts die hoge koorts, en het onvermogen van de artsen om nog iets te kunnen veranderen aan het helse tegenoffensief dat overlevende kankercellen hadden ingezet.

Eerst kreeg ik een bericht dat hij nog maar enkele weken te leven had. De dag erop spraken ze al over nog enkele dagen. Ik schakelde hals over kop mijn repatriëringsverzekering in om hem nog een laatste maal in de ogen te kunnen kijken. Op 22 oktober 2016 om 5u30 verliet ik Butembo. De bedoeling was om in één ruk naar Entebbe te reizen om daar ’s avonds nog de Brussels Airlines vlucht naar Brussel te halen en dan vóór tien uur op zondagochtend aan zijn ziekbed in AZ Sint-Jans in Brugge te staan.

Mijn bagage was heel licht gebleven. Het moest allemaal snel gaan. Bij het inpakken voelde ik opnieuw een vreemde opwelling. Le Petit Prince meenemen moest ik doen, om hem onderweg te lezen. Sinds ik in Butembo was teruggekeerd had ik het boek niet meer in handen genomen. Nu stak ik het snel weg in mijn rugzak.

De reis verliep voorspoedig. Collega’s gooiden hun werkschema overhoop, zodat ik heel vroeg op de dag over onze dienstwagen kon beschikken om naar de grens te rijden, waar een taxi me opwachtte. Onderweg verleende iedereen zijn volle medewerking. Iedereen leefde mee. Dit aangekondigde heengaan kwam veel te vroeg en tegen alle verwachtingen in, dat maakt indruk op mensen.

De hele lange dagreis tolden de herinneringen aan mijn broer door mijn hoofd. Om mijn geest wat af te leiden greep ik naar Le Petit Prince. In één klap werd  voor mij zonneklaar waarom ik dat boek moest meenemen. Van bij de eerste bladzijden zag ik glashelder voor mij mijn kleine broertje verschijnen, in de periode dat ik hem het best heb gekend. Hij een jaar of acht, ik veertien. Hij stelde me voortdurend vragen, over alles wat in hem opkwam. Een eigenschap die hem ook later zou tot nut strekken. Want kennis is macht.

Op een avond, terwijl hij al lag te pitten, vond ik op mijn bed een handvol snoepjes, met een klein handgeschreven berichtje: “als ik je iets vraag geef je me altijd uitleg”. Ik wist goed genoeg hoe graag hij zelf snoepjes at, en was onder de indruk van de opoffering die hij zich had getroost. Ik heb dat briefje jarenlang bijgehouden, en het zou me niet verwonderen moest het op een dag opnieuw opduiken in een of andere ladebodem.

Als ik rond 18 uur de luchthaven van Entebbe bereikte en weer verbinding kreeg met internet, ontving ik het hartverscheurende nieuws dat mijn Kleine Prins om 15u20 was overleden. De vertrekhal begon rond mij te draaien. Ik kon ineens niet meer helder uit mijn ogen kijken en het duurde even eer ik besefte dat dit door de tranen kwam.

Enige tijd later, als ik me vermand had, drong het tot me door: mijn broertje was heengegaan exact op het moment dat ik in mijn boek las hoe de Kleine Prins was opgestaan en een gele bliksemschicht aan zijn kuit hem verloste van zijn lichaam. Waar hij heenging kon hij zijn lichaam immers niet meenemen, dat was daarvoor te zwaar. “Je hoeft niet mee te gaan hoor”, had het prinsje nog gezegd tegen de gestrande piloot. “Het zal je verdriet doen. Het zal erop lijken alsof ik dood ga, maar dat zal niet echt zijn”.

Philippe had ook niet meer gewild dat ik er bij zou zijn. Zo heb ik hem altijd gekend: als het voor hem duidelijk was welke richting hij uit moest, dan was er geen reden om nog te twijfelen. Dan kon het maar beter vooruitgaan.

… en de zee, ik weet het zeker…

Zaterdag 29 oktober 2016. Met brekende stem las ik het gedicht van Toon Hermans voor, dat Philippe zelf had gekozen voor zijn uitvaart. Onder de tonen van zijn zelfgekozen muziek lieten zijn vrouw Lieve en zijn kinderen Niek en Goedele zijn urne neerdalen in de Noordzee. Toevallig (of bestaat het toeval niet?) op hetzelfde uur als zijn overlijden een week eerder.

De Noordzee wa­­­­­­­­s ongewoon kalm, zeker ook voor deze tijd van het jaar, haast kalmer dan het Kivumeer. De zee rouwde mee.

De zeemansgroet, waarbij iedereen van een glaasje jenever nipte en dan de rest op het zachtdeinende wateroppervlak liet druppelen, snoerde onze keel dicht. De boot vaarde toertjes rond de drijvende urne, die traag doordrongen werd van zeewater en daardoor, heel geleidelijk, onder de zeespiegel verdween. De dalende zon gaf nog voldoende warmte om ons te troosten, wanneer we een half uur later met een zwaar hart weer op de kade stonden.

Vertaling Ivan Godfroid

The young man and the sea

Philippe heeft altijd een afkeer gehad van gezag. Als zesjarige had hij al eens het scheenbeen van een leerkracht bewerkt. Als puber was er met hem van geen hout pijlen te maken. Op zijn 16de, in 1980, was hij in de maand oktober nog steeds niet in een nieuwe school ingeschreven, nadat hij het Sint-Jozefsinstituut in Ternat de rug had toe gekeerd. Onze pa was radeloos, en deed zijn verhaal aan een dorpsgenoot die op het Ministerie van Landbouw en Visserij verbonden was aan de zeevaartinspectie. “Moest dat mijn zoon zijn, ik stak hem op zee, op een vissersboot, hij zou daar wel bekoelen. Weglopen zal alleszins al niet meer mogelijk zijn”, zou zijn goeie raad zijn geweest.

Vader Godfroid geloofde eerst niet in deze mogelijkheid, maar toen hij ten einde raad en aangemoedigd door zijn vrouw toch de suggestie deed aan Philippe, werd die door hem, onverwachts, op veel interesse onthaald. Enkele dagen later was hij ingeschreven in de Visserijschool Paster Pype in Oostende, waar hij ongeziene schoolresultaten neerpootte en meteen het derde jaar afwerkte als eerste van de klas. Met een brevet van aspirant-schipper op zak begon hij in september 1981 zijn zeemanscarrière als scheepsjongen, en kort daarna lichtmatroos. Hijzelf heeft dat verhaal uitgebreid verteld in Het Visserijblad.

Het is niet voor de hand liggend om als aangespoelden (spotnaam die vissers geven aan mensen die van buiten het vissersmilieu in de sector aan de slag gaan) je een plaats te verwerven in dat eerder besloten wereldje. De kusttaal en het jargon leren zijn absolute vereisten. Niet met je laten sollen, is een andere. En die  verdomde zeeziekte overwinnen!

Oude rotten in het vak voelden meteen zijn potentieel en wijdden hem in hun geheimen in. Die moeilijkere kwestie van zich te moeten plooien naar het gezag aan boord was ook op te lossen. Elke kans om deel te nemen aan een extra scholing of een examen greep hij aan, en in enkele jaren tijd schopte Fluptje – zoals hij intussen minzaam werd genoemd – het op zijn 23ste tot de jongste schipper van de Belgische visserijvloot. Nog wat jaren later veroverde hij, op basis van de besomming, herhaalde malen de titel van visser van het jaar.

Voor zijn gezinsleven was het vissersbestaan niet altijd eenvoudig. Er waren periodes dat de vissers voor twee of drie opeenvolgende vaarten in zee staken, om dan de vangst per vrachtwagen naar de vismijn in Oostende of Zeebrugge te sturen. Als je dan weet dat een gemiddelde vaart algauw 12 – 16 dagen in beslag nam, wordt het duidelijk dat hij het grootste deel van het jaar uithuizig was. Zijn thuiskomen was dan ook altijd intens.

Schipper-schrijver

Als veelzijdig man werd hij opgemerkt door de hoofdredacteur van het Vrije Visserijblad. De combinatie van schrijftalent, analytisch vermogen, mondigheid en succesvol vissen blijkt uiterst zeldzaam te zijn in de competentieprofielen van de sector. In verschillende lezersbrieven had Philippe zijn ongenoegen uitgedrukt dat het Visserijblad alleen maar negatieve dingen schreef en nooit het positieve belichtte. De hoofdredacteur repliceerde met een uitgebreid interview van Philippe in het septembernummer van 1998 en een aanbod om vaste columnist te worden in het maandblad, om zo zelf het positieve uit te dragen.

Philippe ging daar gretig op in en zijn column “Tussen schip en kaai” verscheen welgeteld 60 keer, vijf jaar lang, tot hij zich leeggeschreven voelde. Na zijn eerste jaar ondertekende hij zijn columns niet langer met zijn volle naam Philippe Godfroid, maar koos hij voor het snijdende Froid, een duidelijke indicator dat zijn schrijfsels alsmaar scherper werden naarmate ook hij steeds beter begreep wat er allemaal fout ging in de sector. Zo kon hij zich behoorlijk druk maken om het feit dat de EU-reglementering alsmaar complexer werd en werd uitgedokterd achter computerschermen in Brussel, ver weg van de realiteit op zee, zonder reële inspraak van diegenen over wiens broodwinning het ging. Met veel te weinig oog ook voor de sociale gevolgen voor de vissersgezinnen. Hij zag de Belgische vissersvloot inkrimpen van 200 vaartuigen aan het begin van zijn carrière tot een zeventigtal vandaag.

Het tijdschrift werd uiteindelijk opgedoekt in 2013 toen hoofdredacteur Flor Vandekerkchove op pensioen ging. Sindsdien verschenen met de steun van Climaxi, de Beweging voor Klimaat en Sociale Rechtvaardigheid, nog twee jaaredities waar Philippe opnieuw heeft aan meegewerkt. Zijn column van de jaareditie 2016 werd online gepubliceerd als eerbetoon.

Flanders Queen Mussel

Het ouder worden gaf hem zin en inzichten om zich op andere manieren in te zetten. Dichter bij zijn gezin, enerzijds, en meer gericht op vernieuwing, duurzaamheid en maatschappelijke relevantie anderzijds.

Zo stapte hij in 2007 over naar een pilootproject voor hangmosselcultuur, geleid door de SDVO, de Stichting voor Duurzame Visserij Ontwikkeling. Hij werd schipper op de Musselboot I. Doel: de visserijsector nieuw leven inblazen door een nieuwe kweekmethode voor mosselen te testen in de Noordzee en op te schalen naar een commercieel rendabel niveau. Hij stond in voor het beheer van de speciaal ontworpen boeien, voorzien van touwen waarop de mosselen groeiden. Voor het oogsten werden de boeien met een kraan op het schip gehesen en de touwen ontrold.

De Flanders Queen Mussel werd fel gesmaakt door de kenners. Maar het project bleek op technisch vlak niet duurzaam te zijn en daardoor financieel onleefbaar. De stormen op de Noordzee sloegen boei na boei los, die dan aanspoelden en moesten worden opgehaald, soms tot in Zeeland. Er werd ook klacht neergelegd tegen de SDVO voor concurrentievervalsing door een privé-bedrijf dat de Belgica Mossel op de markt bracht. Maar ook hun pontons bleken niet bestand tegen de weersomstandigheden op zee. Uiteindelijk werden beide projecten stopgezet in 2010 en 2011.

Jolly Jumper

Intussen had Philippe zich kunnen verdiepen in duurzame vistechnieken en was hij vastbesloten hierin carrière te maken. Hij zag er ook een kans in om eindelijk zijn eigen baas te kunnen worden. Hij kocht de O.32 Petrus Pictor, een vissersvaartuig-catamaran gebouwd in Essex in 2007, en herdoopte hem tot de N.32 Jolly Jumper. Het ging om één van de nieuwste en modernste schepen van de Belgische vloot, volledig geconcipieerd om op veel milieuvriendelijkere wijzen te vissen dan de boomkornetten die hij altijd al had gebruikt.

De naam was doordacht gekozen. Zoals Lucky Luke in de meest uitzichtloze situaties steeds wordt gered door zijn slimme paard, zo zou ook zijn schip hem zonder fout steeds uit woelig water veilig thuis brengen.

© Lieve Plas

De Jolly Jumper vaart uit in Nieuwpoort

Maar daar moest wel een half miljoen € voor worden neergeteld. Samen met Lieve, zijn echtgenote, nam hij de beslissing hun huis te verkopen om over voldoende middelen te beschikken. Ze werden elk 50% aandeelhouder in de bvba rederij Jolly Jumper, en een totaal nieuwe periode brak aan in hun leven. Ze verhuisden van Beernem naar Oostende. Hij sloeg aan het experimenteren met nieuwe visserijtechnieken, wat er eigenlijk op neerkwam dat hij zijn vak helemaal opnieuw moest leren vanuit een perspectief van duurzaamheid. Dat hij daarbij heel wat leergeld zou moeten betalen, wist hij als geen ander, maar het schrok hem niet af. Als de vorige uitbaters van de catamaran er niet veel hadden van gebakken, lag dat volgens hem aan hun gebrek aan inzet en inzicht, en dat laatste kan je alleen halen uit volgehouden ervaringsopbouw, waarvoor dat eerste een basisvoorwaarde is.

De opbrengst uit de verkoop van hun huis volstond echter niet om het schip te kunnen betalen. Ze  hadden dus een extra lening nodig van een bank. Gelet op het hoge bedrag, de lange afbetalingstermijn en de leeftijd van de ontlener, vroeg de bank om een medisch onderzoek, een kwestie van vooruitziend risicobeheer.

Wat opviel in het medisch rapport was de aanwezigheid van Bence Jones eiwitten in zijn urine. Maar dat bleek voor de bank geen breekpunt te zijn. De lening werd toegekend en zijn leerproces kon beginnen.

Met vallen en opstaan verkende Philippe alle ecologische vistechnieken, in de vaste overtuiging dat hij na een uitgebreide proefperiode van minimaal een jaar zou komen tot een goeie mix van technieken, aangepast aan de gezochte vissoorten en aan de seizoenen. Om van heel nabij betrokken te zijn bij de vermarkting van de visserijproducten aanvaardde hij in april 2010 ook de verantwoordelijkheden van gedelegeerd bestuurder en voorzitter van de Raad van Bestuur van de Vlaamse Schelpdier en Viscoöperatie te Nieuwpoort, die hij heeft uitgeoefend tot februari 2013.

Met zijn groene hart nam hij ook het voortouw in een campagne voor het opvissen van plastic afval uit de Noordzee. Zowel met het project Vac from the sea als met Waste Free Oceans kwam hij in de media.

Toen hij het vissen niet meer aankon, heeft hij Jolly Jumper eerst een jaar verhuurd in Nederland. Wanneer hij had ingezien dat hijzelf nooit meer zou kunnen vissen, heeft hij voor Jolly Jumper een nieuwe eigenaar gezocht. Hij heeft een vissersgezin gevonden in Ierland. Ze hebben de boot herdoopt tot Donna Julie II.

Vissen in Afrika?

In diezelfde periode werd schipper Philippe gecontacteerd door een woordvoerder van de ambassadeur van Equatoriaal Guinea met de vraag of hij interesse zou hebben om de visvangst in zijn land te helpen professionaliseren. Hij vroeg me, gezien mijn Afrika-ervaring, om met hem mee te gaan naar het kennismakingsgesprek. Hijzelf had in die tijd een Congolees aangeworven als matroos . Mensen kansen geven, was altijd al één van zijn motto’s.

Tijdens mijn­­­­­­ kerstvakantie in België in december 2011, zijn we samen naar Doornik getrokken om de verwachtingen te gaan peilen. Het initiatief bleek nauw gelieerd te zijn met de zoon van president Teodoro Obiang, toen al meer dan dertig jaar aan de macht, een onguur heerschap betrokken bij drugstrafiek, corruptie, fraude.

We hebben nog geprobeerd om zijn idee om een industriële vissersboot aan te schaffen (die gegarandeerd broodroof zou plegen op de artisanale vissers) om te buigen tot een ontwikkelingsplan voor de hele visserijsector. Op de conceptnota die we enkele dagen na ons onderhoud hadden opgestuurd hebben we echter nooit nog reactie gekregen. En maar goed ook. Ik vernam achteraf, in juni 2016, dat zoontjelief door papa dictator intussen was benoemd tot vice-president, belast met defensie en veiligheid, met de duidelijk bedoeling om er binnenkort de macht over te nemen en de Obiang-dynastie verder te zetten.

Afrika in het hart

Mochten er reële perspectieven zijn gegroeid uit dit onderhoud, zou Philippe zeker overwogen hebben om alles in België achter te laten en in Afrika een nieuw leven te gaan uitbouwen, ook al besefte hij dat dit in zijn gezinssituatie wel eens moeilijk zou kunnen zijn. Dat lag in zijn aard: onversaagd, brede interesses en steeds op zoek naar nieuwe prikkels. 

Afrika heeft Philippe altijd nauw aan het hart gelegen. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de onuitwisbare indruk die Rwanda op hem had nagelaten toen hij er als zesjarige een viertal maanden heeft verbleven. Onze vader deed toen een interim op de Belgische ambassade. Hij mocht meegaan met onze ouders, terwijl mijn oudere broer en ik als schoolplichtige adolescenten in België achterbleven, onder de hoede van onze ongehuwde nonkel Albert. Ik was stikjaloers.

Wanneer ik dertig jaar later Philippe en zijn zoon Niek, samen met mijn twee zonen Janharm en Boris meenam op vakantie naar Kenia (de vrouwelijke familieleden waren te bang van slangen en verkozen liever thuis te blijven), kwamen de zintuiglijke waarnemingen uit die tijd snel terug naar boven, als een blij weerzien. Hij herbeleefde de zoektocht naar kameleons in de hagen, herinnerde zich geuren en kleuren van weleer. Het werd een vakantie om nooit te vergeten. Gretig nam Philippe alle nieuwe dingen in zich op. Niets schrikte hem af. Overal zei hij ja op. Zelfs later, als hij al ernstig ziek was, zou hij, tijdens zijn betere periodes, nog op vakantie gaan naar Egypte en Zanzibar.

In 2009, wanneer ik in Québec woonde, is hij ons daar ook komen opzoeken, samen met zijn vrouw. Ik bracht hem in contact met een traditionele visroker, een lokale  beroepsvereniging van vissers en het mosselcircuit van Québec. Hij was altijd en overal op zoek naar nieuwe ideeën en opportuniteiten, met een open hart en een ruim blikveld.

Leraar-schipper

Dat was allemaal toen er nog geen vuiltje aan de lucht was. De eiwitten die het jaar erop in zijn urine werden gevonden, bleken wel degelijk een alarmsignaal van formaat. Op aandringen van zijn huisarts liet Philippe zich uiteindelijk maanden nadien toch eens nader onderzoeken, en de diagnose van multipel myeloom kwam als een donderslag bij klare hemel.

De ziekte van Kaler, zoals ze ook wordt genoemd, is een beenmergkanker die de aanmaak van anti-lichaampjes verstoort, gezonde bloedcellen verdringt en zo de weerstand aantast. Tegelijk worden osteoclasten (gespecialiseerde cellen die belast zijn met het onderhoud van het skelet) aangespoord tot overwerk, waardoor het skelet wordt ondermijnd en breuken kunnen ontstaan.

Geleidelijk aan drong de ernst van de bedreiging tot ons door. Al snel werd zijn mobiliteit beperkt door de toenemende schade aan zijn skelet en moest hij het vissen opgeven. Maar de moed gaf hij niet op. Hij zocht en vond een alternatief als leerkracht in het Maritiem Instituut Mercator van Oostende, de enige school in Vlaanderen die zeevisserijonderwijs organiseert. Daar moest hij dan wel in 2013 een lerarenopleiding voor volgen die hij met brio afwerkte. “Op mijn 50ste eindelijk gediplomeerd geraakt”, lachte hij in zijn e-mail van 21 maart 2014, waarmee hij me een scan van zijn diploma van leraar opstuurde.

Vanaf schooljaar 2015-2016 stelde het MIMO Philippe aan als de eerste trajectbegeleider ooit. De trajectbegeleider is de contactpersoon tussen de school, de reders en de leerlingen. Hij begeleidt de leerlingen gedurende hun gehele opleiding. Omdat hij de sector kende als geen ander, was dat een kolfje naar zijn hand, tot grote tevredenheid van alle betrokken partijen.

Deze zomer stuurde hij vanop zijn ziekenhuisbed nog een e-mail met het volgende bericht: “mijn fulltime voor volgend schooljaar is bevestigd, alle lesvakken vallen weg, en ik krijg promotie en trajectbegeleiding als voltijdse job.”

Het lesgeven ging hem nochtans ook bijzonder goed af. Hij kon zich perfect inleven in de hoofden van zijn leerlingen, zowel van zij die de zeemicrobe al beet hadden als van diegenen die het moeilijk hadden met het schoolsysteem. Als ervaringsdeskundige op beide vlakken kwam hij bij de jongeren uiterst authentiek over. De vele steunbetuigingen van zijn vroegere leerlingen spreken dan ook boekdelen. Zo schreef (bij wijze van voorbeeld) John Lee over hem op zijn facebookmuur: “Jij hebt ons onze kennis gegeven die mijn klasgenoten en ik nu gebruiken om ons geld te verdienen en hiervan te kunnen leven, iets waar we je nooit genoeg kunnen voor bedanken. Een toffe leerkracht die goed kon lesgeven en de tijd nam om met zijn leerlingen te praten, niet alleen over de les, en iemand met een warm hart, dat zag je direct aan Philippe.”

Multipel myeloom

In die periode, januari 2014, werd hij blind aan zijn beste oog door de druk van een tumor op de oogzenuw. De artsen slaagden erin om die tumor volledig te laten verdwijnen, zonder enige schade. Zijn gezichtsvermogen werd integraal hersteld. Dat gaf hem ontzettend veel moed. Hij is in die periode gewoon blijven doorwerken op school.

Met zijn skelet ging het evenwel de verkeerde kant uit. Zo brak hij, gewoon door eens stevig te niezen, vier ribben. Als hij over een deurmatje struikelde en zijn schouder raakte een deurpost, knapte zijn bovenarmbeen als een strootje en moest er een metalen staaf worden doorheen geschoven en vastgeschroefd. Zijn heupgewricht werd aangetast, en zijn gang werd steeds wankeler. Toen ik deze zomer naar België terugkeerde voor de stamceltransplantatie, schrok ik, hoe hij me opwachtte in de inkomhal van het ziekenhuis, steunend op een wandelstok, met de lichaamshouding van een oude man.

In de voorgaande jaren had hij al verschillende behandelingen gekregen: zowel klassieke als experimentele chemo, en ook twee autologe stamceltransplantaties. Geen enkele sloeg aan, en langzaamaan werd duidelijk dat een allogene stamceltransplantatie voor hem de laatste kans zou betekenen. Al was het maar om enkele jaren extra tijd te krijgen, zei hij, in de hoop dat intussen de medische wetenschap vooruitgang zou boeken in de strijd tegen deze agressieve ziekte. We spraken af dat we van zijn 60ste verjaardag een geweldig groot feest zouden maken.

Smokes

Ondanks alles bleef hij geloven in de toekomst. Die van hemzelf en ook die van de visserij. Hij was van oordeel dat te vele vissoorten ondergewaardeerd blijven, terwijl er zoveel lekkers mee te doen is. Hij schafte zich een kleinschalige rookinstallatie aan en ging aan het experimenteren met vissen waarvan de namen voor de meeste mensen onbekend zijn: rode poon, congeraal, horsmakreel, zeeduivel, schartong, elft. Zelfs wulken ging hij roken.

Hij stond erop uitsluitend met vis te werken die gevangen werd door Belgische vissers. Hij maakte naam met zijn gerookte vis, die de merknaam Jolly Jumper Smokes meekreeg. Hij ging ook experimenteren met allerlei gerechten om zijn gerookte vis in te verwerken. Spiesjes, sushi, terrines, rookvis met Griekse kruidenyoghurt… Als er iets is wat Philippe bijzonder goed kon, dan was het wel genieten, en het maakte hem nog blijer om andere mensen mee te laten genieten.

© Philippe Godfroid

Gerookte horsmakreel

Vier keer dit jaar bood hij zijn vis aan op MARTA, de maandelijkse Antwerpse Food Market aan het Kattendijkdok, met focus op lokale producten. De laatste keer was zonder hem. Zijn vrouw en kinderen hadden voor alles gezorgd terwijl hij zich in het ziekenhuis voorbereidde op de stamceltransplantatie. Het raakte hem diep dat zijn gezin samen met hem bleef geloven in het potentieel dat hij aan het aanboren was. Hij zag in gedachten Jolly Jumper Smokes uitgroeien tot een succesvolle onderneming.

Atypisch en onvoorspelbaar

Met de moed der wanhoop en veel frustratie omdat hij de uitbouw van zijn nieuw bedrijf moest onderbreken, onderging hij de zoveelste chemo. Een medicijnencocktail zou de gemuteerde plasmocyten in zijn beenmerg zoveel als mogelijk moeten elimineren zonder al te veel schade te veroorzaken aan zijn weefsels, vooraleer de lichaamsvreemde stamcellen te ontvangen. Zoals elke keer verloor hij ook nu weer zijn haar. “Wrijf eens over mijn schedel”, zei hij. Ik voelde tot mijn ontzetting onder mijn vingertoppen kleine kratertjes, als op een planeet die door een meteorenaanval was gepokt. Bij hem kwam de aanval van binnenin.

De laatste keer dat ik op bezoek kwam, kort voor mijn terugkeer naar Butembo, bleef hij hoopvol. De koorts was onder controle, hij zou wellicht snel weer naar huis mogen. Hij keek er naar uit, want die ziekenhuiskost vond hij, die beroepshalve met fijne smaken bezig was, toch maar niets.

Maar de ochtend van zijn verhoopte vertrek stond de koortstermometer weer in het rood. Hij mocht dan toch niet terug naar huis. Vanuit het verre Butembo voelde ik in de dagen erop alsmaar sterker hoe de artsen hun greep verloren. Bij Philippe was het ziekteverloop altijd al atypisch en onvoorspelbaar geweest. Het zou tot zijn laatste dagen niet anders zijn. Ik had nooit kunnen denken dat ik binnen de week na aankomst in Butembo alweer België-waarts zou keren, voor het afscheid.

Wat een intens leven heeft Philippe gehad! Op 52-jarige leeftijd is hij vertrokken op zijn langste vaart. Zo staat het op zijn gedenkplaatje. Hij is letterlijk één geworden met de zee. Zijn vrouw Lieve zal op hem blijven wachten, zoals altijd. Want een zeeman sterft niet. Nooit. De deining van de zee neemt zijn hartslag over.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2563   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift