'Livèque'

Mensen van Congolees-Belgische afkomst, alleszins de oudere generatie, leiden in Congo geen gemakkelijk leven. Ze voelen zich niet aanvaard, noch in het land van hun vader, noch in dat van hun moeder.

Gewrongen in een knalronde stretchjurk zit ze aan de toog van bar Ultime. In een mix van Portugees en Frans doet Annie Segers haar beklag over Angolese mannen, Congolese vrouwen en haar ‘mystieke’ tweeling. De mannen aan de toog reageren met een afwezige hoofdknik. Ze zijn duidelijk meer geïnteresseerd in die jonge donkerogige tweelingdochters van haar.

In bar Ultime vind je de ‘oude’ blanken van Kinshasa. Belgen en Portugezen die hier al heel hun leven wonen. In tegenstelling tot de blitse VN-jongens in maatpak die in geblindeerde jeeps door de stad razen, slijten zij hun dagen hier achter grote flessen Skol-bier. Hun getaande huid en halfgesloten ogen vertellen een verhaal van frustraties en gelatenheid, maar ook van een grote liefde voor dit land. Vroeger hadden ze hun eigen bedrijf in transport of houtbewerking, maar door de nationaliseringen van Mobutu, het wantrouwen onder de werknemers of de pesterijen van de huidige overheid werd het hen onmogelijk gemaakt hun werk verder te zetten.

Het valt me moeilijk uit te maken of dit nu echt slachtoffers van de Congolese maatschappij zijn, of gewoon slechte ondernemers. Annie Segers besteedt in elk geval geen aandacht aan hun cynische opmerkingen. Hoewel haar vader ook één van die Belgische avonturiers moet geweest zijn, heeft ze hem nooit ontmoet. Ze bewaart enkel zijn Vlaamse naam, die ze met haar Congolese tongval als ‘Sègèrrrrs’ uitspreekt. Als ze naar het hospitaal moet, heeft ze steeds de grootste moeite haar naam duidelijk te maken aan het administratief personeel.

Later op de avond neemt ze me mee naar haar huis, waar ze samen met haar zussen en buurvrouwen het terras doet galmen van getater. Ze stelt me voor aan ‘Livèque’, haar buurvrouw met de bleke huid die met een Libanees getrouwd is. Livèque is net als Annie een métisse. Haar Belgische vader was arts in Katanga, maar keerde zonder vrouw en kind terug naar zijn vaderland. Annie en Livèque vertellen hoe hard het is om métisse te zijn in Congo, hoe ze alle moeite van de wereld moeten doen om een Congolees paspoort te bemachtigen en tegelijkertijd scheef bekeken worden in de Belgische ambassade. Altijd tussenin, nooit ergens thuis. Ik vloek op de Belgische mannen die hier Congolese meisjes kwamen bezwangeren om dan weer even snel met de noorderzon te verdwijnen. Tegelijkertijd wantrouw ik de zus van Annie die me verzekert dat ze haar vader gewoon wil leren kennen, en ondertussen opsomt wat hij allemaal voor haar en haar kinderen zou moeten betalen. Complexe verhalen, doorspekt met emoties en dubbele invalshoeken.

Wanneer het tijd is om te gaan slapen brengt Livèque me terug naar huis. Mijn hoofd zit vol echo’s van wat deze vrouwen me vertelden. Wanneer ik Livèque vraag waar haar vreemde voornaam vandaan komt, zegt ze “mais c’est flamand, non? Ça veut dire ‘petite chérie’”. En dan haalt ze diep adem en schotelt me haar beste Vlaamse accent voor: “Normalement on dit ‘Lieveke’”!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur