Strijd tegen de bureaucratie

Zoals in zovele landen is er in Peru geen gebrek aan een ongezonde dosis bureaucratie die het openbare leven liefst zo ingewikkeld mogelijk maakt. Vorige week zag ik met eigen ogen dat die bureaucratie niet alleen vervelend is, maar zelfs bikkelhard en onmenselijk.

 

Zonder naam

In Pampacoris vielen de militairen binnen tijdens een dorpsfeest en arresteerden een groep mannen die later vermoord werden. Drieëntwintig lichamen werden het afgelopen jaar opgegraven, maar nog niet geïdentificeerd. Zoals eerder vermeld is er in Peru geen systematisch plan voor het opsporen en opgraven van verdwenen personen. Het Openbaar Ministerie heeft het gezag over alle opgravingen en verbiedt NGO’s zoals EPAF (Equipo Peruano de Antropologie Forense) om zelf opgravingen te doen, alhoewel zij even goed de expertise en zonder twijfel meer goede wil hebben. Het Openbaar Ministerie graaft dus wel lichamen op, maar identificatie is voor hen niet echt een prioriteit. Ontelbare resten zonder naam worden gewoon bijgehouden zonder ooit terug bij hun familie terecht te komen en begraven te worden. De identificatie gebeurt onder druk van familieleden van slachtoffers en NGO’s.

Bureaucratie vs. menselijkheid

Eén van de mechanismen om de identificatie te vergemakkelijken, is het tentoonstellen van de kledingstukken van de lichamen die zijn opgegraven. De familieleden van de slachtoffers kunnen dan komen kijken of ze iets herkennen en zo een eerste aanknopingspunt vinden voor het identificeren van het lichaam. De tentoonstelling wordt georganiseerd door het Openbaar Ministerie. De NGO’s mogen, na een eerste bureaucratisch registratieproces dat weken op voorhand voltooid moet worden, met een beperkt aantal mensen aanwezig zijn als experten ter zake. (EPAF registreerde mij als deel van hun team waardoor ik kon deelnemen.) Het uiteindelijke resultaat is een hallucinant slecht georganiseerd proces dat ongelooflijk traag en pijnlijk is voor de slachtoffers.  

Ten eerste moeten de familieleden van de slachtoffers uit hun dorpen overkomen naar Ayacucho. De tentoonstelling duurt twee dagen, want er worden ook DNA-stalen genomen om de eventuele herkenning te kunnen bevestigen. Dit betekent dat er geld nodig is voor het vervoer, het eten en de slaapplaats van de familieleden, die deze kosten onmogelijk zelf kunnen betalen. In dit geval betaalde het Rode Kruis het vervoer en APRODEH (Asociación Pro Derechos Humanos) het eten en de slaapplaats. (Het Openbaar Ministerie, de Peruaanse staat dus, betaalt niets.)

Hoewel de tijd beperkt is en de familieleden een grote moeite doen door naar Ayacucho te komen, is het Openbaar Ministerie allerminst gehaast. De eerste dag beginnen we met tweeënhalf uur vertraging. De familieleden wachten buiten op de grond, in de brandende Andeszon. De kledingstukken worden vol met aarde uit kartonnen dozen gehaald en tentoongesteld in het laboratorium. Van de vele zelfgebreide en geweven kledingstukken blijft door de tand des tijds niet veel meer over dan een hoopje wol. Aan de familieleden – die met torenhoge verwachtingen deelnemen aan dit proces – wordt uitgelegd dat ze heel geduldig moeten zijn. Ze worden in kleine groepjes naar boven gebracht om de kledingstukken te bekijken. Als ze iets herkennen, wordt dit geregistreerd door de forensische antropologen van het Openbaar Ministerie of EPAF. De leden van het Openbaar Ministerie hebben echter zelf niet veel geduld en lijken niet geïnteresseerd in het goede verloop van het proces. 

“Ben je wel écht zeker?”, vraagt de verantwoordelijke van het Openbaar Ministerie als een vrouw iets denkt te herkennen, om vervolgens geïrriteerd te zuchten als dat niet het geval is. Alsof het proces al niet stresserend genoeg is, worden de familieleden constant in vraag gesteld en onder druk te zet om te ‘herinneren’. Bovendien spreekt maar één van de aanwezigen van het Openbaar Ministerie Quechua, de moedertaal van alle familieleden. Er worden veel wederzijdse blikken van onbegrip uitgewisseld, veel informatie lijkt verloren te gaan.

DNA en doodskisten

Wanneer we na de middagpauze terugkeren, heeft de verantwoordelijke van het Openbaar Ministerie zonder reden en zonder te overleggen met de experten ter zake van de NGO’s besloten om de tentoonstelling op te schorten tot morgen. In de namiddag worden enkel nog DNA-stalen genomen.

Met de bloedstalen die het Openbaar Ministerie neemt gebeurt er niets, omdat de staat geen middelen vrij maakt voor DNA-onderzoek. Ze nemen de stalen puur voor de vorm, omdat het deel uitmaakt van het proces. EPAF neemt speekselstalen die wél onderzocht worden in het DNA-laboratorium van de Guatemalteekse FAFG (Fundación de Antropología Forense de Guatemala). Tijdens het nemen van de stalen worden we constant opgejaagd en de verantwoordelijke van het Openbaar Ministerie haalt ons het bloed vanonder de nagels door herhaaldelijk te laten vallen dat ze op tijd thuis wil zijn.  

De volgende dag als we toekomen staan er in het lokaal waar normaal de stalen genomen worden drie doodskisten klaar van lichamen van een andere casus die al geïdentificeerd zijn. De aanblik van de kisten wekt grote emotie bij de familieleden van onze casus wiens zoektocht nog volop aan de gang is. Wederom werden de NGO’s en experten ter zake niet op de hoogte gesteld. De doodskisten worden normaal met een symbolische ceremonie teruggegeven aan de familieleden. Vandaag blijven ze echter heel de dag staan. Achteraf blijkt dat de familieleden van deze casus hebben laten weten dat ze geen geld hadden om naar Ayacucho te komen om de kisten te komen halen, te vervoeren naar hun dorp en daar te begraven. 

Op het einde van de tweede dag moeten alle deelnemers aan het proces achtentwintig verschillende papieren handtekenen om de tentoonstelling officieel af te sluiten.  Hiervoor hadden ze bijna nog een dag extra tijd kunnen rekenen, ware het niet dat een groot deel van de familieleden analfabeet is en het zetten van vingerafdrukken ‘gelukkig’ snel vooruit gaat. 

Zelf voel ik mij na achtentwintig krabbels en twee dagen bureaucratische tegenwerking leeg, gefrustreerd en boos. EPAF rekende uit dat aan dit tempo de identificatie van alle vermisten 200 jaar zal duren…

 

Artikel verschenen in de plaatselijke krant “La voz de Huamanga” op 30/03/2012 : http://www.diariolavozdehuamanga.com/noticias/index.php?option=com_content&view=article&id=2069:familiares-del-caso-huarcatan-participan-de-diligencia-de-reconocimiento&catid=20:local&Itemid=6

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Historica en doctoraatstudente

    Eva Willems is historica en doctoreert aan de UGent over geschiedenis, herinnering en transitional justice in Peru na de burgeroorlog met het Lichtend Pad in de jaren ‘80.