Familiebezoek

Mijn jongste zoon op bezoek in Congo! Een bijzondere gebeurtenis rechtvaardigt bijzondere activiteiten.

Het was de eerste keer dat ik in Congo familie op bezoek kreeg. En niet zomaar familie, een nauwere familieband bestaat niet: mijn bloedeigen zoon Boris. Als volleerd cameraman had hij meegedongen in een aanbesteding voor het maken van een filmpje voor ons koffieprogramma. Omdat zijn motivatie bovenop het professionele nog een extra dimensie had, deed hij an offer you can’t refuse aan wel erg gunstige voorwaarden. En zo werd zijn werkbezoek ook ineens een intense father-and-son gebeurtenis.

Ik moest er niet lang over nadenken hoe we de extra week die we na de opnames voor de gelegenheid hadden uitgetrokken invulling zouden geven. Als familie op bezoek komt, waarom dan niet samen op familiebezoek gaan? Ik bood aan om onze genetisch naaste neven te gaan opzoeken. Hij was meteen wild enthousiast.

Broers

Op een avond kwam er op TV een reportage over de gorilla’s aan de Rwandese kant van het Virungapark. Zei die boer doodleuk: ‘kijk eens aan, Lydie, een reportage over je broertjes’.

Toen ik mijn team aankondigde dat ik er enkele dagen met mijn zoon zou tussenuit knijpen om de gorilla’s in het Virungapark te gaan bezoeken, zag ik het gezicht van mijn collega Lydie betrekken. Bezorgd dat er mogelijk een bezwaar zou zijn omwille van haar werkprogramma vroeg ik haar of dat een probleem meebracht.

‘Welnee’, zei ze. ‘Het roept alleen maar onaangename herinneringen op. Wanneer ik in 2003 enkele weken naar Nederland reisde om er te gaan leren hoe de aardappelteelt daar precies wordt georganiseerd, logeerde ik bij één van die boeren. Op een avond kwam er op TV een reportage over de gorilla’s aan de Rwandese kant van het Virungapark. Zei die boer doodleuk: ‘kijk eens aan, Lydie, een reportage over je broertjes’. ‘Gerard!’, had zijn vrouw nog uitgeroepen, wat zeg je nou toch?’. Maar hij zag er niets verkeerds in en bleef maar doorgaan dat ik op die apen leek en ze beslist mijn broers moesten zijn. Ik ben daar tot vandaag nog kwaad voor op hem.’

Ontsteld over zulk laag-bij-de-gronds racisme, trachtte ik haar te troosten door te stellen dat menselijk DNA en dat van de gorilla voor 98,4% identiek zijn, en dat we dus allemaal evenveel familie van de gorilla zijn, ook boer Gerard zelf. Maar dat kon uiteraard de boerse botheid van de man niet goedpraten.

Escorte

We zouden trachten op één dag van Butembo naar Rumangabo te reizen. In de Mikeno Lodge (het hotel van het Virungapark) hadden ze dat nog niet meegemaakt, toeristen die niet via Goma maar uit Butembo komen. Het hoofd van de veiligheidsdienst, Gilbert Dilis, voormalig beroepsmilitair en paracommando, had voor een gewapende ICCN-escorte gezorgd om ons vanuit Kanyabayonga tot Kiwanja te begeleiden. Het voelde vreemd aan: als ik voor mijn werk het park doorkruis op weg naar Bukavu via Goma kraait er geen haan naar. Begeef ik me als toerist op weg naar de gorilla’s, dan krijg ik een escorte.

Het gaf alleszins wel een veiliger gevoel. Bij het binnenrijden van Kanyabayonga kwam aan de slagboom een man in burger zich uitgeven voor een agent van de ANR. Ik kan niet tegen dat soort typetjes, en al helemaal niet als ze me mijn reispas komen vragen waarin sinds kort een verblijfsvisum prijkt waar ik jarenlang heb moeten voor vechten tegen de windmolens van de Congolese bureaucratie om hem te verkrijgen. Labim, stelde hij zich voor, Capitaine Labim (l’abîme hoorde ik). Het was zijn hoogste plicht om onze identiteit na te trekken anders mochten we niet verder, stelde hij. ‘Wie heeft jou dan dat recht gegeven’, vroeg ik hem? ‘Waar is uw uniform, uw legitimatiebewijs? U kan me net zo goed komen vertellen dat u Obama heet. In een land met goed bestuur, en ik durf hopen dat Congo dat ook is, hebben burgers ook rechten, bv. om zich vrij te bewegen, en als een overheid wenst te controleren gebeurt dat door mensen die daarvoor herkenbaar zijn uitgerust of een legitimatie kunnen voorleggen’, bleef ik maar hameren.

Dat dit de gang der zaken niet bepaald verder hielp, hoeft geen verdere uitleg, maar ik kon het niet over mijn hart krijgen hem het geld toe te stoppen waarvoor hij het bloed onder mijn nagels zou halen. Ik kan het nog steeds niet, dat verdomde spelletje meespelen, na al die jaren, en zal het ook nooit kunnen.

Ik nam mijn telefoon en belde Gilbert Dilis op. Die was meteen formeel: die meneer heeft geen enkele bevoegdheid over die slagboom, die wordt beheerd door FONER en dient enkel om de peage te innen. Labim was niet onder de indruk toen ik hem dat zei. Hij bleef aandringen om hem mijn reispas te geven. Ik belde Dilis opnieuw op. Of hij niet zelf even met Capitaine Labim wou praten.

Le Capitaine liet niets blijken uit zijn gelaatsuitdrukking. Toen wist ik dat hij een uitweg aan het zoeken was. Die kwam er snel. ‘Aaaaaah, donc le monsieur devant la barrière est un touriste et il vient visiter le parc? C’est bien ça ? Bien sûr, je comprends, oui monsieur, je le laisse passer », en omhoog ging die slagboom.

Dubbelvulkaan

Bij aankomst in Rumangabo, waar ook parkdirecteur de Merode woont (hij bleek op werkbezoek in Duitsland te zijn), trad meteen het veiligheidssysteem in werking. Via walkie-talkie werd gecheckt of we wel hadden gereserveerd. Op alle strategische punten stonden gewapende wachten. Op de parking voor het in het groen verscholen hotel stond geen enkele wagen. Het personeel kwam ons meteen welkom heten.

Alle architectuur is in natuursteen opgetrokken, met dikke strooien daken en grote open ruimtes. Duidelijk voorzien om veel volk te kunnen ontvangen, maar er zat slechts één andere gaste. De kamers zijn eigenlijk huisjes, maar wel heel duur. Gelukkig had ik er een kunnen vinden met twee aparte bedden, eerder dan er twee te moeten huren. Dat was nog meer dan duur genoeg. We hadden alles op voorhand moeten bestellen, behalve de drank. We kregen een driegangenmaaltijd, en een luxe die we nooit eerder hadden meegemaakt in Congo.

Boris had de ingeving gekregen toch nog, ondanks onze vermoeidheid, een hooggelegen plaats op te zoeken van waaruit we de vulkaan Nyiragongo ’s nachts zouden kunnen fotograferen. We zouden er geen spijt van hebben. Ook de Nyamulagira blijkt tegenwoordig weer een lavameer in de krater te hebben, waardoor we twee actieve vulkanen op één spectaculaire foto konden vatten.

© Boris Godfroid

 

 

Lavastenen

In Bukima staat de parkgrens nog aangeduid met een tweetalige plaat ‘Parc National Albert – Nationaal Albert Park’.

De dag erop kregen we een gids mee vanuit het hotel naar de startplaats voor het gorillabezoek. De weg naar Bukima was abominabel slecht. De Toyota Rav4 die ik van onze chauffeur had gehuurd, raakte haast niet boven door de dikke lavastenen die overal op de hellingen van de Mikenovulkaan verspreid liggen. Tot drie keer toe moesten we hulp inroepen van voorbijgangers om de wagen over de lavastenen te helpen en onze weg verder te kunnen zetten. Je zou er de parkuitbaters gaan van verdenken dat ze niets willen doen om de weg te verbeteren, zodat ze het monopolie zouden kunnen bewaren over het transport, dat ze aanbieden aan alweer dure prijzen: bijna 200 € voor een rit van 25 km heen en terug.

In Bukima staat de parkgrens nog aangeduid met een tweetalige plaat ‘Parc National Albert – Nationaal Albert Park’. Meteen na de briefing over hoe je te gedragen bij de gorilla’s, gingen we op weg door een betoverend door natuur en mensenhanden geschapen landschap. Onder de lage wolken trok een muur van bomen de grens op tussen dierenpark en mensenwereld. Een uur lang zigzagden we door uitgestrekte aardappelvelden op aarden ruggen, niet één aardenrug per rij zoals in Vlaanderen, maar wel 3 of 4 rijen aardappelen op brede permanente ruggen. De aardappelen stonden in alle stadia van hun groei, van pas ontloken tot reeds in bloei.

Uw tijd gaat nu in

De verkenners die een uur eerder waren vertrokken om de gorilla’s te gaan lokaliseren, stonden ons al aan de prikkeldraad van de parkgrens op te wachten: ‘jullie hebben geluk, ze zitten hier op 30 meter’. Het werd dan wel 300 meter, maar inderdaad, we hoefden geen moeilijke tocht te maken om meteen oog in oog te staan met onze genengenoten. Zilverrug Nyakamwe zat op zijn kont toe te zien hoe zijn volkje zich aan het amuseren was. Ze deden allemaal of we lucht waren. De twee jongste telgen vermaakten zich kostelijk met elkaar, terwijl een paar van de vrouwtjes een boom waren ingeklommen om frisgroene scheuten te zoeken.

We zetten de mondmaskers op om de gorilla’s te beschermen tegen mensenziekten. Onze stemmen gingen over in gefluister, maar de wachters bleven gewoon doorpraten, eerst met elkaar, daarna ook in de telefoon die was overgegaan. Eén van hen had gezegd: jullie tijd gaat nu in. Exact één uur krijg je toegemeten, vanaf het eerste oogcontact met de dieren. Telkens de zilverrug zijn keelgeluid maakte dat uitdrukt dat alles veilig is, antwoordde één van de wachters.

Was het de insectenwolk die op de open bosplek boven de familie mensapen was komen hangen, of het opdringerige telefoongesprek? Vader Nyakamwe vond dat het tijd was om te verkassen. We volgden in eendenpas.

Familiespektakel

Eén van de grotere jongeren vond dat we wel wat actiever mochten zijn en kwam uitdagend dicht langs ons voorbij springen. Het begon te regenen, maar niemand nam daar aanstoot aan.

Toen de familie door dicht struikgewas verder trok, maakten we een omcirkelende beweging en kwamen zo snel weer oog in oog met hen te staan. Nyakamwe trok moeiteloos een boom tegen de grond, en door de horizontale takken ontstond zo een ware speeltuin met dwarsbalken om krachttoeren op uit te halen. De pater familias zag dat het goed was, en ging languit een dutje doen, terwijl zijn kroost ons hun beste spektakel te zien gaf.

Ik werd er stil van. Daar lag een spierenbundel van 200 kg zonder enige behoefte aan geweld te genieten van het leven. Zijn hele gezinnetje gaf zich zorgeloos over aan de meest vredevolle taferelen die ik ooit zag, in een gebied waar mensen elkaar zoveel ellende berokkenen. De tegenstelling kon niet groter zijn. Vrede bij de beesten, miserie onder de mensen.

Voor een keer

Het gevoel hield aan tot ’s anderendaags als we de terugweg naar Butembo begonnen aan te vangen. In de zwaarbewaakte enclave van de Mikeno Lodge kon niets ons deren. Veiligheid gegarandeerd, afgedwongen door machinegeweren die zo goed mogelijk buiten beeld worden gehouden. Voor een keer moest ik me niet afvragen of deze wapens tegen mij zouden kunnen worden gebruikt. Ik hoefde me voor een keer helemaal niet af te vragen of er een veiligheidsprobleem zou kunnen zijn. Daar kon me volstrekt niets gebeuren, en toch is ook dat Oost-Congo. Het voelde aan als een kunstmatige omgeving, haast een gevangenis, maar dan met de vrije mensen erin, en de aan onveiligheid blootgestelde mensen erbuiten.

Als we voor de slagboom stonden om de compound van het Virungapark definitief buiten te rijden, haalde de bewaker opnieuw zijn walkie talkie boven. Hij wou weten of we alle facturen wel hadden betaald. Hij kreeg meteen de bevestiging dat alles in orde was.

Als ik de wagen voorbij het piramidale monument van Rumangabo de weg richting Butembo liet indraaien, haalde ik diep adem en zei aan Boris: ‘Die oase van rust ligt nu definitief achter ons. Ben je klaar voor de mensenjungle?’ Hij zei van wel, maar wat daarop zou volgen, kon geen van ons beiden op dat moment ook maar vermoeden…

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3098   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur