Het einde van het conflict over het internationaal stakingsrecht?

In november vorig jaar eindigde de Raad van Bestuur van de ILO in volle crisis. Het conflict tussen werknemers en werkgevers over de interpretatie van het stakingsrecht was helemaal open gebarsten. Nadat de werkgevers in 2012 het stakingsrecht op internationaal vlak niet meer erkenden, werkte ook de controle op de toepassing van de normen (internationale conventies) niet meer. Die conventies zijn het hart van de ILO omdat deze internationale verdragen het wereld-arbeidsrecht bevatten. En wanneer het hart niet meer werkt… Over de crisis in de ILO schreef ik enkele artikels in MO* Wereldblog in december 2014. Hierna het vervolg…

  • © ILO Photo In bespreking met de werknemersgroep. © ILO Photo

In november vorig jaar eindigde de Raad van Bestuur van de ILO in volle crisis. Het conflict tussen werknemers en werkgevers over de interpretatie van het stakingsrecht was helemaal open gebarsten. Nadat de werkgevers in 2012 het stakingsrecht op internationaal vlak niet meer erkenden, werkte ook de controle op de toepassing van de normen (internationale conventies) niet meer.

Die conventies zijn het hart van de ILO omdat deze internationale verdragen het wereld-arbeidsrecht bevatten. En wanneer het hart niet meer werkt… Over de crisis in de ILO schreef ik enkele artikels in MO* Wereldblog in december 2014. Hierna het vervolg…

Niet naar het Internationaal Gerechtshof van Den Haag

Nadat meerdere onderhandelingspogingen sedert 2012 mislukt waren, formuleerde directeur-generaal Guy Ryder na consultaties met regeringen, werkgevers en werknemers een pakket voorstellen. De kern was de verwijzing van het dispuut naar het Internationaal Gerechtshof van Den Haag, een mogelijkheid die in de grondwet van de ILO voorzien is. De vraag zou zijn: ‘Maakt het stakingsrecht deel uit van Conventie 87?’ In deze conventie wordt het recht van werknemers en werkgevers geregeld om zich te verenigen en voor hun rechten op te komen. Dat aanvaardt iedereen maar het woord ‘stakingsrecht’ komt niet voor in Conventie 87. Wel hadden de 20 rechters en topjuristen van de expertengroep van de ILO, die jaarlijks een verslag maken over de toepassing van de conventies in de lidstaten, al gedurende 65 jaar het stakingsrecht erkend.

Regeringen en werkgevers hadden er overigens nooit een probleem van gemaakt. Tijdens de Koude Oorlog maakte het deel uit van de propaganda van het Westen tegen het Oostblok waar geen vrije vakbonden waren en het stakingsrecht niet bestond.

Maar met de val van de Berlijnse Muur in 1989 viel bij werkgevers ook het geloof in het stakingsrecht. Dat ging in crescendo tot het conflict uitbarste in 2012. Toen vorig jaar in november ten einde raad aan de Raad van Bestuur voorgelegd werd om dit dispuut door te sturen naar Den Haag, bleek dat hiertoe geen meerderheid kon gevonden worden. De werkgevers waren tegen, de werknemers voor en bij de regeringen werd nipt geen meerderheid gehaald. Europa en de Latijns-Amerikaanse landen waren voor de verwijzing, de anderen waren tegen of twijfelden. Gelukkig kwam het niet tot een stemming, maar de bespreking toonde duidelijk aan hoe de verhoudingen lagen. Een nieuw impasse was ontstaan.

Hoe uit de impasse geraken?

Het Internationaal Arbeidsbureau zelf wou het probleem oplossen met een resolutie tijdens de Internationale Arbeidsconferentie nu in juni, waarbij een meerderheid zich zou uitspreken over het stakingsgrecht. Maar onze drie toponderhandelaars, Sharan Burrow (de algemeen secretaris van het Internationaal Vakverbond), Raquel Gonzalez (de secretaris van de werknemersgroep van de ILO) en ik als voorzitter van de werknemersgroep zagen dit als een doos van Pandora. Al vlug zouden we in een bespreking terechtkomen over omvang en begrenzingen van het stakingsrecht en dat is internationaal gewoon niet mogelijk. Daartoe zijn de situaties te verschillend. Bovendien een meerderheid halen met een ‘tegen’ van de werkgevers over een zo delicate materie zou in de praktijk niet werken.

Stille diplomatie met werkgevers…

Dan maar opnieuw de weg op van de stille diplomatie. De week voor Kerstmis trok ik naar mijn werkgeverscollega in Kopenhagen. De werkgevers hadden dan wel de verwijzing van het dispuut naar Den Haag kunnen verhinderen maar heel erg gelukkig waren ze er niet mee, want veel sympathie kregen ze niet voor hun stugge houding. Beiden waren we het eens dat we het conflict opnieuw als sociale partners moesten opnemen.

Met de strategie om de discussie over het stakingsrecht in handen te geven van advocaten in plaats van echte werkgeversvertegenwoordigers hadden ze geen vrienden gemaakt, uiteraard niet bij de werknemers, maar ook niet bij de regeringen en zeker niet in het Internationaal Arbeidsbureau. De werkgeversorganisaties uit Europa tendeerden opnieuw naar de dialoog en namen stilaan afstand van de Angelsaksische advocatenaanpak.

Ook langs werknemerszijde drongen de leiders van de Global Union Federations bij Sharan Burrow en mezelf aan om een oplossing te zoeken voor dit conflict. Zij wilden terecht dit jaar tijdens de conferentie een ‘Aanbeveling over de transitie van de informele naar de formele economie’ stemmen en volgend jaar met goed resultaat de bespreking over de ‘Global Supply Chains’ afronden.

Na Kopenhagen kwamen we met de leiding van de Internationale Werkgeversorganisatie samen in Brussel, daarna in Genève en in februari, vlak voor de aanvang van een vergadering over dit thema schreven we één belangrijke zin: ‘Het recht van werknemers en werkgevers om industriële actie te voeren, ter ondersteuning van hun rechtmatige belangen wordt erkend door de constituanten van de Internationale Arbeidsorganisatie’. Het werd een nota van 3 pagina’s onder de titel ‘Een mogelijke weg vooruit’. Daarin stelden we samen hoe we het ganse controlemechanisme terug op gang wilden krijgen. Al eerder was een akkoord bereikt over hoe het mandaat van de 20 experten, die jaarlijks hun verslag over de toepassing van de normen maken, moet omschreven worden. Belangrijk was vooral dat we het eens waren om het stakingsrecht bij klachten, geval per geval te bekijken, daarbij steunend op de jurisprudentie in 65 jaar opgebouwd door de experten.

Daarna met de regeringen

De ILO is een driepartijenorganisatie, wij moesten dus ook rekening houden met de regeringen. De besprekingen met hen gebeurde in februari dit jaar. Er kwam een standpunt, gesteund door alle regeringen, wat uitzonderlijk is en bovendien met enkele cruciale zinnen: ‘De Groep van regeringen erkent dat het stakingsrecht verbonden is met de vrijheid van organisatie, wat een fundamenteel principe en een arbeidsrecht is van de ILO… zonder het stakingsrecht kan de vrijheid van organisatie en het recht activiteiten te organiseren met als doel de promotie en de bescherming van werknemersbelangen niet ten volle gerealiseerd worden.’ Wel stellen zij dat het stakingsrecht geen absoluut recht is en dat de voorwaarden van het stakingsrecht op nationaal vlak moeten bepaald worden. Tegelijk erkennen ze de jurisprudentie opgebouwd door de experten gedurende 65 jaar.

De lont uit het kruitvat

Zou het lukken? Zou hiermee de lont uit het kruitvat zijn? Langs alle zijden, vooral in onze werknemersgroep was er veel twijfel. Maar het Comité van de Syndicale Vrijheid dat onder meer gevallen van stakingsrecht op de tafel krijgt, lukte erin om consensuele besluiten te formuleren bij concrete gevallen van stakingsrecht, zowel in maart als in juni. Wij waren niet zeker of het allemaal zou lukken maar we maakten afspraken over hoe we deze Internationale Arbeidsconferentie konden doen lukken…

Dit artikel maakt deel uit van een reeks over de Internationale Arbeidsconferentie:

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Werknemersvoorzitter en vice-voorzitter van de IAO

    Luc Cortebeeck is werknemersvoorzitter en vice-voorzitter van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO/ILO), voorzitter van Wereldsolidariteit en adjunct-voorzitter van het Internationaal Vakverbo