Het Iraanse welkomstcomité

De verwelkoming in Iran was fenomenaal, de eerste vier dagen mochten we niets betalen, op het gênante af. Ik moest dreigen dat, indien men ons op nog iets zou trakteren, men mijn land, mijn cultuur en mijn ganse familie zou beledigen. Pas dan mocht ik een watertje betalen.

  • © MO*/Jonas Van Weerst De snelwegen zijn veelal versierd met de nationale vlag. Ik zie het in België nog niet gebeuren. (Shomal, Iran, 24/01/2016) © MO*/Jonas Van Weerst
  • © MO*/Jonas Van Weerst Winter, één van de drie seizoenen die we meemaakten tijdens de terugrit. (Noorden van Iran, 24/01/2016) © MO*/Jonas Van Weerst
  • © MO*/Jonas Van Weerst Vooraanzicht van de-nog-in-aanbouw-zijnde majestueuze villa van onze gastheer. (Shomal, Iran, 23/01/2016) © MO*/Jonas Van Weerst
  • © MO*/Jonas Van Weerst Leuk trapje. Geeft een idee hoe de villa er binnen zal uitzien. (Shomal, Iran, 23/01/2016) © MO*/Jonas Van Weerst
  • © MO*/Jonas Van Weerst Zij die niet (nu) gaan sterven, groeten u. (Shomal, Iran, 23/01/2016) © MO*/Jonas Van Weerst
  • ©MO*/Jonas Van Weerst Wij platte band, onze buren sneeuwpret.Tja. (Noorden van Iran, 24/01/2016) ©MO*/Jonas Van Weerst
  • © MO*/Jonas Van Weerst Mustafa, de selectieheer der schapen, en ikzelf aan de Kaspische zee. (Shomal, Iran, 23/01/2016) © MO*/Jonas Van Weerst
  • © MO*/Jonas Van Weerst Onze gastheer met één van zijn zelfontworpen luchters. Zelf was hij iets minder tevreden over het ontwerp. (Shomal, Iran, 24/01/2016) © MO*/Jonas Van Weerst

Mijn vriendin had me tijdens verschillende gesprekken voorafgaand aan ons vertrek gewaarschuwd voor de enorme vriendelijkheid en generositeit van de Iraniërs. Soms was die vriendelijkheid Tarof, af en toe was ze gemaakt, maar meestal was ze echt.

Tarof is een complex spel van Iraanse etiquette. Hier slaat men aanbiedingen op een beleefde manier af, ook al wil de persoon in kwestie die niet afslaan. Zo is het gebruikelijk dat een taxichauffeur je geld eerst niet wil aannemen opdat jij dan zou aandringen om het toch aan te nemen, wat die chauffeur dan uiteindelijk doet. De Nederlandse correspondent in Iran, Thomas Erdbrink, heeft dit op schitterende wijze laten zien in zijn niet te missen documentairereeks ‘Onze man in Teheran’.

De buurman

Op de vlucht van Istanboel naar Teheran kreeg ik al een voorsmaakje van die vriendelijkheid en generositeit. Nadat ik getuige was geweest van de eerder gebruikelijke beleefdheid bij het elkaar helpen inladen van koffers in de laadruimtes, deed mijn Iraanse buurman alle eer aan de beroemde vriendelijkheid van zijn volk. Eerst en vooral verwelkomde hij me op de vlucht. Of op mijn plaats. Of was het al een vervroegde welkom in zijn land, ik weet het niet. Alleszins was hij heel beleefd en vriendelijk. Niet ongewoon tijdens een vlucht met het vliegtuig, maar leest u gerust verder, het komt nog. Daarna hielp hij ons een drietal keer met het verplaatsen van een aantal van onze tassen van laadruimte naar laadruimte.

De mensen van Iran hadden me vier dagen lang getrakteerd op hun wereldberoemde gastvrijheid.

Uiteraard maakten we kennis, stelden we onszelf voor en vroeg hij me of het de eerste keer was dat ik naar Iran ging. Ook vragen over wat we gingen doen, in welke stad Sami’s familie woonde, welk werk ik uitoefende et cetera passeerden de revue.

Ondertussen stelde hij Sami nog eens gerust door mee te delen dat ze haar rusary (hoofddoek) maar diende te dragen op het moment dat ze het vliegtuig via de trap verliet en dus niet vanaf het moment we het Iraanse luchtruim binnenvlogen. Tja, dat zijn van die details die in Iran niet onbelangrijk zijn.

Maar wat ik echt touchant vond, was het moment waarop hij zonder verpinken mijn dienbordje naar beneden klapte toen ik worstelde met het aannemen van mijn eten. Ik was net iets aan het opbergen en was overrompeld toen de stewardess op machinale wijze het eten doorgaf. Ik wist niet goed wat te doen met de hele situatie. Het lukte maar niet dat ding dat ik moest opbergen, op te bergen. Kortom, ik zat in de problemen. Maar daar was hij dan: de helpende hand van mijn Iraanse buurman. Hopla, dienblad naar beneden en tegelijkertijd de stress van de situatie weggenomen. Hij zocht zelfs niet naar een bevestigend antwoord van mij, in de vorm van een glimlach, een goedlachs knikje, een woord van dank, neen, dat hoefde allemaal niet. Hij zag dat ik in de problemen zat en hielp me. Simpel.

Dat was lang niet alles. Bij het landen vroeg hij in welk deel van Teheran we verbleven. Toen hij vernam dat we naar een totaal andere richting dan hijzelf moesten, legde hij zich daar kennelijk bij neer. Sami vertelde me dat hij had voorgesteld om met zijn vervoer mee te rijden. Dat vervoer zou ons afzetten, ongeacht waar we moesten zijn. Onze vier grote koffers, twee trekrugzakken en vier andere tassen waren totaal geen probleem. Als je weet dat Teheran een stad met 15 tot 20 miljoen inwoners is (de meningen zijn verdeeld) en met een enorm grote oppervlakte, kan dat toch wel tellen als aanbod.

Toen de landing achter de rug was en het vliegtuig zich naar de terminal begaf, kwam de kers op de taart, de ultieme geste: hij stelde namelijk doodserieus voor om in zijn huis te logeren. In de zomer was hij daar immers nooit, hij pendelde voor zijn werk en familie tussen Teheran, Kopenhagen en Rome en in de zomertijd zat hij quasi altijd in Denemarken. Zijn huis was dus leeg. Hij kon de sleutel bij zijn buren leggen, die waren altijd thuis want op pensioen. We moesten daar maar aanbellen. Sami was helemaal niet verbaasd, bedankte hem vriendelijk en zei dat we gingen rondtrekken in Iran. Dat huis hoefde dus niet. Hij drong er verder niet op aan. Sami vertelde het me alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Toen ik haar vroeg dat dit toch een duidelijk voorbeeld van Tarof was en/of dat het gespeelde beleefdheid was (met de gok dat we misschien ‘ja’ gingen zeggen), zei ze: ‘Neen hoor, dat was echt. Hij vindt ons echt sympathiek, het was geen enkel probleem, het huis staat in de zomer toch leeg.’

Diep onder de indruk glimlachte ik naar hem en bedankte ik hem voor zoveel generositeit.

De vriendin

We hadden geluk, Sami’s goede vriendin Bahar was twee maanden geleden voor onze komst naar Iran teruggekeerd. Bahar heeft de dubbele nationaliteit, is dus Engelse en Iraanse, woont als sinds haar 24 in London, heeft daar hard gewerkt, een eigen zaakje gerund, alles verkocht en wil nu even in Teheran wonen. Zij was bijgevolg heel blij toen Sami haar vertelde dat wij een gelijkaardig plan hadden.

Bahar had haar vreugde omgezet in daden en had een taxi besteld die ons om vier uur ’s nachts van Komeini International Airport afhaalde. Die taxi bracht ons naar een kleine gemeente, niet ver van de luchthaven, net buiten Teheran, waar Bahar ons opwachtte in de riante villa van een vriend van haar. Die vriend was een succesvol zakenman, Haji genaamd. Bahar en de klusjesman wachtten ons er rond vijf uur in de ochtend op. Het weerzien tussen de dames was hartelijk en we praatten tot zeven uur in de ochtend. Om twaalf uur stonden we op en de inwonende huishoudster, de vrouw van de klusjesman, had voor een copieus ontbijt gezorgd.

De bus bleek een uur later te vertrekken. Waarom de verkoper dat niet aan de telefoon had gezegd? ‘Jullie zouden niet gekomen zijn.’

Vanaf dan speelden er zich een aantal zeer Iraanse omgangsgebruiken af die ik hieronder met plezier uitleg want ze hebben een grote invloed gehad op onze aankomst bij Sami’s familie. Het is een mix van Tarof, van formele beleefdheid, de onmogelijkheid van het afslaan van een vriendschappelijk aanbod en het gigantisch verkeerd inschatten van de afstanden in Iran.

Bahar stelde voor om naar onze gastheer te gaan, die zich in het noorden van Teheran bevond, aan de Kaspische zee. De streek heet Shomal. Hij had daar nog een buitenverblijf waar hij een andere villa aan het bouwen was. De rit, met een taxi, zou twee uur duren. Maar de bus leek ons goedkoper en avontuurlijker.

Toen Bahar naar de busmaatschappij belde om te vragen hoelang de busrit zou duren, kreeg ze te horen dat de rit vier uur duurde. De bus deed er dus iets langer over dan een taxi, wat logisch was. Probleem was dat Bahar aan de klusjesman had gevraagd om kebab te maken. We konden dat dan ook niet afslaan. Zeggen dat het nuttigen van die maaltijd ons teveel tijd zou afnemen of voorstellen om de maaltijd mee op de bus te nemen zijn zaken die je als gast niet zomaar kunt doen. Het aanbod was daarvoor te genereus.

We begonnen dus om half drie te eten en waren klaar om half vier. We maakten snel een rugzak en lieten ons door de klusjesman naar het busstation in Teheran voeren. Die rit duurde ook al een klein uurtje. Bij het busstation aangekomen bleek de bus niet om half zes maar pas om half zeven te vertrekken.

Toen Sami aan de loketbediende van het busbedrijf vroeg waarom hij dat dan niet had meegedeeld aan de telefoon, zei hij dat het antwoord op die vraag simpel was: de kans bestond er immers in dat we niet zouden afgekomen zijn. Punt. Een zowel eerlijk als eenvoudig antwoord. Op het moment zelf was het grappig, maar een vijftal uur later zou Sami de man nog vervloeken. We wachtten nog een uurtje, kochten simkaarten voor onze telefoons en moesten ons uiteindelijk nog haasten omdat de bus op ons stond te wachten. Diezelfde ticketbediende ging ons namelijk opbellen wanneer de bus vertrok, maar ook dit had hij niet gedaan.

De busrit naar de Kaspische zee

De busrit die een viertal uur ging duren, duurde uiteindelijk zeven uur en een half(!). Eerst was elf uur het aankomstuur, dan middernacht, dat veranderde naar half twee en uiteindelijk was het twee uur toen we aankwamen. Maar zoals de Iraniërs zeggen: ‘Inja Iran ast’ ofwel: ‘Dit is Iran’. Ook moesten nog een korte taxirit naar de auto van Haji nemen, die ons (midden in de nacht) langs de kant van de weg stond op te wachten.

Eerst zouden we om elf uur aankomen, dan middernacht, dan half twee en uiteindelijk werd het twee uur…

De oorzaak van onze nooit eindigende tocht? Een weg die de overheid wijselijk afsluit omdat er teveel ongelukken op gebeuren. Het was net die weg die Sami absoluut wou zien. Die weg kronkelt en wentelt zich tussen de bergen, van Teheran helemaal tot aan de Kaspische zee. Die gevaarlijke weg wordt vanaf vier uur in het Iraanse weekend (dat begint op donderdagavond) door zowel heen- als terugreizigers (veel Teherani’s komen dan terug van Shomal) gebruikt en dan gebeuren er veel ongelukken. De rijstijl van de Iraniërs is legendarisch en als getuige vanop de eerste rij kan ik plechtig zeggen dat menig hart het figuurlijk niet overleeft.

De overheid, zich goed bewust van de rijstijl van haar onderdanen, sluit die weg na een bepaald uur af voor de reizigers die naar de Kaspische zee rijden. Dus moest die bus een enorme omweg maken die uiteindelijk een kleine acht uur duurde. Dit was van in het begin zo gepland, maar het ticketbureau had verzuimd om ons dit mee te delen, bang om drie tickets minder te verkopen. Mochten wij tijd in overvloed hebben, zou deze omweg geen probleem vormen. Maar het was net onze bedoeling om eerst een tweetal dagen te bekomen in Teheran om vervolgens fit, uitgeslapen en zonder stress de familie te ontmoeten.

Het was duidelijk dat dit plan door onze ondoordachte beslissing in duigen dreigde te vallen. Daar kwam nog bij dat zowel Sami als ik allebei een stevige verkoudheid hadden, nog een cadeautje van het koude België en al zeker niet bevorderlijk voor het algemene vormpeil.

© MO*/Jonas Van Weerst

Leuk trapje. Geeft een idee hoe de villa er binnen zal uitzien. (Shomal, Iran, 23/01/2016)

De gastheer

Zoals gezegd kwam onze galante gastheer ons midden in de nacht oppikken. Hij was een geweldige man. De opgebouwde stress vervloog al gauw toen we toekwamen in zijn immense domein. Denk aan sinaasappelwijngaarden, denk aan driehonderd hectare, denk aan uitzicht op de zee en denk aan een enorme berg in zijn domein. ‘Sinaasappel’, trouwens een grappig woord in het Farsi: portoghal. Wanneer je het snel uitspreekt en veel te horen krijgt, hoor je al gauw ‘Portugal’.

Haji besefte dat hij een afrit te vroeg was afgeslagen. Hij bedacht zich, nam een U-bocht, toeterde een paar keer en reed in tegenovergestelde richting op de pechstrook terug. ‘Welkom in het Iraanse verkeer!’, riep hij al lachend naar de achterbank.

De volgende morgen kregen we een royaal ontbijt, opgediend door zijn (uiteraard) inwonende kokkin die samen met haar man het huishouden organiseert. Na het ontbijt kregen we een uitgebreide rondleiding in zijn nog af te werken, tja, ik kan het enkel maar ‘paleis’ noemen. Haji heeft verschillende koopcentra, één in Teheran en één in Tbilisi, Georgië.

In die koopcentra annex fabrieken maakt en verkoopt hij zijn eigen meubellijn. Een fascinerende loopbaan had die man achter de rug: begonnen als autoverkoper en daarna in de bouw fortuin gemaakt. Tijdens zijn autocarrière heeft hij een techniek uitgevonden om metaal eenvoudig te buigen en te plooien. Die techniek (of die machine, dat was me niet geheel duidelijk) verkocht hij dan aan bouwbedrijven. Maar met een jongensachtige fierheid vertelde hij stiekem erbij dat hij eigenlijk meer geld heeft verdiend met het metaalafval dan met die techniek/machine zelf. Hij maakte van dat afval namelijk nog ‘spullen’. Wat die spullen waren, bleef me ook onduidelijk. De vertaling bleef achterwege en ik heb het ook niet meer gevraagd. Hij sprak vaag van borstels, nietjesmachines en ‘andere zaken’ (ik denk aan iets industrieels).

Met dat vergaarde geld is hij grond beginnen kopen en verkopen, een klassieke business in Iran. Grond en goud zijn handelswaren die in Iran in waarde fluctueren. Dus je kan er enorme winsten mee maken op korte en lange termijn. Maar Haji vertelde dat, naarmate hij ouder wordt, hij op zijn domein wil leven met alles wat dat hem te bieden heeft: fruit, groenten, melk, kaas, boter, maar ook bezoekers zoals wij. Gesprekken, ontmoetingen, leren van mensen, dat is wat hem drijft en wat hem zo’n gulle gastheer maakt. Hij is ook nog eens dichter en ontwerper, zo ontworp hij zijn eigen luchters, lambriseringen en kaders in zijn majestueuze villa.

De slacht die niet gebeurde

Na de rondleiding had hij een verrassing, specifiek voor mij. Ik had hem, Sami en Bahar tijdens het ontbijt al mysterieus zien konkelfoezen, gevolgd door een kreet van verbazing van Sami. Toen ik vroeg wat Haji haar had toegefluisterd, vertelde ze schaapachtig dat hij een verrassing voor mij had. Ik dacht direct aan ingewanden eten (om één of andere reden had ik daar zin in) en riep: ‘Joepie, gaan we lever eten?’ Lever is één van mijn lievelingsgerechten en de Iraanse keuken beschouwt het als een delicatesse. Daardoor wordt lever op verschillende culinaire manieren klaargemaakt. Sami schrok van mijn gedachtegang en antwoordde stamelend: ‘Euh, ja, zoiets’.

© MO*/Jonas Van Weerst

Zij die niet (nu) gaan sterven, groeten u. (Shomal, Iran, 23/01/2016)

Tien minuten later kwam het er dan toch uit: we mochten mee met één van zijn vrienden, Mustafa, om een schaap te gaan kiezen. Haji ging het laten slachten als cadeau voor ons en de slacht ging op zijn domein gebeuren. Voilà, het hoge woord was er uit, we gingen een schaap slachten en opeten. Haji vroeg aan mij of ik het wel wou zien, de slacht. Die vraag stelde hij na een kleine discussie over de beste manier van slachten. Hij bracht zelf de elektrische schok ter sprake, maar gaf direct een aantal argumenten waarom dat dit allesbehalve een goede methode was. Ook een kogel in het hoofd van het schaap door een gasgeweer vond hij maar niets. Neen, de beste manier was de keel van het schaap oversnijden.

Dat was het beste, althans voor de smaak van het vlees. Het ging helemaal niet over het welzijn van het dier bedacht ik me en het zou getuigen van een onbeleefde houding ten opzichte van mijn gastheer om daarover nu te beginnen. Even speelde ik met het idee om toch een discussie, weliswaar met humoristische inslag, over dierenrechten te beginnen, maar ik bedacht me snel. Het was tenslotte een eer dat men voor ons een schaap ging slachten. Voorwaarts dus, op zoek naar een schaap.

Ik moet toegeven dat ik niet echt uitkeek naar de slacht van het schaap, maar ik had besloten om ook niet weg te kijken bij het moment suprême. Daarvoor doe je het toch, naar andere landen reizen, om je horizon te verbreden en achteraf sterke verhalen te kunnen vertellen. Sami had me verscheidene keren paniekerig gevraagd of ik het echt wel wou zien. Zij ging het alleszins niet aanschouwen en suggereerde dat ik dit misschien ook niet moest doen. Ik aarzelde maar wist dat ik toch ging kijken.

We kwamen terecht in een schapenfokkerij, in de buurt van de villa. Mustafa keurde de schapen en kwam al snel tot de conclusie dat alle mannelijke schapen te groot waren. Het waren inderdaad kanjers van schapen. Er ging teveel vlees over zijn en Mustafa wist niet goed wat ze moesten doen met al dat overtollig vlees. Haji had namelijk specifiek een mannelijk schaap besteld. Vrouwelijke schapen baren lammetjes en dat ligt moeilijk, een moeder slachten. Sami maakte er een grapje over: dat gelukkig bij de schapen de vrouwen toch meer rechten kregen dan de mannen. Mustafa antwoordde er laconiek op en zei schertsend dat het voor de vrouwen in Iran uiteindelijk toch zo slecht nog niet was. Algemene hilariteit maar Bahar, Sami en ik waren maar wat blij dat de mannetjes te groot waren uitgevallen. Immers, geen schaap, geen slacht.

In plaats daarvan gingen we naar de Kaspische zee en kochten vis. Die zagen we de visverkoper wel voor onze ogen het aquarium uithalen, doodslaan en fileren. Ik was dan toch nog de dood tegengekomen in de aanloop naar ons avondmaal. Op het strand, aan de Kaspische zee, kwam een blijkbaar heel bekende televisiepresentator ons ‘hallo’ zeggen en welkom heten in Iran. Hij zei dat hij een televisieshow had op Channel 4. Ik vroeg hem waarover zijn show ging en hij antwoordde dat het onderwerp van deze week filosofisch van aard was.

‘Wat was het dan?’, vroeg ik hem.

‘Oh, de tegenstelling tussen het altijd bereikbaar zijn en de onvermijdelijke eenzaamheid die daarmee gepaard gaat. En ook nog over het misverstand tussen gelukkig zijn en dingen kopen. Dat soort zaken.’

Ik stamelde dat net die zaken eigenlijk de hoofdoorzaak van ons vertrek uit België waren. Dat vond hij dan weer interessant. We namen nog wat foto’s en vertrokken terug naar Haji’s domein.

De alcoholdealer kwam die avond nog langs en onze gastheer, genereus zoals hij was, kocht voor ons een aantal biertjes en twee flessen rode wijn. Zelf drinkt hij niet.

De terugrit op de beruchte weg

De dag erop reden we terug naar Teheran in de luxueuze Lexus-jeep van Haji. De beloofde drie en een half uren werden er uiteindelijk zes wegens achtereenvolgens een uit de hand gelopen business meeting van Haji (hij moest ergens een handtekening gaan zetten maar de bureaucraten waren zelf te laat), een platte band, een kleine aanrijding en een lange file.

De langere tocht kon alleszins niet liggen aan de rijstijl van Haji want hij was een volleerd Perzisch chauffeur. Zo heb ik het mogen meemaken vanop de achterbank dat Haji besefte dat hij een afrit te vroeg was afgeslagen. Hij bedacht zich snel, nam een U-bocht op diezelfde afrit, toeterde een paar keer en reed dan in tegenovergestelde richting op de pechstrook terug de autostrade op. En niemand die het zelfs maar abnormaal vond. ‘Welkom in het Iraanse verkeer!’, riep hij al lachend naar de achterbank.

Het was een prachtige rit. Haji had ons beloofd dat we tijdens de rit de vier seizoenen gingen meemaken en die belofte werd waarheid, op de zomer na. We vertrokken bij een stralend lentezonnetje uit het noorden. Na een tweetal uren rijden voelde het heel erg herfst aan, met bomen die niet (nog) niet aan het bloeien waren en een miezerige regen. Een half uur daarna zaten we tussen de bergtoppen, met 20 cm sneeuw en hagel. Het was daar dat we een lekke band reden.

De taxirit Teheran – Isfahan

Toegekomen in Teheran was het al donker en kon ik er geen seizoen meer aan vastplakken, behalve dat het warm was. We kwamen uiteindelijk om zeven uur aan in de andere villa van Haji, waar Bahar ons twee dagen ervoor zo hartelijk had ontvangen. Dit was echter het uur waarop Sami had willen toekomen in Isfahan. De rit Teheran – Isfahan duurt een kleine zes uur.

De bedoeling was om fris, monter, zonder zorgen en piekfijn uitgedost toe te komen bij de familie in Isfahan. Nu hadden we er net een rit van zes uur opzitten, waren we bezweet, moesten we direct wisselen van auto (de taxichauffeur kwam immers toe op hetzelfde ogenblik als wij), hadden we stress (Hebben we alles wel mee? Waar is mijn laptop? Ik vind mijn mooie schoenen niet!) en dienden we op de koop toe nog eens plaats te nemen in een veel te kleine auto, een Peugeot driehonderdenikweetniethoeveel. We hadden namelijk belachelijk veel bagage mee, we waren voorbereid voor een tweetal jaar. Zo brachten we zelfs onze tent mee, sleurden we elk twee grote reiskoffers aan onze armen en waren we behangen met zakken, tassen en heuptasjes. Gelukkig was de Peugeot een model met koffer, maar dan nog, we zaten als spreekwoordelijke sardienen in het blik maar het voelde meer aan als ratten in de val. We hadden nochtans een volumewagen besteld, maar tja, ‘Inja Iran ast’.

De taxichauffeur was een uiterst vriendelijke man, een Taekwando-instructeur. Het taxibedrijf waarvoor hij werkte had hem op het laatste ogenblik nog opgeroepen wegens een tekort aan chauffeurs. Hij had daardoor geen tijd gehad om zijn Taekwando-studenten te verwittigen dat de les was afgelast en kreeg daardoor het ene na het andere telefoontje van boze en ongeruste moeders, telefoontjes die hij telkens beleefd afhandelde. Alleszins, de brave man stelde voor om onderweg niet te eten, dan konden we de rit verkorten tot 4,5 uren. We stemden allebei toe, maar niet zonder eerst eens goed te lachen met onszelf. Alles wat we gepland hadden, was in duigen gevallen. Dag gezellig avondmaal, met uitgebreide kennismaking, dag mooie kledij, dag uitgeslapen geest. Neen, het werd een haastige bedoening waarbij ik heel laat, kapot en met fameuze nekpijn (wegens het meermaals in slaap vallen in de auto) mijn schoonfamilie ging ontmoeten.

De zus van Sami, Sohyla, en haar dochter, Sahel (het lievelingsnichtje van Sami), hadden allebei zelfs vrijaf genomen om ons te verwelkomen. Meer zelfs, de zus had expliciet gezegd dat, indien de aankomst laat zou worden, ze de volgende dag verlof zou nemen. Dan kon ze overdag werken. De westerse zondag is namelijk een normale werkdag in Iran, vrijdag is daar de rustdag. Zo konden ze ’s avonds doorkletsen. Allemaal in het water en Sami voelde zich behoorlijk rot. Soit, de sfeer zat er ondanks alles toch nog in en dat was het belangrijkste.

De schoonfamilie

We kwamen pas toe om kwart voor elf maar de ontvangst was des te hartelijker vanwege het lange wachten en de stress verdampte dan ook terwijl we erbij stonden. De papa omhelsde me, gaf me drie kussen en noemde me ‘My friend’. Sohyla en Sahel omarmden me alsof ik een broer was. De mama van Sami had net een aantal serieuze operaties achter de rug gehad, lag al twee maanden plat in bed en moest er nog een drietal weken in verblijven. Bij de omhelzing keek ze me indringend aan en fluisterde me verscheidene keren ‘Thank you, thank you’ toe. Mijn hart smolt, ik wist niet waarom.

Dacht ze dat ik de oorzaak was dat Sami na drie jaar afwezigheid terug was? Of bedankte ze me omdat ik mijn job had opgegeven om mee te gaan met haar dochter en voor langere tijd bij haar, in Isfahan, te zijn? Ik wist het niet en het deed er ook niet toe. De mensen in Iran hadden me vier dagen lang getrakteerd op hun wereldberoemde gastvrijheid en ik voelde me daardoor thuis, vereerd en gezegend.

Inja Iran ast.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Op avontuur

    Jonas Van Weerst is een dertiger die, samen met zijn vriendin, besloten heeft om zijn job als leraar op te zeggen en te kiezen voor een avontuur in Vietnam. Of in Cambodja.