Het leven van een talibé: een les in nederigheid of pure uitbuiting?

Op elke straathoek kom je ze tegen een groepje, blootvoetse kinderen met vuile en gescheurde kleren die grote tomatenblikken rondsleuren. Het zijn talibés - het woord leerling in de lokale taal Wolof- die voor een maraboet (hun geestelijke leider) de straten afschuimen op zoek naar geld of eten. Gaat het hier om een les in nederigheid of is dit complete uitbuiting?

Toubabs - Wolof voor vreemdelingen - zijn de geliefde “slachtoffers” van de talibés. Met veel moeite wimpel ik dan ook dagelijks tientallen bedelende kinderen af met de woorden: ‘Amuma Xaalis’. Wat zoveel betekend als ik heb geen geld. Een ware leugen die aan mijn geweten knaagt! Mijn actie rationaliseer ik daarom ook met de gedachte dat ik niet wil bijdragen aan “het systeem” en het evenmin in stand wil houden.

Het systeem waar maraboets onder het mom van religie, zichzelf verrijken op de rug van onschuldige kinderen. De horrorverhalen over de gruwelijke lijfstraffen die talibés ondergaan als ze terugkeren naar de daara’s (koranschool en slaapplaats van de talibés) met onvoldoende geld of eten, doen me echter twijfelen aan mijn handelen. Wat hoort een mens dan ook te doen als een talibé om een miezerige 100 CFA (0,15€) smeekt?

In mijn zoektocht naar meer begrip rond het fenomeen en naar de meest geschikte reactie - geef ik geld, eten of doe ik niets - als een talibé me benaderd, ga ik op bezoek bij twee projecten van “Afractiea”. Een eerst project “Djar Djal” genaamd in de stad Thiès (mijn woonplaats), en een tweede project “ATAX” in de wijk Yoff in Dakar. Beide projecten worden gefinancierd door Belgen, maar worden volledig geleid door Senegalezen (zoals het volgens mij ook hoort)!

Atax en Djar Djal zijn opvangtehuizen, waar de talibés dagelijks terecht kunnen voor het ontbijt, een douche, medische verzorging, lessen Frans en gewoonweg enkele uren per dag in een veilig en vertrouwde omgeving weer kind MOGEN zijn. In beide projecten mag ik een voormiddag meedraaien en krijg ik de kans om enkele talibés en maatschappelijke werkers uit te horen.

Enchanté, moi je suis un talibé

Bij het binnenstappen van het opvangtehuis “Djar Djal” worden de rumoerige kinderen muisstil en wordt ik met argusogen aangekeken. De ijzige stilte wordt al snel onderbroken door één deugniet die met een volmaakte glimlach het woord TOUBAB naar mijn hoofd durft te slingeren en waarbij de kinderen allemaal in het lachen uitbarsten. De toon is gezet!

De kinderen genieten net van hun ontbijt en terwijl ik kennis met ze probeer te maken zijn ze meer geïnteresseerd in de spelletjes op hun gsm dan in de vragen die ik hen probeer te stellen. Ik stap dan maar over op observatie en richt mijn vragen aan de verantwoordelijke die Pape heet.

© Jennifer da Paixão

Bij ‘Djar Djal’ genieten de kinderen van hun ontbijt.

Het wordt pijnlijk duidelijk dat de kinderen echt héél jong zijn. De jongste kinderen zijn nog geen 5 jaar oud en de iets ouderen schat ik zo’n 12 jaar.

Pape legt uit dat de kinderen voornamelijk afkomstig zijn uit Guinée Buisau en reeds op jonge leeftijd door hun ouders naar Senegal worden gestuurd om als talibé de koran te leren. De kinderen die verondersteld worden de islam te leren, brengen echter vele uren op straat door. De maraboet verwacht namelijk dat de kinderen dagelijks bedelen om geld, ongekookte (herverkoopbare) rijst en suiker om zo hun levensonderhoud in de daara’s te kunnen bekostigen.

De kinderen worden op die manier voortdurend blootgesteld aan alle gevaren van de straat. Ze moeten daarenboven hun ontbijt, middag- en avondmaal bijeen zien te sprokkelen. Voor het ontbijt kunnen de talibés terecht in de opvangtehuizen, maar voor de overige maaltijden zijn ze aangewezen op het eten dat ze van toevallige voorbijgangers op straat krijgen. De kinderen moeten zich met overschotjes tevreden stellen en krijgen op die manier niet de broodnodige vitaminen binnen die noodzakelijk zijn voor hun groei.

Op vaste tijdstippen, waaronder voor het 5 dagelijkse gebed en het reciteren van de koran dienen ze naar de daara’s terug te keren. Wie niet op tijd is of op het einde van de dag onvoldoende geld of eten bij elkaar heeft gebedeld, krijgt het letterlijk en figuurlijk aan de stok met de maraboet. De kinderen leven hierdoor in contante angst en hebben, door hun uitzichtloze situatie, vaak geen toekomstperspectief.

Zij die weglopen van de daara’s of niet terugkeren omdat ze onvoldoende geld hebben verzameld, slapen op straat. Ze durven niet naar huis, aangezien ze bang zijn dat hun ouders hen terugsturen. In de daara’s wacht hen namelijk een zeer pijnlijke lijfstraf die ervoor moet zorgen dat het weglopen een eenmalige gebeurtenis blijft.

© Jennifer da Paixão

Bedelende kinderen in Thiès.

Senegalese tradities

Bij ATAX legt de verantwoordelijke Mamadou Keita uit dat de problematiek omtrent de talibés héél ingewikkeld is, aangezien het met de islamitische religie en de Senegalese cultuur verweven is. Om de situatie volledig te vatten is het volgens hem belangrijk om te begrijpen waarom een kind überhaupt mijlenver wordt weggestuurd en door zijn1 liefdevolle ouders wordt toevertrouwd aan een (vaak) uitbuitende maraboet.

1 Men heeft het inderdaad om zijn en niet haar ouders, aangezien meisjes geen talibés kunnen zijn. Zij die naar de koranschool gaan, keren na de middag terug huiswaarts. Het traditionele rollenpatroon houdt nog sterk stand in Senegal! Meisjes/vrouwen horen daarom thuis te zijn en van hun moeder te leren hoe ze het huishouden “runnen” voor wanneer ze in de toekomst intrekken bij hun schoonouders.

De oorsprong van de talibés en daara’s vindt men terug in de koloniale geschiedenis van Senegal. Toen de Fransen hun weg zochten in Senegal en de missionarissen hun zinnen hadden gezet op het bekeren van de bevolking naar het christendom, wilden de Senegalezen niets liever dan zich hiertegen verzetten! Om hun islamitische geloof en bijhorende gebruiken zo goed mogelijk te beschermen, stuurden de Senegalezen hun kinderen naar rurale gebieden om onder het rekenschap van een maraboet de islamitische leer aangeleerd te krijgen en deze in stand te houden.

In de oorspronkelijke rurale daara’s diende de kinderen mee op het veld te werken in ruil voor de koranlessen en voor hun kost & inwoon. De kinderen leerden op die wijze de cruciale waarden zoals geduld, nederigheid, vrijgevigheid en het delen met anderen. De economische crisis en landbouwcrisis zorgden ervoor dat de oorspronkelijk, rurale daara naar een “urban setting” verschoof. De extreme droogte waarmee Senegal geconfronteerd wordt zorgde er immers voor dat landbouw, de voornaamste inkomens genererende activiteit, niet meer voldoende geld en voedsel opleverde.

Terwijl kinderen in de daara’s op het platteland op het veld werkten, worden ze in de stad verplicht om op straat te bedelen.

Vele ouders die hun kind naar een daara sturen zijn zelf talibé geweest en baseren zich op hun ervaring op het plattenland. Talibé zijn, is een wijze van religie beleven die men wenst voor het eigen kind en het wordt dus (traditie) van generatie op generatie doorgegeven. De daara’s en talibés in de context van een stad zijn echter helemaal anders. Terwijl kinderen in de daara’s op het platteland op het veld werkten, worden ze in de stad verplicht om op straat te bedelen.

Een tweede oorzaak is het feit dat veel Senegalese gezinnen in extreme armoede leven. De islamitische religie schrijft voor dat de man met meerder vrouwen mag huwen. Zo mag een man die polygaam is met maar liefst 4 vrouwen huwen, indien hij er de fysieke en financiële mogelijkheid toe heeft. In de realiteit worden deze voorwaarden niet steeds gerespecteerd en zijn er mannen die met meerdere vrouwen huwen zonder dat ze dit financieel kunnen bolwerken.

Gehuwd zijn met meerdere vrouwen leidt er ook toe dat Senegalese gezinnen groot zijn. Kinderen worden in de Senegalese cultuur bovendien als een investering gezien, die zijn vruchten zal afwerpen wanneer de ouders met pensioen gaan. Een Senegalees gezin kan zodus al snel uit meer dan 20 gezinsleden bestaan, wat het moeilijk maakt om al deze monden te voeden. Een kind wegsturen om als talibé onder de hoede van een maraboet te leven en studeren kan enige soelaas bieden.

Worden wat je ooit verafschuwde

De talibés genieten geen regulier onderwijs, wat op latere leeftijd problemen oplevert bij de zoektocht naar werk. Het is sowieso niet gemakkelijk om werk te vinden in Senegal. Een bewijs hiervan is de hoge emigratiegraad. Vele jongeren ontvluchten het plattenland om naar de stad of Europa te trekken en er werk te vinden. Met de beperkte capaciteiten die de talibés hebben, wandelen ze al snel in de voetsporen van hun leraar. De koran reciteren is nu eenmaal iets dat ze bij wijze van spreken met de paplepel is meegegeven en dat ze kunnen doorgeven. Het enige dat nog rest, is het “recruteren” van enkele kinderen en een daara. Een kleine investering die met zekerheid rendeert.

Een marabout “vedient” maandelijks ongeveer 1300 euro. Veel geld als je weet dat het wettelijke minimumloon in Senegal rond de 60€ ligt.

Een simpele rekensom toont aan dat een maraboet zijn een gemakkelijke en goede broodwinning is! Een maraboet “ontfermt” zich over zo’n 100 kinderen. Ongeveer een kwart van deze kinderen is vijf jaar en brengt dagelijks 250CFA (0.37€) ieder binnen, de overige 75% is ouder en zorgt individueel voor een dagelijks bedrag van 500 CFA (0.75€ ). Per dag ontvangt de maraboet in totaal zo’n 65,5 euro.

De talibés zijn verplicht om vijf dagen per week te bedelen, donderdag en vrijdag hebben ze namelijk rust en moeten ze enkel voor hun eten zorgen. Wekelijks ontvangt de maraboet dus 327,5 euro, wat gebaseerd op een maand met 4 weken een maandelijks bedrag van 1310 euro oplevert. Dit is veel geld als je weet dat het wettelijke minimum maandloon in Senegal tussen de 38.100 CFA (57,15€) en de 43.500 CFA (65,2€) ligt.

De onkosten die de maraboet maakt zijn daarentegen nihil. De maraboet investeert namelijk niet in de daara en voorziet ook geen water of elektriciteit. De daara’s zijn werkelijk smerig, slecht beschut tegen de regen en muggen en zijn onvoldoende uitgerust om er honderden talibés te laten slapen. De kinderen lopen er dan ook afschuwelijke infecties en huidziektes op, die onbehandeld blijven.

© Jennifer da Paixão

Daara in Yoff

Hoop

Bij Atax hebben ze een nieuwe project op poten gezet, namelijk “Un talibé, un métier”. De talibés krijgen hierdoor de kans om aan te geven welk beroep ze graag zouden willen uitoefenen. Op donderdag en vrijdag, de dagen dat ze niet moeten bedelen, kunnen ze op die manier bij Atax een echte ambacht leren.

De verantwoordelijke Mamadou Keita vertelt me dat de kinderen zeer gemotiveerd zijn en een vorm van trots vinden in hun werk. Atax kiest hier voor een persoonlijke aanpak en praat met de jongeren over hun toekomst en noemt ze bij hun naam in plaats van dat ze steeds talibé genoemd worden zoals op straat. Bij Atax zijn ze er namelijk van overtuigd dat als ze de kinderen enige werkethiek en zelfvertrouwen bijbrengen dat ze op later leeftijd niet voor het werk als marabout zullen kiezen. De kinderen moeten leren begrijpen dat ze moeten werken voor hun geld. Bij Atax krijgen sommige talibés daarom ook een kleine duit voor de klusjes die ze er uitvoeren.

Mamadou beantwoord hiermee dan ook meteen mijn prangende vraag: Wat doe je als een talibé je om een miezerige 100 CFA (0,15€) smeekt? Hij raadt aan de kinderen geen geld te geven. Je kan ze beter eten geven dan geld. Met het geven van een stuk fruit weet je zeker dat enkel zij er van zullen genieten en niet de marabout. Nog veel belangrijker, zegt hij, is dat je niet negatief bent naar de kinderen toe, maar net zoals eender wie je op straat tegenkomt hen ook een goede morgen, -middag of -avond toewenst.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3098   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift