De bus naar Nairobi, tegelijk onthutsend en geruststellend

Op een glasheldere vrijdagochtend eind maart, stap ik op de bus in Arusha, Noord-Tanzania, richting Nairobi, Kenia. Een rit van ongeveer zes uur, langs een kleine grenspost en doorheen de savanne. Op die bus kwam ik tot een onthutsende en tegelijkertijd geruststellende conclusie.

  • © Elke Van dermijnsbrugge Stamhoofd in shuka naast internationale studente in Tanzania © Elke Van dermijnsbrugge
  • © Elke Van dermijnsbrugge Savanne Noord-Tanzania © Elke Van dermijnsbrugge
  • © Elke Van dermijnsbrugge Dar Es Salaam © Elke Van dermijnsbrugge

Dagelijks pendelen er busjes van Arusha naar Nairobi in beide richtingen. Tanzanianen en Kenianen die aan beide kanten van de grens iets te zoeken hebben, muzungu’s (blanken), zakenmannen, jongeren op weg naar een nieuw leven of terugkerend naar een oud dat ze liever hadden achtergelaten. Hoe dan ook, de passagiers bewegen zich van de ene extremiteit in de andere.

Van het rurale Noord-Tanzania waar Maasai met hun kuddes geiten en runderen door de savanne trekken tot de hypermoderne drukte van Nairobi met shoppingcentra, 3D bioscopen en clubbing. Het is een illustratie van groeiende extremen, ook op het Afrikaanse continent. Onthutsend, maar ook geruststellend. 

Precious

Voor me op de bus zit een jonge, hippe Tanzaniaanse vrouw met een fascinerend kapsel. De zijkanten in lijnenmotief geschoren, bovenop haar hoofd twee rode vlechten die reiken tot halverwege haar rug, in schril contrast met haar donkere huid. Ze heeft een Michael Kors handtas bij zich en terwijl ze mijn hand schudt, word ik verblind door de weerkaatsing van de zon in haar sieraden. ‘Precious’ is de naam, zegt ze.

Rechts van mij en in volle gesprek zit een Indiase zakenman, strak in het pak, glimmend zwarte schoenen. Hij tokkelt en ‘swipet’ er stevig op los, op twee iPhones tegelijkertijd. In de ene ratelt hij in Hindi, in de andere in Swahili. Ik vang flarden van het gesprek op: ‘too expensive’, ‘hapana rafiki’, ‘deal’, ‘kesho.’

Er is vanouds een grote Indiase gemeenschap in Oost-Afrika. Zij domineren de handel, hebben een uitgebreid netwerk en beschikken over kennis die het de Tanzanianen in sommige domeinen ontbreekt. Daarom is er, evenwel als vanouds, sprake van een lichte spanning tussen de Indiërs en de Tanzanianen. 

© Elke Van dermijnsbrugge

Stamhoofd in shuka naast internationale studente in Tanzania

Bethlehem

Stilletjes en ruim op tijd stapt ook een non de bus op. Haar plek is naast de Indiër. Ze beweegt zich behoedzaam, als onder water, en knikt bedeesd naar haar buurman. In haar blauwe overjas en lichtblauwe kapje probeert ze een te worden met de vaalgrijze voering van haar zitje. Nadat ze haar laatste beetje chapati heeft verorberd, prevelt ze zangerig voor zich uit. Ik hoor ‘Bethlehem’ en tenslotte het rinkelen van haar mobiele telefoon. Een oude Nokia met gebarsten scherm. Ze blijkt niet naar Bethlehem, maar naar haar thuis in Nairobi te gaan. 

Net op de valreep sprint er een jonge Tanzaniaan de bus op, gekleed in baggy jeans, felgekleurd T-shirt, met daarover een traditionele shuka, de geruiten omslagdoek die eigen is aan de Maasai. Hij werpt snelle blikken op zijn telefoon en eenmaal gezeten haalt hij zijn blits uitziende koptelefoon boven.

In zijn kielzog volgt als laatste een zeer gezette man die een plastic draagmandje bij zich heeft, tot de rand gevuld met eten. Honger zal hij alvast niet lijden, tijdens deze rit.

© Elke Van dermijnsbrugge

Savanne Noord-Tanzania

Bril

En daartussen zit ik, niet goed wetende wat ik precies ben tussen alle rest. Ik kijk ietwat jaloers naar het plastic draagmandje, denkend aan de verbrijzelde müeslireep die al net iets te lang in mijn rugzak zit, vergezeld van een in de haast gesmeerde boterham met confituur, die intussen is verpletterd door mijn boek. 

Zo vertrekken we naar Nairobi, een stad met een bijzondere en wisselende reputatie, afhankelijk van wie erover oordeelt.

Extremisme zit, in tegenstelling tot wat velen denken, niet alleen in godsdienst, maar in elke laag van onze maatschappij. 

Het was mijn eerste echte stadsbezoek na acht maanden in de savanne en ik had het genoegen om de groene en residentiële kant van de stad te zien. Ik bezocht twee anders bijzonder gehate shoppingcentra en ‘genoot’ van de geuren, het glas droge witte wijn, de tjokvolle boekhandel, de supermarktrekken met een aanbod waarvan ik licht begon te duizelen. Ik ging naar de cinema en antwoordde laconiek ‘I have contacts’ op de vraag of ik een bril wenste. Ik ging voor de eerste keer naar een film in 3D. In goed gezelschap dronk ik champagne bij het ontbijt.

Extremisme zit, in tegenstelling tot wat velen denken, niet alleen in godsdienst, maar in elke laag van onze maatschappij. 

Tanzania is een goed voorbeeld van een land dat enerzijds zijn best doet om de weg op te gaan van materiële en economische welstand, hetgeen vooral zichtbaar is in Dar Es Salaam, waar een aantal buitenlandse winkelketens vertegenwoordigd zijn en de infrastructuur zichtbaar meer gesofistikeerd is. Maar anderzijds is er in de rest van het land nog steeds een bijzonder groot draagvlak voor historische tradities en cultuur.

Afgelegen regio’s zijn ruraal, hebben weinig middelen voorhanden en importproducten zijn extreem duur, waardoor die welstand waarvan eerder sprake, blinkt in afwezigheid. De kloof tussen Dar Es Salaam en grote delen van de rest van het land is bijzonder groot. 

De kloof tussen Dar Es Salaam en grote delen van de rest van het land is bijzonder groot. 

Het contrast met het Europese continent kan op het eerste gezicht niet groter zijn. Maar tijdens de busrit kwam ik tot de vaststelling dat die extremen binnen Tanzania, maar ook met en in buurland Kenia, in alle hoeken van de wereld te vinden zijn. Hoe verder we economisch en materieel evolueren, hoe groter de extremen: in denken, in doen, in steden en dorpen.

Er is in wezen weinig verschil tussen de religieuze fanatiekeling die vredelievend onder moeders beschermende vleugels werd opgevoed en het gezin dat op zaterdagavond met z’n allen, bril op de neus, naar Beauty and the Beast gaat kijken en op zondag de rust en stilte van de Ardense bossen gaat opzoeken. Tussen de Maasai die gekleed gaat in traditionele shuka, maar daaronder een paar sneakers en baggy pants laat zien. 

Alleen zijn onze drijfveren anders en is er helaas, wanneer het over de religieuze fanaat gaat, een onmiddellijk gevaar voor het leven van anderen.

© Elke Van dermijnsbrugge

Dar Es Salaam

Tijd

Deze extremen, die verder gaan dan een eclectisch exotisme, zorgen voor zichtbare verwarring: mensen die niet meer weten van welk hout pijlen te maken en die ‘niks willen missen’. Het leidt tot ontspoord denken, tot te snel handelen, tot zichzelf en anderen in gevaar brengen. Het is verontrustend.

Wij zijn veroordeeld tot onze eigen dood en wachtten ongeduldig af, want we haasten ons van de bossen naar de stad en van de savanne naar de abstracte kunst.

Ik word er zelf niet menslievender op, maar toch, rondkijkend in de bus en de passagiers gadeslaand, kom ik tot het besef dat die absurde extremen op een of andere manier noodzakelijk zijn. Het houdt de dingen in balans, het zal ervoor zorgen dat de mensheid er uiteindelijk en hopelijk vanzelf het bijltje bij neerlegt. Wij zijn veroordeeld tot onze eigen dood en wachtten ongeduldig af, want we haasten ons van de bossen naar de stad en van de savanne naar de abstracte kunst. Ikzelf inclusief.

Ik houd van de onmetelijke stilte van mijn huidige woonplek, de Oost-Afrikaanse savanne, maar ben geëmotioneerd wanneer ik een Ensor of een Magritte in een Belgische tentoonstellingsruimte kan bekijken en laat me graag overweldigen door de cityscape van Hong Kong of de jungle van Zuid-Oost Azië.

We haasten ons elk op onze eigen manier, de non, Precious, de Indiër, de man met het draagmandje, de hippe Maasai, de modieuze Tanzaniaanse en ik. We haasten ons onbegrijpelijk van de ene extremiteit naar de andere. Tevergeefs.

Ivo Victoria verwoordt deze tragiek mooi in zijn recentste boek ‘Billie en Seb’:

‘Alle mensen dachten wel eens dat er geen tijd was, terwijl in hun rug een eeuwigheid wachtte waarin niets of niemand zich verroerde’.  

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift