Hoog tijd om "ontwikkelings"doelen los te laten en te werken aan een post-2030 utopie

Het systeem veranderen is mogelijk, maar niet zonder bestaande machtsverhoudingen te ontwortelen

Joe Brusky (CC BY-NC 2.0)

We hebben geen ontwikkelingsdoelen nodig, we hebben een grondige systeemverandering nodig, vinden onderzoekers Mia Kristin Häckl en Julia Schöneberg.

Maak werk van een post-2030-utopie, zo stellen onderzoekers Mia Kristin Häckl en Julia Schöneberg voor. Ze reageren daarmee op de kritiek van Brecht De Smet op de tekortkomingen van het paradigma van “ontwikkeling”, en stellen voor om het globale Noorden te “on-ontwikkelen”. 'We moeten vertrekken van de veelheid aan radicale alternatieven van onderuit.'

Dit zijn bewogen tijden. Tijden waarin veelvuldige en onderling samenhangende crisissen ongelijkheid en structureel racisme aan de oppervlakte brengen. Deze diverse vormen van onrechtvaardigheid zijn niet nieuw, maar blijven doorleven en zijn steeds moeilijker te negeren.

De sdg’s begonnen als een ambitieus project: het begin van een nieuw tijdperk waarin alle landen zouden worden verenigd in een universeel – gedeeld maar verschillend – streven naar ontwikkeling. Er is veel kritiek geleverd op de manier waarop de doelen zijn geformuleerd en geïmplementeerd.

Sommige aspecten van de sdg-logica, zoals de niet langer exclusieve focus op het Zuiden en het milieu als een belangrijke pijler, zijn zeker waardevol. Maar het kernprobleem blijft onaangeroerd: het concept “ontwikkeling“ op zich, zowel het discours als de praktijk, met zijn koloniale verleden én heden, en zijn impliciete eurocentrische maatstaf waaraan alle andere landen worden afgemeten.

De crisis van de moderniteit

Agenda 2030 doet misschien wel een poging om groener en inclusiever te zijn, maar in wezen blijft het een technocratische checklist van modernistische politieke recepten. Geformuleerd in kwantificeerbare termen en gericht op lineaire vooruitgang, volgens de logica van economische groei en mondiaal kapitalisme, bestendigt dit project even sterk als voordien processen van uitsluiting, structureel imperialisme en gewelddadig extractivisme.

We mogen de agenda voor na 2030 niet opnieuw baseren op doelen en indicatoren.

Ban Ki-Moon verklaarde in 2015: ‘wij zijn de laatste generatie die een einde kan maken aan klimaatverandering.’ Maar, zoals Jason Hickel aantoont, proberen de sdg’s het onverzoenbare te verenigen: groei en duurzaamheid. We kunnen niet allebei hebben. We kunnen de niet-menselijke natuur niet meer blijven beschouwen als een te exploiteren hulpbron en ons beperken tot het “greenwashen” van onze imperialistische levenswijze.

Het einde van Agenda 2030 is al in zicht en bureaucraten bereiden zich voor op een vervolg. Maar alweer een reeks nieuwe doelen, die blijven krabben in de marge en blijven steken in het kwantificeerbare universalisme van meetbaarheid en indicatoren, zullen de meervoudige crisissen van vandaag niet kunnen oplossen. Crisissen die in feite allemaal symptomen zijn van één fundamentele crisis: die van de moderniteit.

We mogen de agenda voor na 2030 niet opnieuw baseren op doelen en indicatoren. Veel critici hebben de voorbije decennia vraagtekens geplaatst bij de vorm en de middelen van ‘ontwikkelingssamenwerking’, maar niet bij het paradigma zelf. Terwijl “ontwikkeling”, in de woorden van Miriam Lang, de facto een van de belangrijkste ‘manieren blijft om het kapitalisme uit te breiden, samen met de bijbehorende koloniale logica, die welzijn enkel gelijkstelt aan het vermogen van mensen om te consumeren.’

Wiens kennis telt?

We moeten werken aan gedurfde en radicale alternatieven voor ontwikkeling. Niet één uniforme checklist, maar meervoudige, complementaire paden naar een rechtvaardiger wereldsysteem, waarbij elk pad nauw aansluit bij de specifieke context waar het uit voortkomt.

Daarom kunnen de suggesties in deze bijdrage uiteraard ook maar een gelokaliseerde bijdrage vormen. In plaats van een universele agenda te formuleren, van toepassing voor iedereen, is de eerste stap de definitie van de “problemen” vanuit niet-universalistische perspectieven.

We moeten werken aan gedurfde en radicale alternatieven voor ontwikkeling.

Tijdens een online debat in de nasleep van de COVID-19 crisis, waarschuwde Sabelo J. Ndlovu-Gatsheni dat dezelfde kennis die heeft geleid tot de huidige crisissen niet de kennis kan zijn die ons uit deze crisissen kan leiden. Hij vroeg: ‘Naar welke kennis luisteren we? Wiens kennis telt?’

Langs welke lijnen – sociale, politieke of economische – we ook denken in de richting van een post-2030 utopie, we mogen niet hervallen in de aloude hiërarchische onderverdeling van de wereld in “ontwikkelde” en “on(der)ontwikkelde” landen of regio’s.

Een utopie die hier en nu begint

Laten we een visie voor na 2030 vooropstellen die utopisch is van bij de start, en voor sommigen waarschijnlijk ook ongemakkelijk. Onlangs sprak de Duitse feministische schrijfster, Theresa Bücker, over de noodzaak van meer gedurfde eisen, van utopieën.

Utopia, bekend van het satirische essay van Thomas More uit 1516, heeft een dubbele betekenis: vanuit de Griekse oorsprong van de term verwijst het naar ‘nergens’, terwijl de etymologisch verwante term Eutopia ‘goede plek’ betekent. In wezen is een utopie een perfecte plek die niet bestaat.

Maar waarom zou het niet kunnen bestaan? Bücker dringt er op aan om utopie niet individueel, maar collectief te denken: een goede plek voor iedereen. De gemene deler voor een mondiale utopie is eenvoudig maar tegelijkertijd complex: een goed leven moet mogelijk zijn voor iedereen (mens en niet-mens), op verschillende locaties, in verschillende tijdskaders, en volgens endogene – of de eigen lokale – definities van behoeften.

Een goed leven moet mogelijk zijn voor iedereen (mens en niet-mens), op verschillende locaties, in verschillende tijdskaders.

In een onderling verbonden wereld betekent dit natuurlijk dat niet iedereen kan leven zoals hij, zij of die wil. We kunnen de milieu- en menselijke kost van ons systeem niet blijven afwentelen op andere werelddelen en toekomstige generaties. Er bestaat niet zoiets als het recht op een goedkope vlucht, om maar een voorbeeld te geven.

Voor velen van ons betekent dit onvermijdelijk dat we onze privileges onder ogen moeten komen en bereid moeten zijn om die op te geven, vanuit het besef dat onze imperialistische levenswijze, gebaseerd op de exploitatie van mens en natuur, talloze wezens het recht op een goed leven ontzegt en uiteindelijk iedereen schade toebrengt.

We behoeden ons hier voor universalistische voorstellen. We willen eerder de mogelijkheden schetsen vanuit onze specifieke positie in het mondiale noorden. In lijn met Burkard, Treu en Schmelzer proberen we ons een voorstelling te maken van het einde van kapitalisme, groei en overheersing – een utopie die hier en nu begint.

De on-ontwikkeling van het Noorden

Als antwoord op de veronderstelde noodzaak van economische groei, biedt het gedachtengoed van de degrowthbeweging een goede basis – althans voor het globale Noorden. Niet “duurzame groei”, als variatie op economische groei, maar “ontgroeien”, als alternatief voor groei.

Kort samengevat komt het hier op neer: het noorden moet zichzelf on-ontwikkelen.

“Degrowth” is geen blauwdruk voor sociaal-ecologische transitie. Het biedt een gedeeld kader voor diverse vormen van activisme en collectieve actie, gaande van lokale en regionale transitie-steden, repair cafés, gemeenschapstuinen en deel-initiatieven voor voedsel, tot meer mondiale en systemische alternatieven zoals de zogenaamde zorg- en milieubeschermings-revoluties, demonetarisering en solidariteitseconomieën, voedselsoevereiniteit, universeel basisinkomen, de ‘commons’ en klimaatrechtvaardigheid.

Deze verschillende alternatieven sluiten elkaar niet uit, maar zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. En wij halen ze hier aan, omdat we vertrekken vanuit het perspectief van het Noorden. Kort samengevat komt het hier op neer: het noorden moet zichzelf on-ontwikkelen.

Het einde van “onderontwikkeling”, oftwel ongelijkheid en uitbuiting, vereist een diversiteit aan economische systemen, en het loskomen van ongelijke mondiale kapitaalstromen en de daarmee samenhangende ‘ontwikkelingshulp’. Dominantie overwinnen betekent dat de beslissingsmacht in de handen komt van onderdrukte en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen.

Het betekent dat er geen universele doelen zijn, maar eerder gedeelde waarden. De Indiase Vikalp Sangam-beweging omschrijft deze als: 1) ecologische wijsheid en ethiek, 2) sociaal welzijn en rechtvaardigheid, 3) directe en gedelegeerde democratie, 4) economische democratisering en 5) culturele diversiteit en kennisdemocratie

Naar een radicale democratie

Het discours en de praktijk van ‘ontwikkeling’ is inherent politiek, en dat geldt ook voor elk debat over alternatieven voor ontwikkeling. Politiek is niet hetzelfde als het voorschrijven van een specifiek doel of behoefte. Het gaat er niet om de wereld van bovenaf te controleren, maar om de wereld van onderuit te herdenken; om te zoeken naar manieren om de natiestaat te overstijgen, terwijl je vertrekt van lokale autonome gemeenschappen en collectieven.

Er is niet één manier om de wereld te beschouwen, en ook niet één manier om de wereld te veranderen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Een post-2030 utopie zou kunnen zoeken naar manieren om samen te leven in gedecentraliseerde machtsstructuren, bijvoorbeeld in lokale raden. Het zou een insteek kunnen zijn voor het herdenken van naties, het decentraliseren van de macht en het in de praktijk brengen van radicale democratie.

Een post-2030 utopie moet haar eigen interne tegenstellingen en beperkingen toelaten, expliciteren en respecteren: er is niet één manier om de wereld te beschouwen, en ook niet één manier om de wereld te veranderen.

Systeemverandering is mogelijk, maar niet zonder bestaande machtsverhoudingen fundamenteel te ontwortelen. Dit komt neer op de afschaffing van het huidige model van global governance, met van bovenaf opgelegde doelen, zoals de sdg’s.

We moeten de macht terugbrengen naar haar wortels in concrete lokale contexten, waar nieuwe manieren van collectief en harmonieus samenleven kunnen groeien.

Mia Kristin Häckl is een masterstudent in de internationale opleiding ‘Global Political Economy and Development’ aan de universiteit van Kassel in Duitsland. Ze bestudeert projecten van de Wereldbank vanuit een post-ontwikkelingsperspectief, en sociale en solidariteitseconomieën.

Julia Schöneberg is postdoctoraal onderzoeker aan de leerstoel Ontwikkeling en Postkoloniale Studies aan de universiteit van Kassel, en mede-oprichtster van het collectief Convivial Thinking. Haar werk richt zich op post-ontwikkeling in theorie en in de praktijk.

Een Engelstalige versie van deze blog verscheen op de website van het Ghent Centre for Global Studies.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift