Van een onzeker bestaan tot een job als elektrotechnieker en vrienden in het lokale dorpscafé

Ik heb van België veel gekregen. Nu wil ik iets teruggeven

CC0

 

Toen ik uit Irak vluchtte, was mijn bestemming Europa. Naar welk land precies wist ik nog niet. Het land dat ‘welkom’ zou zeggen, daar zou ik heen gaan.

In september 2015 kwam ik aan in Brussel. Na mijn registratie op het Commissariaat (-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, red.) stuurden ze me naar het opvangcentrum Westakkers in Sint-Niklaas.

Wereldblogger Patricia leerde Karrar uit Irak kennen als één van haar cursisten in de les Nederlands. Samen schreven ze zijn vluchtverhaal neer.

Stress in het opvangcentrum

Daar waren we met driehonderd Irakezen. Er waren ook veel Syriërs en Afghanen, een paar mensen uit Kosovo, Albanië en Iran. Het waren bijna allemaal mannen daar.

Ons leven werd beheerst door nieuwsupdates over de asielaanvragen van bewoners: ‘Heb je het gehoord van X? Hij is geweigerd!’. Daarna gingen we met die persoon praten: ‘Waarom? Wat zeiden ze? Wat vroegen ze? Wat heb jij fout gezegd?’, wilden we weten.

Syriërs werden bijna automatisch geaccepteerd. Voor Irakezen waren soms drie interviews nodig.

Ik ging naar school om Nederlandse les te volgen. Toen ik de taal voor het eerst hoorde, dacht ik dat ik het nooit zou kunnen leren. Maar ik was leergierig. De eerste woorden die ik zag, onthield ik goed: ‘Geen dienst’ op de bussen, ‘gratis’, ‘vrij’.

Mijn leren ging op en neer, afhankelijk van mijn humeur. Soms was ik heel optimistisch en was ik actief bezig met de taal. Dan had ik weer geen zin en voelde ik me down. Hetzelfde met sport. Soms stond ik om zes uur op om te gaan lopen. Op andere dagen sliep ik tot twaalf uur ’s middags.

De medewerkers en bewoners in het centrum hadden mij graag. Ik hielp iedereen. Ik was tolk voor Arabieren die geen Engels spraken en ging mee naar de dokter of naar het secretariaat. Ik gaf tips om de keuken beter te organiseren.

Wanneer mijn geld opraakte, deed ik vuil werk om een klein centje te krijgen: afwassen in de keuken en de toiletten kuisen voor anderhalve euro per uur. Zo verdiende ik net genoeg geld om sigaretten en drinken te kopen.

Mijn toekomst in een envelop

Na drie maanden in het opvangcentrum had ik mijn interview. Er was alleen een tolk aanwezig, omdat ik geen advocaat wilde. Het enige bewijs van mijn leven in Irak dat ik bij me had, waren de certificaten van mijn studies en werk en mijn werkbadge. Op mijn Facebookaccount zagen ze dat ik berichten tegen het regime postte.

Het interview duurde bijna zes uur. Ik had veel stress. Ik moest praten over mijn leven. Het probleem bij sommige vluchtelingen is niet dat ze de waarheid niet vertellen, maar de manier waarop ze die vertellen. Door de stress. En dan denken de ambtenaren dat ze liegen.

Het moeilijkste in het leven is wachten op iets als je niet weet wanneer het gaat komen.

Tien dagen later zou ik antwoord krijgen. Maar tien dagen gingen voorbij. Dan twee weken. Een maand… Het moeilijkste in het leven is wachten op iets als je niet weet wanneer het gaat komen. Uiteindelijk wachtte ik bijna drie maanden.

Ondertussen werd de ene na de andere bewoner geweigerd voor asiel in België. Ik werd bang. Het ging over mijn toekomst. Ik kreeg een slecht voorgevoel. De volgende weigering was misschien wel voor mij.

Door de stress begon ik veel alcohol te drinken. Ik werd agressief, riep en sloeg dingen kapot. Ik was mezelf niet meer door de stress. Ik werd boos op iedereen in het centrum. Behalve op één assistent, een oudere man, die begreep waarom ik plots zo begon te doen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Op een dag zei hij: ‘Karrar, kom, we gaan eens babbelen’. Hij stak me een briefje van vijftig euro toe: ‘Ga buiten het centrum iets drinken en eten.’ Ik voelde me daar niet goed bij. Nooit had ik zomaar geld van anderen geaccepteerd. Het was mijn eergevoel. ‘Nee, sorry’, antwoordde ik. ‘Geld is niet mijn probleem. Ik heb schrik voor mijn toekomst!’

Hij toonde veel begrip en had veel geduld. Hij was een brave man. Bij sommige mensen voel je dat ze jouw situatie begrijpen,waardoor je je een klein beetje rustiger voelt worden: iemand is met jou, je bent niet alleen. Dat deed deugd.

Bij sommige mensen voel je dat ze jouw situatie begrijpen, waardoor je jezelf een klein beetje rustiger voelt worden

Drie maanden later kwam er een aangetekend schrijven van het Commissariaat. Het kleine briefje van bpost vertelde me dat ik naar het postkantoor moest om de echte brief in ontvangst te nemen. Dat was op een zaterdag. Dus moest ik tot maandag wachten. Wat een stress! Ik kon niet slapen. Ik haalde dat rode briefje van bpost het hele weekend in en uit mijn portefeuille.

Op maandagochtend ging ik meteen naar het postkantoor met mijn beste vriend Zeid. Eerder hoorde ik dat een zware brief betekende dat je niet geaccepteerd was. Was de brief licht, dan was je geaccepteerd. Mijn toekomst zat in die envelop. Ik voelde overal aan de envelop, hij was licht.

Openen kon ik hem niet, dus ik vroeg het aan Zeid. De brief was in het Frans geschreven. Ik nam er een foto van en stuurde die naar een Somalische kamergenoot die Frans kon. Toen kwam het moment dat ik nooit zal vergeten. Mijn kamergenoot zei: ‘Karrar! Proficiat! Je bent geaccepteerd!’ Ik danste als een gek in het rond en knuffelde iedereen in het postkantoor. Eindelijk kon mijn nieuwe leven beginnen!

Wachtlijsten voor alles

Binnen de twee maanden moest ik een huis of appartement vinden. Langer mocht ik niet in het opvangcentrum blijven. Ik bezocht geloof ik vijftig of zestig immokantoren tussen Gent en Sint-Niklaas. Na een bezoek zeiden ze altijd dat ze zouden bellen. Iedere keer gaven ze mij hoop maar het antwoord was altijd nee. Ik sprak toen nog Engels, want mijn Nederlands was nog heel beperkt.

Op Facebook las ik dat het beter was om uit te kijken naar huizen met een oranje papier voor het raam: dat betekende dat er geen immo was maar dat je met de mensen zelf contact had. Vanaf dan deed ik elke dag mijn toer, met de bus en te voet. Zo vond ik een huis in Lochristi dat groot genoeg was voor mij en mijn gezin. Toen de huisbaas ‘ja’ zei en ik de waarborg betaald had, kwam mijn droom uit. Na acht maanden in België kon ik aan mijn nieuwe leven beginnen.

Wachten is normaal hier. Voor alles zijn er wachtlijsten. Daardoor verloor ik veel tijd.

Ik was gemotiveerd om de taal te leren, maar er waren wachtlijsten voor de Nederlandse les en voor mijn opleiding bij de VDAB. Wachten is normaal hier. Voor alles zijn er wachtlijsten. Daardoor verloor ik veel tijd. Ik had een plan, maar het ging trager dan ik wilde. Eerst wilde ik Nederlands leren, dan een technische opleiding volgen en een job vinden.

Toen ik nog geen Nederlands kon, voelde ik me vaak gefrustreerd. Zonder taal kan je niks uitleggen of tonen wie je bent. Bijna kon ik daarom geen opleiding volgen. Ik was boos op mezelf, want ik wist alles maar kon het niet uitleggen. Vroeger was ik banger om Nederlands te spreken, om grammaticale fouten te maken. Bij de VDAB leerden we echt Nederlands spreken, het was een bron van motivatie voor mij.

Na mijn opleiding vond ik onmiddellijk een job. Ik werk als elektrotechnieker en heb een vast contract. Ik wil een huis kopen en een goede toekomst voor mijn kinderen. Ik wil sparen zodat ze naar een goede universiteit kunnen. Ik kijk altijd vooruit.

België gaf me opnieuw een leven, dus moet ik iets teruggeven aan dit land. Ik moet loyaal zijn, dus ik kan niet bedriegen of iets tegen België doen. Toen ik zwak was, kreeg ik voordelen: een sociaal tarief, gratis verzekering, een goedkoop busabonnement, korting op de trein. Ik kreeg, ik kreeg, ik kreeg. Ik ben blij dat ik dat gekregen heb. Nu gaat het goed met mij en wil ik iets teruggeven.

Patricia Campailla

Nederlandse lessen voor elektriciteit

Wij zijn de ambassadeurs van Irak

Ik vind het belangrijk om de mensen hier een goed beeld te geven van Irak. Tegen mijn landgenoten zeg ik vaak: ‘Wij zijn de ambassadeurs van Irak in België.’ Ik wil niet dat Irakezen een slechte naam krijgen. Ik probeer die boodschap ook mee te geven aan mijn kinderen. Als ik iets fout doe, zullen mensen niet zeggen: ‘Karrar heeft dat gedaan,’ maar eerder: ‘Die Irakees heeft dat gedaan’. Goede dingen doen, is normaal, maar als je iets fout doet, ben je een zwart punt tussen al het wit.

Bij veel Belgen die ik ontmoet, merk ik interesse voor onze cultuur en tradities. Er is weinig contact. Op foto’s die Arabische vrienden in België plaatsen op Facebook zie ik bijna nooit iemand die op stap is met Belgen. Ik ken bijna niemand die echt Belgische vrienden heeft.

Er zijn ook gevoeligheden. Zo merkte ik al snel dat het bij Belgen gevoelig ligt als iemand iets niet wil eten omwille van zijn religie. Sommige moslims zijn daar heel strikt in. Als iemand je een biertje aanbiedt en je zegt: ‘Nee, sorry, ik drink geen bier’, is dat geen probleem. Maar als je zegt: ‘Nee, dat is haram’, schrikken mensen sneller. Het hangt vaak af van de manier waarop je iets zegt.

Zo was er aan het einde van mijn Nederlandse taalcursus bij het CVO (Centrum voor Volwassenenonderwijs) een afscheidsfeestje. De lerares maakte met ons een wandeling in Gent-centrum. Ze kocht een zak Gentse neuzekes voor de groep, van haar eigen geld. Toen ze de neuzekes uitdeelde, zeiden drie cursisten ‘Sorry, ik eet dat niet, het is misschien haram.’ Ik voelde me zo beschaamd! Die lerares toonde zoveel vriendelijkheid. Uit beleefdheid konden ze het accepteren. Ze konden het in hun zak steken en later weggooien. Ik vond dat zo beledigend en kwetsend!

Als je zo reageert, krijg je natuurlijk negatieve reacties. Het creëert een slecht beeld. Als ik Belgische vrienden bij mij thuis uitnodig, is het eten Irakees. Maar nog nooit weigerde iemand om iets te eten, zelfs al kennen ze onze keuken niet.

Natuurlijk is er ook racisme. Het bestaat in elk land, wat zeg ik, in elke familie. Het zit in de natuur van de mens. Als je iets wil veranderen, moet je beginnen bij jezelf. In de vier jaar dat ik hier ben, kreeg ik misschien twee keer een racistische opmerking.

Een terrorist die een pintje drinkt? Dan ben ik zeker van Al Qaeda!

Zo dronk ik eens een pintje in een café in mijn dorp. Een man sprak me aan. ‘Aha, de eerste keer dat ik u hier zie. Van waar komt ge?’, vroeg hij me. ‘Oei, van Irak, terroristen!’ Ik lachte, zoals altijd, en zei: ‘Een terrorist die een pintje drinkt? Dan ben ik zeker van Al Qaeda!’

Waarop de man zei dat ik een aanhanger van IS moest zijn. Ik antwoordde: ‘Als ik een terrorist was, zat ik hier nu geen pintje te drinken. Je zou het café niet meer kunnen zien! Ik zou een explosie maken en het zou gedaan zijn met het café!’ Het deed hem lachen.

Na een langer gesprek zei de man: ‘Kameraad, ik ga je binnenkort eens uitnodigen.’ Ik antwoordde: ‘Aha! Eerst een terrorist en nu je vriend!’. Sindsdien zien we elkaar regelmatig in dat café en zijn we inderdaad vrienden geworden. Ik vertel dit om te tonen dat ik die man geen kans gaf om racistisch te zijn. Als iemand een slecht beeld over je heeft, moet je hem tonen dat je niet zo bent.

Twee frigo’s en een speelhoek

Tijdens mijn werk als elektrotechnisch installateur zie ik elke dag nieuwe klanten. Ze praten graag en stellen veel vragen: ‘Hoe is het nu in je land? Wat denk je over België?’. We leren van elkaar. Sommigen weten zelfs niet waar Irak ligt of wat Mesopotamië is. ‘Iran bedoel je!’, zeggen ze, waarop ik moet uitleggen waar Irak ligt. Zelf wil ik veel over België weten. Soms merk ik dat ik dingen weet over België die Belgen zelf niet weten.

Die klanten geven mij energie, ze doen mij vliegen, echt waar. Ze vragen me vaak of ik hier geboren ben. Als ik zeg dat ik pas vier jaar hier ben, zijn ze verrast dat ik nu al zo vlot Nederlands spreek. Nederlands is een moeilijke taal, maar als iemand een wil heeft, kan hij alles bereiken.

Als ik bij klanten binnenkom, kijk ik altijd goed rond. Om te zien hoe ze hun huis inrichten, want ik wil mijn levensstijl aanpassen. Niet voor honderd procent, maar ik wil dezelfde sfeer creëren in mijn huis. Dat is belangrijk voor mijn kinderen: zij zien hoe hun kameraadjes wonen.

We hebben nu ook een speelhoek voor de kinderen, dat is typisch Belgisch.

Ik heb nu bijvoorbeeld twee frigo’s: één voor alcohol en frisdrank en één voor eten. Zoals ik dat zag bij klanten. In Irak eten we altijd op een tapijt op de grond. Maar hier heb ik twee eettafels: eentje in de keuken en eentje in de living. We hebben nu ook een speelhoek voor de kinderen, dat is ook typisch Belgisch.

Ook in de keuken zorg ik voor een mix tussen de Irakese en de Belgische keuken. In Irak is rijst het belangrijkste voedsel, dus koop ik stoverij en dat eten we dan met rijst in plaats van frietjes. Of ik maak fasouliyaa, een Irakese soep met bonen en schapenvlees, maar dan met varkensvlees.

‘Zoon, Irak heeft jou niets gegeven’

In februari van 2017 was ik herenigd met mijn vrouw en kinderen. Omdat ze wel religieus is, was het voor haar aanvankelijk moeilijk om zich aan te passen. Nu zie ik dat ook zij stap voor stap verandert. Ik raadde haar aan om haar hoofddoek af te doen. Tijdens haar eerste maand in België zaten we eens samen achteraan op de bus, zij met hoofddoek. Ik zei: ‘Kijk eens wie hier anders is?’ Alle passagiers hadden blond haar. ‘Jij valt op.’ Van mij mocht ze zelf beslissen, ik heb haar alleen advies gegeven.

Nu draagt ze geen hoofddoek meer, wat voor haar een grote stap was. Ook haar kledij is minder traditioneel en het maakt haar niet uit als het eens wat korter is. Niet té, maar een beetje. Ik begrijp haar wel, want voor vrouwen is het moeilijker. In Irak is hun leven anders. Ik liep er in dezelfde kledij als hier. Sommige mannen in Irak schieten hun vrouw dood als ze zich westers kleedt.

Als mijn familie vraagt hoe het leven is in België, antwoord ik: ‘België is zoals een glas: je kunt het vullen met goede dingen zoals water of fruitsap. Of met slechte dingen, zoals alcohol of drugs.’

In Irak hebben we een sterk sociaal netwerk: iedereen controleert iedereen. Een kind kan niks fout doen zonder dat zijn vader het te weten komt. Hier leven mensen meer op zichzelf. Wat kinderen opvoeden moeilijker maakt. In Europa kan je alles krijgen en is alles mogelijk. Daarom dat ik mijn kinderen dichter bij mij wil hebben. In Irak zou ik mijn kinderen op een andere manier opvoeden. Hier moet ik weten wie hun vrienden zijn. Dat is soms moeilijk.

Tegen mijn zoon zeg ik: ‘België heeft je vader geholpen. Je moet loyaal zijn.’

Mijn jongste zoon is zes en heeft autisme, hij heeft speciale zorgen nodig. Gelukkig gaat het al beter. Hij wordt hier goed opgevolgd.

Mijn oudste zoon is negen. Soms stelt hij vragen over Irak. Hij was bijna zes toen hij Irak verliet. Ik antwoord altijd: ‘Zoon, laat Irak maar, dat is iets voor je vader. Ik heb sterke banden met dat land en heb alle gevaren gezien. Jij bent daar alleen geboren, Irak heeft jou niets gegeven. Jij groeit hier op. Jij moet hier iets teruggeven, want België heeft je vader geholpen. Je moet loyaal zijn.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur