Huancabamba en mijnbouw

Huancabamba bereik je na een avonturenrit. De toegang naar de Noord-Peruaanse stad is allerminst evident. Maar de bijeenkomst van Rondas Campesinas blijkt het waard.

Vanuit Jaén beginnen we om 7u ’s ochtends aan de eerste rit van 4u. Het eindpunt is een dorpje in het reservaat rond Tabaconas, waar we  een viertal uur wachten voordat er voldoende volk (plus sinaasappelen en hout) is voor een rit van 6 uur doorheen de páramos, op een hoogte van 3500 meter. De weg is hobbelig, zand wordt afgewisseld met rotsbodem, en adembenemend smal. De steile afgronden, op een halve meter naast de auto, domineren prominent. Bovendien regent het uren aan een stuk, waardoor het zicht in de al nevelige páramos nog beperkt wordt. Beeld je hierbij de piepjonge chauffeur (19 jaar) en het aftands busje in en het wordt duidelijk waarom ik besluit deze rit maar één keer te ondernemen. Hoe later en hoe donkerder het wordt, hoe meer kleine camions we kruisen. Deze camions rijden altijd ’s nachts, ze vervoeren illegaal gekapt hout, informeren mijn reisgenoten mij.


Het doel van deze tocht is een bijeenkomst van Rondas Campesinas, zelforganisaties in de boerengemeenschappen. Huancabamba is op zondag 8 juli de plek waar enkele honderen ronderas en ronderas zich verzamelen voor toespraken over mijnbouw en het Rio Blanco-conflict. De bijeenkomst begint ’s ochtends met een optocht doorheen de stad. De Rondas vullen de straten met hun spandoeken en hun slogans. ‘Agri si, mina no’ is de basiskreet. Een vrouw die naast me staat te kijken, fluistert luid: viva la mina, leve de  mijn! Een bewijs van de discrepantie tussen de stadsbewoners en de rurale bevolking. In de stad zouden er meer voorstanders voor de mijn zijn, terwijl de rurale campesinos de mijn afwijzen. Argumenten van voor- en tegenstanders zijn aanwezig in het straatbeeld. Het mijnbouwbedrijf schilderde een heel aantal huizen mooi wit en belooft in blauw en roze tekst dat de Rio Blanco-mijn garant staat voor ‘echte ontwikkeling’. Op andere huizen belooft de mijn ‘medische posten’ en iets verder van het centrum bemerk ik een grote muur waarop uitgebreid geargumenteerd wordt waarom Rio Blanco de beste mijn van heel Peru zal zijn. De tegenslogans in Huancambamba luiden vooralsnog eenvoudig: No me mientas, lieg niet tegen mij. Ik tel niet meer dan 10 huizen met deze affiches, die ook enkele mototaxi’s siert. In de stad lijken vooralsnog de slogans pro Rio Blanco prominent aanwezig.


 


Op de bijeenkomst van de Rondas hoor ik heel andere stemmen. 500 mannen en enkele vrouwen hebben er een zestal uur in de blakende zon voor over om te luisteren naar verschillende sprekers. Als kritische Europese burger is het hier genieten en wenkbrauwen fronsen tegelijk. Het engagement van deze laaggeschoolde boerenbevolking om de tocht hierheen te maken en te komen luisteren, zou elk activistenhart sneller doen kloppen. Bovendien bevalt de opstelling: waar de sprekers oorspronkelijk ver van de luisteraars zaten, werd dit meteen opgelost door één van de organisatoren, die resoluut tafels en stoelen versleepte. Nu zitten de sprekers en hoge genodigden gezellig dicht tegen de tribunes aan. Het hoge bezoek bestaat ondermeer uit een vrouwelijk congreslid, dat samen met enkele burgermeesters en vertegenwoordigers van de boerengemeenschappen op 3 juli een persconferentie organiseerde in het Peruaanse parlement te Lima, om het geplande volksreferendum aan te kondigen. Respect voor al wie op nationaal vlak haar of zijn nek durft uitsteken, want met de huidige regering en met president Alan Garcia die aankondigde dat deze mijn er hoe dan ook zal komen, zijn zulke acties niet evident.


Het congreslid vindt de juiste toon om de mensen toe te spreken, en legt de nadruk op hun rechten als Peruaans burger. Toch blijft ook de positie van de spreekster netelig. Expliciet vermeldt ze dat de auto waarmee ze gekomen is, niet geleend werd van het mijnbedrijf, maar gehuurd en betaald werd van haar loon. Zorgen dat je niet geïdentificeerd wordt met het pro-mijnkamp, het vraagt voortdurende aandacht want het wantrouwen is immens. Het congreslid eindigt met een oproep dat ze de volgende bijeenkomst meer vrouwen, meer ronderas, hoopt te zien, als deelneemsters en in leidende functies. Ik ben dan toch niet de enige die schrikt van het lage aantal vrouwen in de tribunes en zich ergert aan de expliciete dank die al aan het begin uitgesproken werd voor de vrouwen die ‘al sinds deze ochtend bezig zijn om ons middageten te bereiden’.


Als enige gringa mag ook ik de vergadering toespreken. Ik zoek toegankelijke en correcte bewoordingen om te wijzen op de internationale dimensie van dit conflict, op de gedeelde verantwoordelijkheid en meer nog op de mondiale solidariteit. Vooral echter probeer ik de nadruk te leggen op hun rechten als burger en op de kracht van deelname aan een volksreferendum.


Bij een aantal sprekers frons ik, zoals reeds gezegd, mijn wenkbrauwen. Een onderzoek wees uit dat de Rio Blanco-mijn in eerste instantie geen desastreuze milieuproblemen zou teweegbrengen, maar vooral sociale problemen zal veroorzaken. Is het dan te verantwoorden dat de verzamelde ronderos nog maar eens te horen krijgen dat de mijn hun water zal wegnemen, dat landbouw en veeteelt onmogelijk zal worden? Wellicht  wel, want als de Rio Blanco-mijn enkel de voorbode is van een heus mijnbouwdistrict, ja, dan komt het huidige levensonderhoud van deze boeren zeker in het gedrang.


Toch heb ik een positief gevoel na deze bijeenkomst. Lokale leiders krijgen het woord, haast alle sprekers probren op bevattelijke wijze moeilijke thema’s te vertolken en er wordt ruime medewerking van het publiek gevraagd. De oproep om te gaan stemmen voor het referendum, is begrepen. En nu hopen dat al deze aanwezigen een gefundeerde stem uitbrengen.


 


Ilona Plichart

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3205   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift