De dodenweg overleefd

De “Nationale n°1” verbindt Kinshasa met Matadi. Volgens de statistieken kost hij elk jaar aan meer dan 700 mensen het leven. Dat zijn er gemiddeld twee per dag. Ook vandaag dus.

Mijn maand in België is voorbijgevlogen. Je weet hoe dat gaat. De helft van de tijd vergaderen over de voorbije en de nieuwe werkperiode, en de andere helft geniet je zoveel mogelijk van familie en vrienden, maar eer het goed en wel tot je doordringt zet je alweer voet op Kongolese bodem. In Kinshasa dan wel deze keer.

Eerst wacht me een paar weken werk in het Westen. Tegen het einde van de maand zou ik in principe weer in Butembo moeten zijn. Maar vandaag reed ik vanuit Kinshasa met een bus vol boerenleiders mee naar een atelier dat vanaf morgen in Kangu begint.

Kangu ligt echt in het neusje van de grote koraalvis die het profiel van het land vormt, en waarvan Kinshasa het oog is. In de verbindingsstrook van het grote Kongolese binnenland met de Atlantische oceaan. Sommige Kongolezen vragen zich vandaag de dag nog steeds af hoe Leopold II er indertijd in geslaagd is om die strook, cruciale verbinding met de Atlantische Oceaan, te onderhandelen met de grote koloniale mogendheden van de 19de eeuw.

De weg naar Matadi is naar Kongolese normen in uitstekende staat. Wat een verschil met de wegen in het Oosten. Maar het economisch belang van die verkeersader voor grootstad Kinshasa is vanzelfsprekend voor iedereen duidelijk. Jammer dat de invoerweg vanuit Oeganda via Kasindi en Beni niet dezelfde aandacht krijgt van de regering. Vanop 2.000 kilometer afstand heb je daar blijkbaar geen goed zicht op.

Wat meteen opvalt zijn de vele honderden kerkhofjes aan de kant van de weg. Zonder enige afsluiting. Het gaat nooit om een groot aantal. Enkele tientallen graven vaak. Sommigen overwoekerd door Cyperusgras, andere wat zwartgeblakerd door de vele broussebrandjes. Maar ze hebben wel allemaal dit gemeen: ze wekken onze verbazing.

Hé, hier bouwen ze voor kadavers!”, roept een boerinnenleidster uit Mbandaka uit. “Wat bezielt hen om te investeren voor de doden in plaats van voor de levenden?”, vraagt een man uit het Oosten zich af. Ik begrijp hun reacties wel. De dorpen staan er sjofel bij. Lemen muren, daken uit verroeste en vervormde golfplaten, vaak zelfs nog boombladeren. Maar de graven zien er zeer gesofisticeerd uit. De meest bescheiden vormen zijn in stevig beton aangelegd. Maar er staan pareltjes bij met faiencetegeltjes op zeer ingenieuze constructies. Dikwijls neemt de tombe de vorm aan van een miniatuurhuisje. Soms zie je een grafsteen waarrond dan nog eens een huisje ter beschutting is gebouwd. Sommige van die huisjes hebben zelfs verdiepingen. Wonderlijk.

Dat al die begraafplaatsen zo pal langs de weg staan lijkt wel een blijvende waarschuwing: denk nooit uit je leven de doden weg. Maar toch is het niet daarom dat de N1 de dodenweg heet.

Op een bepaald moment zie ik de bevolking langs de kant van de weg als op een gegeven teken de neuzen in dezelfde richting draaien. Als een golf rolt de kreet door de massa: “accident, accident!”. Even later rijden we de plaats van het onheil voorbij: een break, of wat ooit een break moet geweest zijn, waaraan de achterdeur ontbrak, en ook de buitenste verflaag, was al rijdend zijn voorwiel verloren, en bevond zich nu, 60 graden naar rechts gedraaid rond zijn lengte-as, in de afvoergracht voor het regenwater aan de zijkant van de weg. Het asfalt was diep gekrast over een lengte van verschillende meters op de plaats waar het wiel was losgeraakt, en het vehikel zijn kinetische energie niet meer rollend kwijt kon, maar ploegend.

Een paar honderd kilometer verder is de situatie evenwel veel erger. Net als we een bocht naar links inrijden zien we een vrachtwagen onderste boven liggen op het hogergelegen linker baanvak. Een van de wielen draait nog. Het moet net gebeurd zijn. Uit de tank spuit een fontein van diesel die gelukkig meteen naar de gracht vloeit door de zwaartekracht.

Enkele omstaanders zijn al toegesneld, slaan de ruiten stuk om de mensen die in de stuurcabine gevangen zitten te bevrijden. Aan alle kanten komt het volk toegelopen. Je kan de geknelde mensen zien in een onnatuurlijke houding. Ondersteboven.

Het duurt een tijdje eer duidelijk wordt wat er precies is gebeurd. Een vrachtwagen met platte opligger, en daarop een grote scheepscontainer, moet te snel door de bocht zijn gereden. Door de middelpuntvliedende kracht is de container, die blijkbaar niet was vastgemaakt op de opligger, eraf gevlogen, en heeft die beweging een zijdelingse wip gegeven aan de vrachtwagen, die tegen de paaltjes is gebotst die de beide baanvakken van elkaar scheidt in de bocht. De zijdelingse kracht, en de betonnen paaltjes als steunpunt, hebben als een hefboom gewerkt, en het gevaarte omgekeerd. De trekker heeft de ergste klap opgevangen en is helemaal ingedrukt.

Een eerste levenloos lichaam wordt weggedragen naar de straatkant waar in alle haast wat bananenbladeren werden neergelegd. Een jongen van een jaar of tien heeft het overleefd. Maar zijn hoofdwonden zijn ernstig. Een goede verzorging vinden voor hersentrauma’s zal hier ongetwijfeld heel moeilijk zijn.

De bestuurder kan ook worden bevrijd. Tot grote opluchting van de toekijkende mensen – vooral de vrouwen geven luidruchtig uiting aan hun emoties – komt hij na enkele minuten tot bewustzijn, krabbelt recht, kijkt verdwaasd rond zich. Duidelijk in shock. Maar levend.

Een vierde persoon is niet vrij te krijgen. Eerst lijkt het of hij al overleden is. Maar dan zijn er toch wat tekenen van leven. Er is echter meer nodig dan mankracht om hem eruit te krijgen. Van enige vorm van ambulante hulp door de overheid is geen sprake. Er komt voorwaar een zwaantje aangereden, maar veel verder dan wat rondjes rijden komt de man niet.

Het duurt drie kwartier vooraleer een bulldozer komt aangereden van een nabijgelegen werf. Daarmee moet het lukken om het ingedrukte wrak op te heffen. Maar of de zwaar toegetakelde man het kan overleven zonder ogenblikkelijke medische hulp is heel erg onwaarschijnlijk.

Onze bus zet zich weer in beweging. We kunnen hier geen verschil maken. We ruimen beter plaats. Verderop verslechtert de kwaliteit van de weg zienderogen. Grote stukken baanbekleding zijn hier gewoon verdwenen. De bus, die tot dan toe doorraasde aan snelheden boven 100 km/u is nu genoodzaakt om aanzienlijk vaart te minderen. Het gevaar zelf een ongeval te veroorzaken in het laatste deel van ons traject wordt daardoor een pak kleiner. Nooit gedacht dat ik ooit nog eens blij zou zijn met de slechte staat van de Kongolese wegen.

 

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Globochtoon

    ‘Van waar ben je?’. De vraag zet me elke keer aan het denken. Van waar je geboren bent? Dan ben ik van Rwanda. Van waar je ouders komen?