Goed boeren op school

Middelbaar onderwijs in Noord-Oeganda bereidt de jongeren niet voor op het echte leven. Het overgrote deel onder hen zal boer worden, een realiteit die door het Youth Farm concept van Vredeseilanden experimenteel wordt ingebouwd.

Onderwijs en oorlog gaan moeilijk samen. Toch kan een land geen generatie jongeren offeren aan de demon van de oorlog als die brullend zijn lelijke kop schudt. In Oeganda, toen Joseph Kony met zijn leger van de weerstand van de Heer twintig jaar lang heel Noord-Oeganda terroriseerde, met een gewelddadig dieptepunt tussen 2002 en 2007, werd de bevolking teruggetrokken in tijdelijke door het regeringsleger bewaakte kampen. Scholen verhuisden met hebben en houden naar de veiligere steden. Apala Secondary School werd zo van de ene dag op de andere een stadsschool in Lira. Het verlaten schoolcomplex in Apala werd omgebouwd tot een kamp voor interne vluchtelingen. De gebouwen volstonden niet om iedereen onderdak te geven. Honderden mensen kampeerden jarenlang in onleefbare omstandigheden.

Pas in 2007 was de situatie voldoende genormaliseerd om de mensen toe te laten terug te keren naar hun landelijke woningen, en de school weer vrij te geven voor haar eigenlijke bestemming. Intussen hadden noodhulporganisaties jarenlang de bevolking gevoed en medische verzorging geboden, met alle gekende perverse gevolgen van dien:  de mentaliteit van geassisteerde had diep wortel geschoten en initiatief nemen was een begrip uit een ver verleden geworden. Plannen maken voor de toekomst was een futiele bezigheid die de meesten hadden opgegeven, en nu er plots weer zoiets als een toekomst bleek te zijn, was dat een hele opdracht om de ware betekenis daarvan tot zich te laten doordringen, en te durven geloven dat het mogelijk en doenbaar is om weer vat te kunnen krijgen op zijn eigen leven.

De toekomst behoort aan de jeugd

Vooral voor de jongeren, voor wie de oorlog tot dan toe de enige norm was geweest in hun leven, zag het leven er helemaal anders uit. Velen onder hen hebben een of beide ouders verloren, sommigen zijn ontvoerd geweest door de LRA en hebben het er levend vanaf gebracht, maar houden er een levensgroot trauma aan over voor de rest van hun dagen. Je zou voor minder het geloof in de toekomst verliezen.

Toch ligt het aantal inschrijvingen in de scholen van Noord-Oeganda met 63,9% van de kinderen in de leeftijd van de lagere school nog vrij hoog. Slechts 26% van de ingeschrevenen zullen echter de overgang maken naar het secundair onderwijs, en uiteindelijk zal slechts 5,2% de eindstreep halen. In die kleine restgroep bevinden zich meer jongens dan meisjes. De hamvraag is dan ook: wat gewordt er van de 95% die uit de boot vallen?

Technisch onderwijs is slechts in zeer geringe mate te vinden in Noord-Oeganda. En waar er een vocational school ter beschikking staat, is deze doorgaans erg pover uitgerust, zodat de leerkrachten noodgedwongen moeten terugvallen op theoretische vakken, en de studenten uiteindelijk geen vak leren. Gevolg: de meeste ouders geven er de voorkeur aan hun kinderen naar een klassieke school te sturen. Maar de drop-outs worden er niet voorbereid op het echte leven.

Boeren zal je

Het gros van deze onfortuinlijke jongeren heeft geen andere keuze dan terug te keren naar het ouderlijke huis, en deel te nemen aan de activiteiten van de gezinslandbouw, die meestal erg dicht aanleunt bij overlevingslandbouw. Het gros van de jonge Oegandezen in het Noorden – maar ook elders in het land – wordt boer by default. In hun ogen komt dat overeen met minder dan niets. Voor hen is de grond bewerken geen beroepskeuze maar een noodzakelijk kwaad bij gebrek aan beter. Iets wat je doet als er echt helemaal geen enkel alternatief meer bestaat. Geen wonder dat de boer helemaal onderaan de sociale ladder staat.

Ten onrechte nochtans. Oeganda is gezegend met vruchtbare gronden en overvloedige regenval – ook als die de laatste jaren wat onbetrouwbaar geworden en is het fenomeen El Niño de dagelijkse woordenschat binnengeslopen. Het potentieel voor commerciële gezinslandbouw is gigantisch groot in vergelijking met vele andere Afrikaanse landen, en biedt veel meer tewerkstellingskansen dan welke andere sector ook. Als je weet dat 95% van de jongeren dan toch in de landbouw belanden zonder daarop voorbereid te zijn, waarom dan niet het standaardonderwijs zo uitbouwen dat landbouw er een veel prominentere en praktijkgerichte rol in krijgt?

Lessen trekken

Dat was het uitgangspunt voor een experimenteel project van Vredeseilanden in drie secundaire scholen in het Lira-district in Noord-Oeganda: met de morele en financiële steun van Zuiddag, en via hen van vele duizenden jongeren in Vlaanderen, werd het Youth Farm project opgezet. In elke school organiseren de scholieren zich op die manier die ze zelf het meest geschikt vinden om samen landbouwactiviteiten op te zetten, ondersteund door een comité van geëngageerde leerkrachten die hun maatschappelijke rol diepgaander willen opnemen dan de schoolse voorschriften voorschrijven. Deelname aan het project is volledig op vrijwillige basis op alle niveaus.

Een pilootproject heeft als voornaamste doelstelling om te leren, in het vooruitzicht van een latere uitbreiding van de activiteiten. En geleerd is er! Het eerste jaar was niet meteen een succes te noemen op het vlak van landbouwproductie, maar de lessen die konden worden getrokken zijn van enorm belang gebleken voor kinderen die nog niet eerder aan landbouw hadden gedaan wegens de oorlogstoestanden, en leerkrachten die hun eigen jeugdervaringen intussen al zijn verleerd.

Ten eerste: landbouw moet inspelen op de natuurlijke cycli. Wie te vroeg of te laat zaait, of zich door de klimaatsverandering laat verschalken, heeft weinig kans om een goede oogst binnen te halen. Een goede planning is dan ook een sleutel tot succes. Ten tweede: zorg voor goed zaaigoed, want er is veel rommel op de markt. Zoek liever aansluiting bij de lokale landbouwonderzoekscentra dan bij de veelbelovende handelaren. Ten derde: zoek een oplossing voor de tegenstrijdigheden tussen de schoolkalender en de landbouwkalender. Een schooltuin kan een maand schoolvakantie zonder enige zorg niet overleven. Ten vierde, en dat was vooral een les voor Vredeseilanden: gun de Youth farms en het begeleidende leerkrachtenteam voldoende beslissingsvrijheid (inclusief het recht om fouten te maken) om zelf verantwoordelijkheid te leren dragen voor de eigen beslissingen. Inderdaad, de overbezorgdheid om te slagen in de moeilijke postconflictcontext van Noord-Oeganda leidde tot een externe sturing die te hard doorwoog en soms tot demotivatie leidde. Tenslotte: de insteek van het programma legde teveel de nadruk op het financieel rendement van de landbouwactiviteiten met de belofte om door deelname aan de Youth farm zelf het eigen schoolgeld te kunnen genereren. Voor menig student was het een grote ontgoocheling te moeten vaststellen dat die doelstelling niet gehaald werd.

Nieuwe inzichten concreet vertalen, drastisch als het moet

Het jaar erop werd het programma bijgestuurd: het alomtegenwoordige staflid van Vredeseilanden werd teruggetrokken en met de scholen werd een contract tot samenwerking afgesloten op basis van een werkplan waarvan de verantwoordelijkheid tot uitvoering volledig in handen van de schoolgemeenschappen werd gegeven. De klemtoon werd nu veel meer op het leren gelegd en veel minder op de opbrengst. En de samenwerking met één van de drie scholen werd stopgezet omdat het lerarenteam teveel eigenbelang zocht en te weinig de Youth Farm dynamiek kansen bood.

De drastische koerswijziging gaf meteen resultaten. Een bezoek aan de twee scholen toonde een wereld van verschil. De opbrengst is nu meer dan behoorlijk door een juistere teeltkeuze. In Apala Secondary School staan armdikke maïskolven te rijpen op het veld (zonder kunstmest: de ontheemden hebben deze grond nog voor jaren vruchtbaar gemaakt met hun ontlasting), terwijl dikke trossen sojabonen wachten op de oogst, en de varkensstal binnenkort de eerste biggetjes verwacht. In Amach Complex Secondary ligt de maïs al te drogen. De bonenoogst is binnen, de ajuinen staan af te rijpen, en van amper twaalf aubergineplanten heeft de hele schoolgemeenschap van meer dan 700 studenten kunnen mee-eten. Beide scholen hebben bomen geplant die een duurzame levende afsluiting tegen loslopend vee zullen vormen. In de maïsteelt werden verschillende variëteiten geplant zodat de scholieren met kennis van zaken de opbrengst- en kwaliteitsverschillen kunnen beoordelen. De leerdoelstelling werd dus zeker gehaald.

De scholen hebben ook een respectvolle relatie uitgebouwd met de landbouwclubs (de naam die in Amach wordt verkozen boven Youth Farms): de opbrengst wordt aangekocht, en school en club hebben een volledig gescheiden boekhouding en bankrekening. Sterker nog is dat vijf leerlingen en ook een leraar de opgedane kennis thuis zijn gaan toepassen en intussen de eerste uienoogst hebben binnengehaald. Margret Akello, 16 jaar, vertelt trots dat haar dat 500.000 Oegandese Shilling opleverde (160 €), méér dan genoeg om haar schoolgeld voor een heel jaar te betalen. Waarmee de financiële doelstelling dan toch weer een haalbare kaart blijkt, zij het dan door adoptie van de nieuw aangeleerde technieken op het ouderlijke bedrijf.

Alles kan beter

Er is nog veel verbetering mogelijk in de pilootscholen: de planning en de kostprijsberekening zouden kunnen worden ingebouwd in de lessen wiskunde en economie waarvoor aangepaste pedagogische fiches kunnen worden uitgewerkt, er zou een duurzaamheidsplan moeten worden opgesteld opdat de Youth Farms ook zonder externe steun verder zouden kunnen functioneren, de behandeling van de opbrengst na de oogst kan beter om verliezen te voorkomen, meer aandacht zou kunnen gaan naar links met externe markten zodat de scholieren kennis maken met marktmechanismen, het zou nuttig zijn om boerenorganisaties in de streek te connecteren met de scholen zodat de scholieren hun werking leren kennen, en hun ervaringen de schooltuinen kunnen versterken. Maar het pilootproject heeft zijn potentieel nu wel bewezen.

Het National Curriculum Development Center heeft onlangs erkend dat het huidige programma voor de lagere secondaire scholen de leerlingen onvoldoende voorbereidt op de samenleving. Ze hebben een oproep gelanceerd via de kranten om ideeën aan te reiken. We hebben aangeboden om het concept van de Youth Farms te integreren in alle landelijke scholen. We kregen echter alsnog geen antwoord. De onderwijsdeskundigen zullen het voorstel wellicht niet interessant genoeg vinden omdat het niet universeel toepasbaar is (een school moet inderdaad wel over voldoende grond beschikken). Of ze zullen niet begrepen hebben dat het niet gaat over het klassieke schooltuinconcept dat vooral verbetering van de voeding van de scholieren nastreeft. We mochten maar maximum 200 woorden gebruiken om ons voorstel in te dienen (zucht).

De stem van de jeugd

Apiu Kodoli, 14 jaar, Amach Complex SS, zegt het met minder woorden: “sinds ik lid ben van de landbouwclub ben ik veel meer geïnteresseerd in het schoolgebeuren, en zijn mijn punten enorm verbeterd. Ik wens van harte dat de club kan blijven bestaan opdat mijn eigen kinderen ook het voorrecht zouden krijgen om te leren door mee te werken”.

In Apala SS laat een slungelachtige knaap die duidelijk wat ouder is dan zijn klasgenoten de hele klas gniffelen: “als het studeren tegenvalt zal ik me geen zorgen hoeven te maken over mijn verblijf in deze wereld. Ik zal immers weten welke teelten ik op welke manier kan telen, en zal die kennis zelfs kunnen delen met anderen”.

Als we de school verlaten vraagt Ellen-Petra Sarayo me nog om de Vlaamse studenten die een stage op haar school hebben gedaan stevig te groeten. Natasja, Katrien en Dorien, dat heb ik hierbij meteen gedaan!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur