Met een BRIC in de maag

Toevallig deel ik vanavond mijn restauranttafel in hotel “L’Auberge” met een grijzende heer van stand die een zekere bonhomie uitstraalt. De reden van zijn aanwezigheid in Butembo had ik nooit kunnen raden.

Met een gul gebaar en een meewarige blik op mijn bord, nodigt hij me uit mee te proeven van zijn schotel, die hijzelf heeft bereid. Hij is de Kongolese keuken beu. “Die mensen kunnen niet koken. Ik ben zelf naar de keuken getrokken. U lust toch Indisch?”

Mijn tafelgenoot blijkt dus Indiër te zijn. Hij woont in Parijs, en is op pensioen, maar was niet van plan verder niets meer te doen. Integendeel, hij wil best nog wat bijverdienen. “En in Kongo is nog zoveel te doen, meneer!”.

Zijn familie in India zit in de rubberindustrie. Booming business! Om de andere dag wordt er weer een nieuw goedkoop automodel gelanceerd, en die hebben allemaal vier wielen hé meneer! Dus is hij naar Kongo getrokken om rubber te gaan zoeken.

En zo is hij beland op het gerenommeerde landbouwonderzoeksstation INERA. Gerenommeerd maar bankroet. Een Hevea-plantage van 1.200 hectare, nog aangeplant door de Belgen, met bomen van 25 jaar oud, op het hoogtepunt van hun productievermogen, staat daar al jaren onaangeroerd. INERA heeft geen geld voor de uitbating, en ze zeggen dat ze niet weten waar de rubber te verkopen. “Maar moeten we dat geloven, meneer?  Ik heb eerder het gevoel dat ze niet willen werken”.

Hij heeft de plantage gehuurd voor zes jaar, twee keer verlengbaar, in totaal dus 18 jaar. Rubberbomen gaan 50 jaar mee, dus hij zal genieten van hun meest productieve periode, zonder zelf veel te moeten investeren.

“Alleen maar wat machines laten overkomen, meneer. Daarvoor ben ik nu in Butembo, om ze in te klaren bij de douane. Maar dat doe ik niet zelf hoor. Ik heb mijn Kongolese vertrouwensmannen. Die doen al het werk voor mij. Ze laten me zelfs niet alleen naar buiten gaan”.

“Het is hier echt interessant, meneer: een arbeider kost maar 300 Kongolese frank per dag. Waar vind je nog zulke lage lonen? En de rubbertappers betaal ik per liter. Wie meer dan 50 liter per week binnenlevert krijgt bovendien een bonus. Opdat ze hun werk goed zouden kunnen doen lever ik hen elk een fiets op krediet. De afbetaling houd ik in op de uitbetaling voor hun rubber. Ik verschaf zo werk aan 500 mensen waarvan 300 tappers. Dat zal de lokale economie sterk aanzwengelen, reken maar!”.

“In Kisangani heb ik het bericht laten verspreiden dat ik ook van andere producenten de rubber wil opkopen. Als lumps. Weet u niet wat lumps zijn? Wel, op mijn plantage wordt het rubbersap opgevangen in schaaltjes, maar elders hebben de mensen die schaaltjes niet. Dus gebruiken ze bamboe: een bamboestam kan je in stukken zagen vlak onder elke knoop, wat je dan langwerpige houten potjes oplevert, die aan één kant open zijn. Daarin wordt dan het rubbersap opgevangen, en dat laten ze dan daarin hard worden. De cilinders van gestold rubbersap die uit de bamboekokers komen, die heten lumps. Om die te kunnen verwerken moet je ze eerst bewerken met chemische producten, die verboden zijn in India. Maar in Sri Lanka mag het wel. Dus stuurt mijn familie die eerst naar Sri Lanka”.

“Ik vroeg aan een lumpverkoper op de markt hoeveel hij zijn rubber normaal verkoopt. Voor deze hoeveelheid: 100 dollar, had hij geantwoord. Wel, voortaan lever je ze aan mij, had hij hem gezegd, en krijg je er 120 dollar voor. Maar ik moet wel elke week een levering krijgen”.

Al snel deed het gerucht de ronde van zijn aanwezigheid. Hij mocht op de thee bij de gouverneur. “Ik hoop dat ik op uw steun mag rekenen opdat mijn inspanningen zouden renderen”, had hij hem gezegd. “Een rehabilitatie van de weg van Yangambi naar Kisangani zou bijvoorbeeld een goeie zaak zijn voor mijn bedrijf”.

De gouverneur had hem geantwoord: “Waarom doet u het niet zelf? Ik geef u een vergunning om péage te innen en al het geld zelf te houden”.

“Ik doe helemaal niet aan wegenaanleg”, schudt hij zijn hoofd afkeurend. Ze bieden je hier werkelijk ALLES aan. Goud, diamant, cassiteriet, wolfraam, zelfs galeniet… Ik zit dikwijls ’s avonds achter de computer om op internet op te zoeken waar ze me nu weer willen mee opzadelen”.

“Hebben ze u nooit mercure rouge aangeboden?” vraag ik hem. Ik was nog geen maand in Butembo of iemand had mij al rode kwik aangeboden. Ik had hem gevraagd waar dat voor diende. “Dat weet ik niet, daar weten jullie blanken toch alles van? Dat moet je mij niet vragen. Ik verkoop het alleen maar”. Op internet vond ik algauw dat het om een onbestaande haast mythische stof ging, en al wie daar geld had voor neergeteld was zwaar opgelicht geweest. Wellicht dus ook de verkoper die me aanklampte. Maar dit terzijde.

Hij heeft ook twee vrachtwagens moeten kopen, om de rubber van Yangambi naar Kisangani te vervoeren. Daar wordt de rubber overgenomen door een transportbedrijf dat vroeger al in Kisangani werkte, maar er nu pas terugkeert, nu hij de rubberontginning begint. Door het herstellen van de weg van Kisangani naar Beni anderhalf jaar geleden is de regionale handel weer op gang gekomen. Zij brengen de rubber dan per vrachtwagen naar Mombasa, en van daar is het niet ver meer naar India.

Hij kijkt me zelfverzekerd aan. Hij heeft alles netjes op een rij. Een levende illustratie van hoe niet alleen China maar nu ook India de Afrikaanse grondstoffen weet te vinden om hun hongerige economieën te voeden, zonder toevoeging van meerwaarde voor het land van productie. Zit ik volgende keer in Hôtel l’Auberge aan tafel met een Rus of een Braziliaan?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur