Straffe koffie

Op de hellingen aan de Congolese zijde van het Ruwenzorimassief (over)leven mensen in een wereld zonder staat. De gevolgen hiervan zijn hallucinant.

Het is een gebied dat me erg nauw aan het hart ligt. Niet in het minst omwille van de pracht van de natuur en de biodiversiteit. De bergen van de maan doken al op in de geschriften van de Griekse geograaf Ptolomeus in de tweede eeuw van onze tijdrekening. Die naam werd bedacht door de bewoners van de vlakte in de schaduw van de bergen. De maan komt op in het Oosten boven de bergen, en vanuit die vlakte gezien lijkt het alsof ze zich elke dag weer lostrekt uit de hagelwitte gletsjers die boven 4.500 m hoogte de toppen bekleden.

Het is intussen 26 jaar geleden dat ik langs de Oegandese kant de Rwenzori heb beklommen tot aan de sneeuwgrens, maar het voelt aan alsof het pas gisteren was, zo diep zijn de indrukken die de overweldigende natuur op me heeft gemaakt. De bizarre vormen van de afro-alpiene vegetatie geven je het gevoel alsof je op een andere planeet bent beland, zonder vertrouwde levensvormen. Ik zal er mijn hele leven lang vol be- en verwondering blijven aan denken.

Ontsluitingswegen

Ook aan Congolese zijde werden ooit bergtochten georganiseerd. Mijn generatiegenoten onder de bergbewoners herinneren het zich nog goed, hoe ze als drager voor de hikers een flinke cent konden bijverdienen. Sinds de toevloed van Rwandese vluchtelingen in 1994 en de niet-aflatende opeenvolging van rebellengroepen is de activiteit sindsdien volledig stilgevallen en zijn de bergbewoners nu volledig aangewezen op hun landbouwactiviteiten. Zo zijn ze geleidelijk aan volledig afgezonderd geraakt van de buitenwereld. Alle connecties met de hoofdstad Kinshasa op meer dan 2000 km zijn intussen volledig verdwenen. Alle landbouwproducten worden opgekocht door Oegandezen, via het grensstadje Kasindi. Er zijn slechts twee wegen die het gebied binnendringen, en die zijn in behoorlijk slechte staat. Maar één van hen werd onlangs hersteld door de Duitse organisatie Wilthungerhilfe, en de resultaten daarvan kunnen ronduit spectaculair worden genoemd: in plaats van twee handelaars per dag komen nu elke dag gemiddeld zes vrachtwagens tot in Mutwanga. Alle trossen kookbanaan vinden nu een afnemer en de prijs van een tros is met 50% toegenomen. Het belang van goede landelijke ontsluitingswegen kan nooit voldoende worden onderstreept.

Eén landbouwproduct vindt echter GEEN afzet via de grenspost in Kasindi. De redenen hiervoor liggen voor de hand. Op koffie wordt door zowat alle overheidsdiensten tol geheven, en om te ontsnappen aan de meer dan 13% afroming door dat institutioneel parasitisme wordt alle koffie over de grens gesmokkeld. Resultaat: de staat verwerft geen enkele inkomst uit die koffie. Hoe kortzichtig kan een overheid zijn? Maar de koffie zelf heeft er ook geen baat bij. Het verhaal van de Ruwenzori-koffie is het vertellen meer dan waard.

Koloniale praktijken

Alles begon in de koloniale tijd. De Belgen voerden de arabica koffie in, eerst voor hun eigen plantages. Later gunden ze ook aan de Congolezen het recht om een cash crop te verbouwen. Maar het mochten niet meer dan 25 koffiestruiken per boer zijn, net genoeg om belastingen te kunnen betalen. Wie er meer had zou wel eens rijk kunnen worden, en dat is het laatste wat het koloniaal systeem beoogde. Iedereen herinnert zich nog goed hoe zwaar die oudere man werd aangepakt toen de Belgen er achter kwamen dat hij stiekem anderhalve hectare koffie had geplant.

Geleidelijk aan draaide het koloniale systeem bij, en werden de boeren aangemoedigd om zich te verenigen in coöperatiefjes. Maar de enige bedoeling was om het ophalen van de koffie te vergemakkelijken, want de verwerking en verkoop bleven volledig het monopolie van de blanken, en de koffieboeren bleven totaal afhankelijk van hen. De gevolgen daarvan werden duidelijk toen eerst door de dekolonisatie, en kort erop in 1964 door de rebellie de laatste Belgen het gebied verlieten. De coöperatiefjes kwamen zonder afnemer te zitten en gingen allemaal overkop.

Satan

In de jaren zeventig maakte de Robusta-koffie furore, en het Nationale Koffie Agentschap (ONC) nam de verkoop op zich. Twaalf coöperatieve verenigingen zagen het licht, gestoeld op het koloniale model. Maar later werd het ONC zijn vermarktingsmonopolie afgenomen, en dook de tracheomycose  op, die de teelt van Robusta-koffie volledig onderuit haalde. De laatste 30 jaar was het “elk voor zich en Satan voor allen”, zoals de boeren me vertelden. Misschien heeft dat wel te maken met de manier waarop ze hun koffie behandelen.

Omdat alle verwerkingsinstallaties intussen zijn verdwenen drogen de boeren hun bessen op de grond, terwijl ze hun velden gaan bewerken. Intussen staat de koffie bloot aan alle elementen, en moet dikwijls vele malen opnieuw worden gedroogd. Tenslotte belandt hij in zakken in de slaapkamer van het boerengezin, maar wegens het te hoge vochtgehalte gaat hij daar soms ongemerkt gisten met hoge temperaturen tot gevolg, die de bonen volledig kunnen verkolen. Je zou voor minder aan de duivel denken.

Moet er nog zand zijn?

De koffie wordt doorgaans in de vorm van gedroogde bessen verkocht aan Oegandese handelaren of hun Congolese intermediairs. Met hen wordt dikwijls afgesproken dat ze er tot 20 % songobari mogen onder mengen. Dat is grof zand met een korrelgrootte die deze van een koffieboon benadert en dezelfde kleur heeft, maar veel zwaarder is. Opkopers worden op die manier opgelicht. Hun machines scheiden die steentjes van de koffiebonen, en dikwijls worden ze dan gewoon opnieuw weer naar Congo gere-exporteerd om weer onder de koffie te worden gemengd. Van een artificiële economie gesproken! De grote verliezer is natuurlijk de Congolese koffieboer. Want de reputatie van zijn koffie is uiteraard volledig naar de vaantjes, en de prijs keldert tot bedragen die dichter bij de prijs van zand liggen dan van koffie…

Het vermarkten van de koffie in een markt die zo is scheefgetrokken is geen sinecure. Eerst moet de koffie per brommer worden vervoerd naar het smokkelstadje Muramba. Dat kost al meteen 8 dollar per zak. Daar heft de Agence Nationale de Renseignements, die absoluut geen enkel mandaat daartoe heeft (en die ik daarom systematisch de Agence Nationale de Rançonnement noem), een belasting van 2$ per zak, en het officiële Congolese leger, de FARDC, doet nog eens hetzelfde.

Van daaruit vertrekt de koffie op de rug van dragers naar buurland Oeganda. Voor een loodzware afdaling van 2 uur verdienen ze 4 $ per zak. Er zijn meer dan 50 illegale oversteekplaatsen naar Oeganda, en allemaal zijn ze bemand door FARDC-soldaten die nog maar eens met het geweer in de hand doorgangstol eisen. Eén van de boeren wees naar het litteken in zijn gezicht, hoe hij geprobeerd had te ontsnappen aan die militairen. Een schampschot midden op zijn brede neus had hem voor de rest van zijn leven getekend.

Klonen

De koffie wordt doorverkocht aan Oegandese coöperaties, die de koffie sorteren en langs officiële weg verkopen als Oegandese koffie aan een prijs die minstens drie maal hoger ligt dan in Congo. Ze krijgen er nadien ook nog eens een ristorno bovenop, allemaal inkomsten die de Congolese koffieboeren aan hun neus zien voorbijgaan. Hoeft het dan te verwonderen dat er zich kapers op de kust aandienen zoals Rwenzori Business Coffee? Ze noemen zichzelf een NGO, en nodigen Congolese boeren uit zich lid te maken van hun vereniging voor iets minder dan een dollar. In ruil kunnen ze dan gratis plantgoed verkrijgen.  Wedden dat hier de tussenhandelaren achter zitten? Ze brengen klonen binnen van een arabica-robusta hybride waar verder niemand in Congo iets van afweet, laat staan er controle over heeft. Uiteraard hopen ze zo het volume Congolese koffie dat van nationaliteit en van prijs verandert nog op te drijven.

Koffietafelgesprekken

Dat die mensen die blijven geloven dat er in Oost-Congo nog een vorm van staatsbestel bestaat nu eindelijk die schellen eens van hun ogen halen. En zij die nog geloven in de goede intenties van buurland Oeganda, dat zich heeft opgedrongen als bemiddelaar bij de vredesbesprekingen tussen Kinshasa en de rebellenbeweging M23, hebben nu hopelijk ook begrepen waar het hen uiteindelijk allemaal om te doen is. Wat een veelvoudige hypocrisie!

De grote uitdaging bestaat er nu in om deze maffiose toestanden om te vormen tot een reguliere markt waarin de producent beloond wordt voor zijn inspanningen om kwaliteit te produceren. Dat zal geen eenvoudige opdracht worden, omdat soldaten over wapens beschikken. Maar als we daar in slagen, dan kunnen we spreken van ontwikkeling: het losmaken van de wikkels die de boeren gevangen houden in een situatie van totale uitbuiting. Over enkele jaren kunnen we dan hopelijk een verleden tijd hanteren in onze koffietafelgesprekken over hoe het er aan toeging vóór die geurige Ruwenzori-koffie van topkwaliteit tot stand is gekomen.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3205   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur