Een Ethiopisch perspectief op internationale ongelijkheid

Kapitaal zoekt fiscus

© Elias De Gruyter

‘Liever taksen dan hooivorken.’ Het regent deze weken uitspraken en rapporten over ongelijkheid. De VN publiceerde in december haar jaarlijkse rapport over menselijke ontwikkeling en Oxfam telde trouw de duizelingwekkende hoeveelheid geld van ’s werelds miljardairs en miljonairs.

Die laatste groep hield vorige week conclaaf in Davos, en een clubje dissidenten liet per brief weten meer belastingen te willen betalen. ‘Miljonairs tegen Hooivorken’, noemt het honderdtal zichzelf. Mooi zo — nu nog écht stoppen met lobbyen voor lagere belastingen.

Studeren of sterven

Ongelijkheid kun je meten binnen een land, zoals tussen hoog- en laagopgeleiden, stads- en plattelandsbewoners, of tussen mensen met en zonder recente migratiegeschiedenis. Maar dat is niet het hele plaatje. Dat een Belgisch kind veel kansrijker is dan pakweg een Ethiopisch kind, illustreert het probleem van internationale ongelijkheid.

Het vermelde VN-rapport beschrijft hoe een kind uit een ontwikkelingsland, geboren in 2000, bijna zes keer zo veel kans heeft om te sterven voor haar twintigste (17%) dan om te studeren (3%). In een rijk land als België rondt meer dan de helft van diezelfde generatie nu haar kerstexamens af, en is de overgrote meerderheid in leven.

Arm “groeiland” Ethiopië

Ik ben in Ethiopië voor mijn master in Global Studies. Dit land is prachtig, kleurrijk van berg tot dal, een culturele, historische en natuurlijke schat. Ethiopiërs zijn mooie mensen. Ze hebben vee of een veld of een winkeltje, ze wandelen om water of naar school, maken vuur om te koken, eten samen, bidden samen, want God is hier ook. Ethiopië heeft het allemaal.

De meeste mensen voelen weinig van de indrukwekkende economische groei van de laatste jaren.

Behalve geld.

Mensen trekken van het platteland naar de stad, rollen een kar bananen op de avondmarkt of zwoegen op Chinese bouwwerven — voor Ethiopische bankgebouwen. Ondertussen kampt Ethiopië met een handels- en dus een dollartekort, inflatie, met daar bovenop schulden als toetje. Het leven wordt duurder, kortom, en de meeste mensen voelen weinig van de indrukwekkende economische groei van de laatste jaren.

Een recente lening van het Internationaal Muntfonds moet daar iets aan doen. Zo ook de ambitieuze plannen van de regering (en verschillende vorige) om de armoede aan te pakken door te industrialiseren en buitenlandse investeerders aan te trekken.

Gisteren bezocht ik drie kledingfabrieken van Aziatische bedrijven die zich in de hoofdstad, Addis Abeba, hebben gevestigd. Ethiopiërs naaien er babypakjes voor H&M, en ze werken goedkoper dan hun collega’s in Bangladesh of Vietnam.

Oogsten en beter verdelen

Ontwikkeling heet dat. Maar je wordt er niet rijk van, hoogstens minder arm. Investeerders en geldleners brengen kapitaal binnen, maar enkel als ze daar zelf winsten of intresten uit kunnen halen. Bovendien vloeit er via belastingparadijzen en vals geprijsde facturen van multinationals jaarlijks meer geld uit ontwikkelingslanden dan er binnenstroomt via alle buitenlandse hulpprogramma’s en investeringen samen.

De oproep van het groepje miljonairs is daarom een juist geluid. Zullen de Ethiopische boeren er ooit iets van merken? Een hooivork is alles wat ze hebben, en veel rijf je daarmee niet binnen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur