Kosovo: miserie, spanningen en een bevroren conflict in de maak

De recente betogingen in de Kosovaarse hoofdstad Pristina – de grootste sinds Kosovo zich eenzijdig onafhankelijk verklaarde van Servië in 2008 – en het geweld dat daarmee gepaard ging wijzen op diepe onvrede met de weinig hoopgevende sociaaleconomische situatie in het land, de wijdverspreide corruptie en de uitzichtloze politieke onduidelijkheid omtrent de relaties tussen Kosovo en Servië en de status van Kosovo. Nationale controverses tussen de Albanese meerderheid in Kosovo aan de ene en de Kosovaarse Serven en de Servische staat aan de andere kant blijven echter ook 15 jaar na afloop van de oorlog het meest effectieve middel om de ontevreden bevolking te mobiliseren.

  • ©MO*/Laia Pau Romaní Rellen in Pristina, 27 januari ©MO*/Laia Pau Romaní

Op zaterdag 24 januari kwam een grote massa bijeen in het centrum van Pristina – volgens de politie ging het om 7.000 demonstranten, volgens de organisatoren om 30.000. Onder leiding van de grootste oppositiepartij Vetëvendosje! (letterlijk: Zelfbeschikking) eisten de betogers het onmiddellijke ontslag van Minister Aleksandar Jablanović en de nationalisering van de mijn van Trepça.

Na afloop van de betoging ventileerde een kleine groep betogers haar woede op overheidsgebouwen en horecazaken in het stadscentrum. Op dinsdag 27 januari kwam het tot een nieuwe betoging, die al snel ontaardde in gewelddadige rellen tussen groepjes betogers en de oproerpolitie. De betogers bekogelden de politie met stenen en molotovcocktails; de politie beantwoordde met traangas en waterkanon.

De balans na een straatgevecht dat ruim vijf uur duurde was 170 gewonden en grote materiële schade. Aan de vooravond van nieuwe betogingen besliste Eerste Minister Isa Mustafa op dinsdag 3 februari dat Jablanović geen deel meer uitmaakt van de regering. Alhoewel verdere betogingen voorlopig opgeschort zijn, lijken de Albanees-Servische nationale spanningen niet meteen van de baan.

Sociaaleconomische miserie en corruptie

De betogingen worden algemeen gezien als een uiting van ongenoegen over de troosteloze sociaaleconomische situatie en de wijdverspreide corruptie en vriendjespolitiek in Kosovo. De werkloosheid is torenhoog: officiële cijfers maken gewag van een werkloosheidsgraad van 35%. Deze loopt op tot 55% bij jongeren. De massale uitstroom van migranten die trachten de Europese Unie illegaal binnen te geraken toont aan hoe uitzichtloos de situatie voor velen is.

Kosovo bekleedt de 110e plaats in de corruption perceptions index van Transparency International met een score van 33/100

Tegelijkertijd blijven de overheid en de daaraan verbonden economische voordelen stevig in handen van een gesloten politieke elite, met wijdverspreide corruptienetwerken tot gevolg. Kosovo bekleedt de 110e plaats in de corruption perceptions index van Transparency International met een score van 33/100, ver achter de meeste andere landen in de regio.

Na de parlementsverkiezingen van juni 2014 groeide de hoop dat er eindelijk een drastische verschuiving zou plaatsgrijpen in het politieke bestek. De uittredende Democratische Partij van Kosovo (PDK) was dan wel de grootste gebleven, de partij slaagde er niet in om een coalitie op poten te zetten omdat de overige partijen, onder leiding van de Democratische Liga van Kosovo (LDK), een akkoord hadden gevormd om een regering te vormen zonder de PDK.

Deze ommekeer werd echter onmogelijk gemaakt omdat het grondwettelijk hof, volgens velen nauw gelieerd aan de PDK, besliste dat enkel de partij die de verkiezingen gewonnen had de regeringsvorming kon leiden. Na zes maanden van politiek getouwtrek en onder grote internationale druk vormden de PDK en de LDK – de twee grootste partijen aan Albanese zijde – in december een coalitieregering. Bij veel mensen overheerste teleurstelling: noemenswaardige verandering zou nog maar eens uitblijven.

Toch bleef het al die tijd rustig in Kosovo. De triggers die de mensen ertoe brachten om massaal op straat te komen waren een onbezonnen uitspraak van de Kosovaars Servische Minister Aleksandar Jablanović en het onvermogen van de Kosovaarse regering om een beslissing te nemen omtrent de nationalisering van de mijn van Trepça onder druk van de Servische regering in Belgrado.

De Servische Lijst

Jablanović, een Serviër uit het noorden van Kosovo, is de leider van de Servische Lijst. Deze partij won de verkiezingen onder de Servische gemeenschap in Kosovo – met ca. 100.000 goed voor een kleine 5% van de bevolking. Grondwettelijke bepalingen garanderen dat de Servische gemeenschap vertegenwoordigd wordt door minimaal 10 parlementsleden en een aantal ministers.

De huidinge zetelverdeling leidt tot de bizarre situatie dat de Servische ministers in de Kosovaarse regering een land regeren dat ze de facto niet erkennen.

De Servische Lijst won 9 van de 10 Servische zetels in het parlement en mocht twee ministers en een vicepremier leveren in de nieuwe regering. De Lijst wordt echter gesteund en gefinancierd door de Servische regering in Belgrado en vertolkt het officiële Servische standpunt dat de Kosovaarse onafhankelijkheid illegaal is en dat Kosovo een deel van de Servische staat blijft. Dit leidt tot de bizarre situatie dat de Servische ministers in de Kosovaarse regering een land regeren dat ze de facto niet erkennen.

De controverse omtrent de regeringsdeelname van Servische politici die de onafhankelijkheid van Kosovo niet erkennen werd helemaal op de spits gedreven na een incident waarbij een organisatie van familieleden van vermiste personen een groep Serven aan de vooravond van Orthodox kerstmis de toegang versperde tot de Orthodoxe kerk in Gjakova in het westen van Kosovo. Jablanović uitte hierover zijn ongenoegen en verwees naar de demonstranten als ‘wildemannen’.

Later verklaarde Jablanović dat hij niet wist dat zijn uitspraak mogelijks kwetsend kon zijn omdat hij geen weet had van de oorlogsmisdaden die hadden plaatsgevonden in de regio van Gjakova, nochtans een van de ergst getroffen gebieden. Deze uitspraken aan het adres van slachtoffers van het conflict van 1997–99 door een man die door veel Kosovaarse Albanezen gezien wordt als een marionet van de Servische regering zorgde voor bijzonder veel verontwaardiging en meteen werd vanuit verschillende hoeken het ontslag van Jablanović geëist.

Alhoewel Eerste Minister Mustafa de uitspraken van Jablanović veroordeelde, kon hij Jablanović niet zomaar opzij schuiven omdat de Servische Lijst de absolute controle heeft over de Servische zetels in het parlement en dus onmisbaar is voor het voortbestaan van de regering en omdat Jablanović direct ondersteund wordt door de Servische regering.

Op dinsdag 3 februari, aan de vooravond van nieuwe betogingen, gaf Mustafa dan toch toe aan de publieke druk en verklaarde dat Jablanović geen deel meer uitmaakt van de regering. Jablanović zelf reageerde ontgoocheld en stelde dat deze beslissing voor zijn partij onaanvaardbaar is en dat de partij zich in de komende dagen zal beraden over verdere stappen, in samenspraak met de Servische regering.

De Servische regering noemde de beslissing om Jablanović te ontslaan ondertussen een zware fout en een vernedering van Servische vertegenwoordigers in regionale instellingen. Niet bepaald de meest diplomatische communicatie, dus. Indien de Servische Lijst het ontslag niet aanvaardt, lijkt een diepe regeringscrisis onafwendbaar. Deze crisis zal de gespannen politieke relaties tussen Kosovaars Albanese partijen aan de ene kant en de Servische Lijst en de Servische regering aan de andere kant nog meer bemoeilijken. Het blijft daarbij afwachten wat de gevolgen van deze politieke spanningen zullen zijn voor de voorzichtige harmonisering tussen Serven en Albanezen in Kosovo en de integratie van Kosovaarse Serven in de Kosovaarse instellingen.

De mijn van Trepça

Terwijl de controverse rond Jablanović volop aan de gang was, verklaarde de regering van Mustafa zelfverzekerd dat ze een wet zou goedkeuren waarmee ze de mijn van Trepça zou omvormen tot een overheidsbedrijf. Trepça was het paradepaardje dat symbool stond voor de snelle industrialisering en ontwikkeling van Kosovo onder het communistische Joegoslavië. In haar hoogdagen stelde de mijn meer dan 20.000 mensen tewerk. Sinds het einde van de oorlog in 1999 draait de mijn op minimumcapaciteit, in afwachting van een akkoord tussen de Servische en de Kosovaarse regering omtrent de eigendomsrechten over de mijn.

Het operatiecentrum van de mijn bevindt zich bij Mitrovica, een stad in het noorden van Kosovo die verdeeld wordt in een Albanees zuidelijk gedeelte en een Servisch noordelijk gedeelte. De Servische regering reageerde meteen scherp op het voornemen van de Kosovaarse regering om Trepça eenzijdig te nationaliseren en ook de Servische ministers in de regering dreigden ermee uit de regering te stappen als de wet zou worden goedgekeurd, wat Mustafa ertoe dwong op zijn stappen terug te keren.

Belgrado houdt eraan vast de Pristina niet eenzijdig kan beslissen over Servische instellingen in Kosovo – naast de mijn worden ook onderwijs- en gezondheidsinstellingen in Servische gemeentes gecontroleerd en gefinancierd door de Servische regering. De Kosovaars Albanese partijen en een overgrote meerderheid van de Kosovaars Albanese bevolking vinden echter dat een onafhankelijk land absoluut beslissingsrecht heeft over instellingen die zich binnen haar grondgebied bevinden, zeker als wordt verwacht dat die instellingen het land een nodige economische boost kunnen geven.

Het akkoord van Brussel – frozen conflict?

De betogingen en onrust van de laatste weken tonen aan dat Servisch-Albanese nationale spanningen nog steeds een bijzonder effectief middel zijn om mensen te mobiliseren. Het is verontrustend vast te stellen dat politici met succes nationale spanningen met Servië hanteren om de Kosovaars Albanese bevolking te mobiliseren tot gewelddadige protesten. De veel bredere en legitieme frustraties van de bevolking omtrent sociaaleconomische miserie en vriendjespolitiek dreigen zo te vervlakken tot een louter nationalistisch protest tegen Servië en de Servische bevolking in Kosovo.

Anderzijds wordt de ongerustheid omtrent het lot van de Serven in Kosovo, die vooral in het zuiden van het land verdeeld leven in relatief kleine gemeenschappen en dus kwetsbaar zijn in periodes van nationale spanningen, door de Servische regering gebruikt om haar positie als beschermer van de Servische bevolking in Kosovo kracht bij te stellen en een zekere zeggingskracht over aangelegenheden die de Servische bevolking in Kosovo aanbelangen te eisen.

Het is precies de blijvende inmenging van Servië in Kosovaarse aangelegenheden die de essentie vormt van de onrust van de laatste weken.

En het is precies die blijvende inmenging van Servië in Kosovaarse aangelegenheden die de essentie vormt van de onrust van de laatste weken. Op 19 april 2013 sloten de Kosovaarse en de Servische regering een als historisch bestempelde akkoord in Brussel, dat er kwam na een door de Europese Unie gefaciliteerde reeks onderhandelingen in het kader van de toetredingspogingen van beide landen.

Dit akkoord heeft, zonder een uitspraak te doen over de status van Kosovo, geleid tot een normalisatie van de relaties tussen Belgrado en Pristina en de geleidelijke integratie van de Servische bevolking binnen de Kosovaarse instellingen. De stijgende opkomst van Kosovaarse Serven bij Kosovaarse verkiezingen, hiertoe opgeroepen door de Servische regering, en de regeringsdeelname van de Servische Lijst zijn een direct gevolg van dit integratieproces.

Onder de Kosovaars Albanese meerderheid leeft echter het idee dat het akkoord de Servische regering in staat heeft gesteld om een blijvende invloed uit te oefenen op interne Kosovaarse aangelegenheden, zowel door middel van haar rechtstreekse invloed op Servische ministers, politici en autoriteiten in Servische gemeenten in Kosovo, als door alle kwesties die de Servische bevolking in Kosovo aanbelangen op de agenda van de normaliseringsonderhandelingen tussen Servië en Kosovo te plaatsen.

Die onderhandelingen worden ook gevoerd vanuit een neutraal standpunt, wat wil zeggen dat er geen standpunt wordt ingenomen omtrent de onafhankelijkheid van Kosovo (vijf EU-lidstaten – Spanje, Slovakije, Roemenië, Griekenland en Cyprus – erkennen Kosovo niet) in de pogingen van Kosovo en Servië om toe te treden tot de EU. De onderhandelingen bestendigen op die manier de onduidelijkheid omtrent de status van Kosovo.

Bovendien raken ze om blijvende dialoog te garanderen niet aan bepaalde gevoelige thema’s (zoals de mijn van Trepça of parallelle Servische instellingen in Kosovo voor lokaal bestuur, onderwijs en gezondheidszorg), wat de armslag van de Kosovaarse staat gevoelig beperkt terwijl de Servische regering haar invloed op de Servische bevolking in Kosovo institutionaliseert en verstevigt.

In eerste instantie is het nu afwachten wat de gevolgen zullen zijn van het ontslag van Jablanović voor het voortbestaan van de Kosovaarse regering en Albanees-Servische relaties in Kosovo. Op 9 februari komen de leiders van de Servische en Kosovaarse regeringen opnieuw bijeen in Brussel om de onderhandelingen over de relaties tussen beide landen verder te zetten. Daadkracht en visie zijn daar vereist om de huidige spanningen te ontmijnen en beslissingen te nemen die moeten vermijden dat Kosovo uitgroeit tot een nieuw frozen conflict in de periferie van Europa. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2563   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Servië & Kosovo

    Pieter Troch studeerde Oost-Europese Talen en Culturen in Gent en behaalde een doctoraat met een historische studie over natievorming in Joegoslavië.