Het is ochtend in het Avondland

Land met een Franse slag

© Kris Janssens

Op onverwachte plekken en momenten kom je de Fransen nog tegen, in Cambodja.

Er was een tijd dat Frankrijk de baas was in Cambodja. Maar dat is intussen bijna zeventig jaar geleden. En toch kom je die Fransen op onverwachte plekken en momenten nog tegen, stelt wereldblogger Kris Janssens vast.

Zodra de vrouw mij in haar vizier krijgt, loopt ze recht op mij af. Ze heeft een typische kramaai-doek op het hoofd gebonden en loopt met een fiere tred, bijna als een mannequin. Neus in de lucht, schouders naar achter en zelfverzekerd. Ze ontwijkt ze moeiteloos alle obstakels in de smalle gangen tussen de kraampjes van de markt in Kandal, de provincie naast Phnom Penh, waar ik op bezoek ben.

De Cambodjaanse grootmoeder begint meteen te vertellen, zonder introductie, en het duurt even voor ik doorheb dat ze Frans praat.

Uit haar verhaal maak ik op dat ze nog voor de Fransen gewerkt heeft, toen die hier de baas waren. En ze gaat er gemakshalve van uit dat alle blanken Frans begrijpen.

De Fransen zijn hier terecht gekomen omdat ze in deze regio ’ook een stukje grond wilden hebben’, zo ging dat in de negentiende eeuw.

Haar taal is heel verzorgd en voornaam en haar accent doet denken aan dat van de Provence: met net iets meer nasale klanken dan nodig.

In het Cambodjaans zitten nog veel Franse woorden verstopt. Namen van landen, bijvoorbeeld, zijn een verbastering van de Franse versie.

België, Nederland, Duitsland wordt Belziek, Hollang, Allemang. Dat geldt dan weer niét voor Frankrijk en Fransman, want dat is Barang.

De Fransen zijn hier terecht gekomen omdat ze in deze regio ’ook een stukje grond wilden hebben’, zo ging dat in de negentiende eeuw. De Britten waren op dat moment al in India en Bangladesh en sleepten zakken vol kruiden en specerijen naar huis. En dus wilde Frankrijk niet achterblijven. Het gebied dat letterlijk tussen India en China lag, Indochine dus, leek hen wel wat — met de Mekong die er als belangrijke waterweg dwars doorheen loopt.

Ik probeer me voor te stellen in wat voor land die eerste kolonisten terecht zijn gekomen.

‘Mais qu’est ce que c’est ça, quel bordel ici’, moeten ze gedacht hebben en ze zijn meteen orde in de chaos beginnen te scheppen. Er moesten bevolkingsregisters komen, kadasters en administratieve kantoren, concepten die hier toen wellicht niet bestonden. Daarom waren er zoveel Cambodjaanse ambtenaren nodig om al dat werk te doen.

Het woord voor burgerlijke stand is vandaag nog altijd “étaa civel”. Een contract is “congtraa” en wil je er een handtekening onder zetten, dan zeg je “signee”.

Ook andere begrippen uit die periode komen uit het Frans. Een schroevendraaier is een “toerlevie”. Een “srei langsée” is een meisje, een “srei”, uit een promoteam dat bijvoorbeeld een nieuw biermerk lanceert. Een “srei langsée”. Cambodjanen beseffen vaak niet waar die woorden vandaan komen of waarom ik ze zo grappig vind.

De Fransen zijn weggegaan in 1953. Na de Tweede Wereldoorlog hebben ze nog even geprobeerd om de draad gewoon weer op te pikken waar ze die in de jaren 40 hadden achtergelaten.

Zoals ook in Congo of Indonesië gebeurd is. Maar dat bleek onmogelijk. De geest was uit de fles en de tijden waren onherroepelijk veranderd.

En toch kom je die Fransen op onverwachte plekken en momenten nog tegen. Zo is de brede boulevard naar de tempel van Angkor Wat niet genoemd naar een grote Cambodjaanse koning of naar een element uit het boeddhisme. Nee, om naar hét symbool van dit land te rijden, neem je de statige Charles de Gaullelaan.

De Gaulle bracht in 1966, dus ruim tien jaar na de onafhankelijkheid, een legendarisch bezoek aan Cambodja. Op de beelden uit de tijd zie je hem samen met een trotse koning Norodom Sihanouk, eigenlijk prins op dat moment -maar dat is een lang verhaal.

De twee mannen staan naast elkaar in een open auto en worden door Phnom Penh gereden, waar een enthousiaste menigte hen toejuicht.

Het contrast tussen de lange slungelige generaal met die rare hoge pet en de veel kleinere Cambodjaan in zijn witte kostuum is hilarisch. Bij het uitstappen komt er een lakei aangelopen, die traditioneel een baldakijn boven het hoofd van belangrijke bezoekers moet houden -om permanent voor schaduw te zorgen.

‘Begeleiden van hoge gasten’, stond wellicht in de jobomschrijving. Dat die gasten zò hoog konden zijn, had deze jongen niet kunnen vermoeden.

De hele scène doet mij denken aan Les vacances de monsieur Hulot. Een slapstick personage van Jacques Tati, dat door zijn rijzige gestalte in onhandige situaties terecht komt.

Het Frans is folklore geworden en ik denk niet dat er nog veel Fransen zijn die beseffen welke stempel ze hier in dit land, zo ver van Parijs, hebben achtergelaten.

De rit gaat naar het Olympisch stadion in Phnom Penh, waar overigens nooit Olympische Spelen hebben plaatsgevonden -maar ook dat is een ander verhaal.

Norodom Sihanouk neemt er het woord in een keurig en zuinig Frans, met een opgewonden trilling in zijn stem die een beetje aan koning Boudewijn doet denken.

De Gaulle hoopt in zijn toespraak dat de Amerikaanse oorlog in buurland Vietnam, die half jaren 60 volop woedt, niet zou overslaan. Een ijdele hoop, zo zal blijken. Want in de jaren 70 en 80 gaat het bergaf met Cambodja. Eerst had je de Rode Khmer en later nog eens een burgeroorlog.

Het land is in de jaren 90 opgebouwd met de steun van de Verenigde Naties. Die hebben het Engels als nieuwe internationale taal geïntroduceerd en dat is zo gebleven.

Op sommige straatnaambordjes zie je nog ‘rue’ staan, een politiekantoor heet “poste de la police”. Er wordt ook petanque gespeeld, “boule” noemen ze dat. Maar het Frans is folklore geworden en ik denk niet dat er nog veel Fransen zijn die beseffen welke stempel ze hier in dit land, zo ver van Parijs, hebben achtergelaten.

Dit artikel werd eerder als podcast gepubliceerd op kris-janssens.com

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift