Een gemakkelijke prooi voor vlugge handjes

Het is ongeveer tien uur ’s avonds wanneer ik naar het centraal busstation van Santiago de Chile wandel. Zonder de peertjes die geïmproviseerde kraampjes langs het voetpad verlichten, zou het pikdonker zijn. Iedereen heeft haast. Door de drukte wordt het wandelpad steeds nauwer. De massa wordt als het ware door een smalle trechter geduwd. En dan kom ik in een stroomversnelling terecht…
Iemand zit aan mijn rugzak. Ik draai mij om en zie een meisje wiens gelaat Oeps, ik ben betrapt lijkt te zeggen. Met die uitdrukking loopt ze mij voorbij terwijl mijn boze blik haar achtervolgt.
Daarna voel ik opnieuw een ruk aan mijn rugzak. Ik kijk om en zie nu een jongen -die ik net zoals het meisje ongeveer 20 jaar schat. Ik verlies mijn zelfbeheersing en duw hem met een hevige stamp van me weg. Hij verliest zijn evenwicht en valt enkele passen achteruit. Eerst kijkt hij geschrokken en dan verontwaardigd, alsof hij wil zeggen Waarom reageer je zo, ik doe toch gewoon mijn job?
Ik krijg een harde schop vlakbij mijn kruis. Het is de voet van het meisje die de jongen ter hulp schiet. Ze staan nu met z’n vieren rondom mij klaar voor een vechtpartij. Ik ben een weerloze prooi, maar ik kook van woede. Alle voorbijgangers draaien hun hoofd weg van het schouwspel. Enkel een oudere vrouw komt dichterbij en fluistert onopvallend Ga weg, ze zijn gewapend. Ik steek het zebrapad over aan haar zijde. Dit is een gevaarlijke buurt. Je moet uitkijken, want misschien zijn ze uit op wraak. Langzaam trekt de adrenaline weg uit mijn bloed en klopt mijn hart langzamer.
Bestolen worden is mijn grootste zorg op reis. Er is niks zo vervelend als je paspoort, bankaart en geld verliezen in het buitenland. Dat overkwam mij op mijn tweede dag in Cuba. De Cubaanse zonnekloppers met wie we onze lunch deelden op een strand in Havana, namen meteen ook een buideltasje mee. Daarin zaten mijn paspoort, Visa-kaart, rijbewijs, identiteitskaart, telefoonboekje, de sleutel van de casa particular waar we logeerden én al het geld dat ik voor de reis voorzien had. Die reis eindigde in de ambassade van Herman Portocarrere –de bekende ambassadeur die (exotische) romans schrijft.
Tijdens mijn tweede reis in Zuid-Amerika ‘verloor’ ik twee fototoestellen. Een werd in Chili gestolen, het tweede in Bolivië. 
Op een verlaten kade in Belize City werd ik met het mes op de keel verzocht om mijn geld af te staan. Gelukkig was de dader zo beneveld dat ik er zonder kleerscheuren vanaf kwam.
In een bus in Managua, de hoofdstad van Nicaragua, zijn kruimeldieven erin geslaagd een zak te stelen, ondanks de verwittiging van een taxichaffeur, die zei dat ik beter met hem kon meerijden omdat het openbaar vervoer krioelt van de dieven.
In Colombia stapte ik een apothekerszaak binnen omdat ik gevolgd  werd door een man die ik niet vertrouwde. Maar ik verwachtte niet dat hij mij tot in de zaak zou volgen, om mij te bestelen terwijl ik in de rij aanschoof. De hand die hij in mijn broekzak stak om mijn portefeuille te grijpen, verraadde hem. Nadat de man wegliep, wond de apotheker zich op tegen mij, omdat ik de dief zomaar liet gaan zonder hem een lesje te leren.
En in Buenos Aires was mijn digitale camera verdwenen in de slaapkamer, toen ik terugkwam van het toilet. Met elk van de zeven kamergenoten kon ik nochtans goed opschieten. De gedachte dat een van hen mij bestolen had, maakte mij wantrouwig en ik begon –zonder het te willen- kamergenoten te verdenken. Weinig daarna besloot ik Buenos Aires te verlaten.
Wat kleine criminaliteit, diefstal, geweld en bendevorming betreft, heeft Latijns-Amerika een zeer slechte reputatie. En het ziet ernaar uit dat daar in de toekomst geen verbetering in komt. Over de oorzaak daarvan zijn de meest conservatieve en de meest progressieve stemmen het met elkaar eens. De vruchten van de economische groei bereiken nauwelijks het arme deel van de bevolking, waardoor het contrast tussen rijk en arm verscherpt en de ontevredenheid onder de minstbedeelden toeneemt. Dit verklaart ondermeer het succes van populistische leiders, de steeds groter wordende afkeer tegen de huidige globalisering en de toename van geweld en criminaliteit in verschillende gedaanten.
Op het perron van het busstation vertel ik de oude dame met wie ik de zitbank deel wat mij zonet is overkomen. Ze zucht: Ik werd ook vaak bestolen, maar voortaan verstop ik mijn geld beter. Zonder schaamte heft ze haar rok op en zegt ze lachend: wie mijn geld wil, moet het uit mijn onderbroek nemen. Volgens de dame is de dubbele ritssluiting met twee uitnodigende lintjes aan de voorkant van mijn rugzak, als een rode lap voor een stier. Ik weet het, zeg ik. Ik denk eraan achter die ritssluiting een lege portefeuille te steken. Een soort valstrik voor dieven. Voeg daar dan een briefje bij met de letters TKG, zegt de dame. TKG? Vraag ik. Ze lacht luidop: Te cagé!  (Vrij vertaald: ik heb je bij je…)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2623   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift