Het verhaal van een man achter de vluchteling op de Middellandse Zee

Mijn vlucht uit Irak

Simon Harrod

De vuurtoren van Samos, richtpunt voor Karrar tijdens zijn gevaarlijke overtocht van de Middellandse zee

Wereldblogger Patricia leerde Karrar uit Irak kennen als één van haar cursisten in de les Nederlands. Samen schreven ze zijn vluchtverhaal neer.

Ik kon niet meer verder in Irak. Aan mijn familie vertelde ik dat ik naar Iraaks Koerdistan zou vluchten. Maar mijn doel was Europa. Ik wilde hen niet ongerust maken. In Irak zagen we ook de beelden van mensen die verdronken op zee.

Met bijna tienduizend dollar cash op zak nam ik het vliegtuig naar Turkije. Ik wist dat ik in Turkije een boot zou moeten nemen. Daarom stopte ik de bankbriefjes eerst in een condoom. Ik scheurde voorzichtig de tong van mijn sportschoenen open. Daar verstopte ik mijn geld.

De onderwereld

Voor mijn voor mijn overtocht naar Griekenland betaalde ik 2500 dollar. Dat is veel geld maar het was de prijs voor een veilige boot. Midden in de nacht trok ik met andere vluchtelingen door een bos naar de plaats waar de boot op ons wachtte. Toen we daar aankwamen, zag ik overal op de grond mensen die lagen te slapen tussen kleren en kapotte tenten. Het waren precies zombie’s en ik was bang. Zo maakte ik kennis met de “onderwereld” van Turkije: dat waren de arme vluchtelingen. Zij hadden geen geld voor een boot.

Al na vijfhonderd meter op zee begaf de motor het. De vloer barstte, water kwam binnen.

De mensenhandelaars verkochten eerst tickets aan mensen met genoeg geld. Als het maximum aantal tickets verkocht was, lieten ze extra mensen aan boord voor honderd dollar of zo. De boot was niet wat ze beloofd hadden: het was een kleine rubberboot van maar zes meter lang. Ik wou niet mee maar had geen keuze: ze bedreigden ons met matrakken. Vóór ons was de zee en achter ons was de vijand. Met zestig mensen werden we gedwongen aan boord te gaan. Als Legoblokjes lagen we bovenop elkaar.

Al na vijfhonderd meter op zee begaf de motor het. De vloer barstte, water kwam binnen. Vrouwen en kinderen weenden. Iemand riep: ‘Alle mannen in het water!’. Ik weigerde. Ik kan wel zwemmen, maar dit was de zee. Ik wist niet hoe diep het daar was. Als ik dood moest gaan, ok, maar niet in het water.

Soms is liegen beter

We hadden geluk, de Turkse politie had ons gezien. De politieagenten haalden ons uit het water en namen ons aan boord van hun schip. Het politieschip was misschien honderd meter lang, maar wij moesten allemaal samen in een hoek gaan zitten, geplooid als vouwfietsen. Bijna zes uur vaarden ze met ons rond. Mijn kleren waren nat van het zeewater. Toen ’s ochtends de zon mijn kleren droogde, deed het zout pijn aan mijn huid.

De politieagenten toonden geen enkele emotie. Ze keken naar ons alsof wij geen mensen waren. Een paar mensen spraken Turks en zo hoorde ik dat ze ons naar een politiestation in Istanbul zouden brengen voor registratie. Iedereen raadde me aan om te zeggen dat ik Syriër was. Als ik de waarheid zou vertellen, zou ik teruggestuurd worden naar Irak, dat was de overeenkomst die Turkije had met mijn land.

In het politiestation moesten we lang wachten. Een Afghaanse man vroeg of hij naar het toilet mocht. Maar in plaats daarvan probeerde hij te vluchten. Tien minuten later had de politie hem al ingehaald. Ze brachten de man naar een soort hok met metalen wanden. Eén voor één gingen de agenten naar binnen.

Het was zoals in een tekenfilm: de wanden van het hok bewogen van links naar rechts, zo hard sloegen en schopten ze hem. De man riep en schreeuwde hysterisch. Toen hij eindelijk naar buiten kwam kon ik zijn gezicht niet zien, ik zag alleen bloed. Ik denk dat zeker tien agenten hem sloegen, de één na de ander.

Nadat ik zag hoe ze een Afghaanse man sloegen en schopten, besloot ik de waarheid te vertellen. Zo belandde ik in een openluchtgevangenis in Izmir.

Op dat moment heb ik tegen mezelf gezegd: ‘Als ik lieg, ben ik de volgende.’ Dus ik besloot de waarheid te vertellen, samen met nog een Irakees. De agenten noteerden onze namen en nationaliteit. Toen kwamen bussen ons ophalen. Na tien uur rijden hield de bus halt. We waren in de buurt van Izmir. Iedereen moest uitstappen. Ik zag grote kooien, als in een zoo. Achter de tralies zaten misschien wel duizend mensen. De politie controleerde opnieuw onze namen. Daarna mocht iedereen terug de bus in. Behalve ik en de andere Irakees. Wij moesten in die kooi.

Twee weken heb ik daar gezeten. Slapen kon alleen buiten, op de grond. Ik rolde mezelf in karton als bescherming tegen de kou. Ik kon mij nergens wassen. Er was een Turkse man die door de omheining heen scheermesjes verkocht. Mijn baard jeukte hard, dus kocht ik een mesje. Een andere man was mijn spiegel: hij zei waar ik moest scheren.

Om daar weg te komen had ik mijn paspoort nodig. Maar dat had ik met een koerierdienst in Istanbul laten opsturen naar mijn familie in Irak. Ik had gehoord dat Turkije mensen met een Irakees paspoort terugstuurde naar Irak, dus dacht ik dat ik beter af was zonder paspoort. Miserie, hoe moest ik daar weg geraken zonder paspoort? Mijn gsm had ik moeten afgeven aan de kampbewakers. Gelukkig was er een telefooncel. Ik kon een bankbriefje wisselen en belde mijn broer in Irak. Hij dacht net zoals de rest van mijn familie dat ik in Koerdistan zat. Ik legde hem de situatie uit en vroeg hem om te achterhalen waar mijn paspoort was. Hij moest beloven om niks te zeggen aan de rest van de familie.

Ik had geluk: mijn paspoort was nog in Istanbul. Een Irakees reisde ermee van Istanbul naar Izmir, dat heeft me 1500 dollar gekost maar ik had geen keuze. Voor ik het kamp verliet wou ik natuurlijk mijn gsm terug: ik had het nieuwste model Iphone 6 Plus, een goudkleurige. Op het kantoor vonden ze hem niet terug. Ik weigerde om zonder gsm weg te gaan. Toen ik hem uiteindelijk terugvond, bleek dat hij vierentwintig uur geblokkeerd was. Bewijs dat de bewakers geprobeerd hadden de code te kraken.

Busreis door Turkije

Samen met andere vluchtelingen nam ik een bus terug naar Istanbul. Toen we na tien uur reizen bijna in Istanbul waren, hield de politie ons tegen: de chauffeur werd verplicht om door te rijden naar Ankara. In Ankara was er opnieuw een politiecontrole. Daar stuurden ze ons naar een opvangcentrum aan de Turks-Syrisch-Irakese grens. Toen we aan de grens kwamen stuurden ze ons terug naar Istanbul.

Ik bleef maar op die bus zitten.

Met negen Irakese mannen op de bus beslisten we om in Istanbul een appartement te huren. Daar zouden we een paar dagen blijven en daarna verder reizen naar Europa. Het eerste wat ik deed in het appartement was een heel lange douche nemen. Terwijl ik mijn haar droogde, zei iemand dat hij een mensensmokkelaar gevonden had. We moesten onmiddellijk naar Izmir vertrekken, daar wachtte een contactpersoon ons op. Ik was amper een uur in het appartement en ik was zo moe. Maar ik had geen optie. We namen een bus terug naar Izmir.

In Izmir vroeg ik de mensensmokkelaar om niet te liegen over de boot. Hij beloofde ons een rubberboot in goede staat met plaats voor veertig mensen. We zouden naar het Griekse eiland Samos varen.

Tweede ontmoeting met de dood

Om één uur ’s nachts vertrokken we. Deze keer was de boot zoals beloofd en er waren niet meer dan veertig mensen. Het vertrekpunt was nieuw. Mensensmokkelaars veranderen regelmatig de plaats van vertrek om de politie te snel af te zijn. De smokkelaar legde uit hoe we moesten varen: ‘Richt jullie op het licht van de vuurtoren op Samos, dan komen jullie er vanzelf.’

Een kapitein was er niet. We hadden betaald voor een boot met motor en benzine. Verder waren we op onszelf aangewezen. Iemand nam de leiding, hij had tijdens zijn legerdienst met boten gevaren.

Nu nog hoor ik het geluid van die motor: TRRRRR, TRRRRR. Mijn hart trilde mee op het ritme van de motor.

Eenmaal op zee vaarden we in de richting van het licht van de vuurtoren. Maar: het licht vaarde ook! Het bewoog mee, het dreef steeds verder van ons af. Iedereen begon te bidden, iemand speelde koranverzen af op zijn gsm. Na een tijdje maakte de motor een raar geluid en even later viel hij stil. We hadden extra benzine bij. Maar ik had het geluid gehoord en wist dat er een probleem met de motor zelf was.

Nu nog hoor ik het geluid van die motor: TRRrrr, TRRrrr. Mijn hart trilde mee op het ritme van de motor. We zouden zeker met zijn allen doodgaan op zee. Ik zei tegen mezelf: ‘Karrar, je hebt een les gekregen en je hebt niets geleerd!’ Ik gaf mezelf de schuld voor de situatie waar ik in zat. Ik had de dood al eens in de ogen gekeken. Ik zag de film van mijn leven opnieuw voorbijflitsen. De gezichten van mijn moeder, mijn vrouw en kinderen. Ik dacht dat dat het laatste moment was voor mij. Ik voelde me heel zwak. Ik miste mijn kinderen. Wat had ik gedaan met mezelf? Ik was beter in Irak gebleven!

Plots draaide de motor weer. De hoop kwam terug! Bijna zes uur vaarden we op zee. Toen we aan land gingen, raakte ik de grond aan met mijn handen. Anderen scheurden de boot kapot om te vermijden dat iemand ons zou dwingen terug te varen naar Turkije.

Eindelijk in Griekenland

Ik belde mijn broer om te zeggen dat ik in Griekenland was. Hij dacht dat ik pas de volgende dag zou varen, ik had dat gezegd zodat hij zich geen zorgen zou maken. Op dat moment hoorde ook de rest van mijn familie wat ik gedaan had. Mijn moeder was boos omdat ik met een boot de zee was overgestoken. Zij had ook de beelden op televisie gezien.

Ik boekte een kamer in een chique hotel. Ik had geld en een paspoort. Na al die slechte ervaringen wou ik mezelf verwennen.

Hongarije was het beest voor vluchtelingen, het monsterland.

De volgende dag nam ik een ferry naar Athene en vandaar een bus naar Macedonië. Daar werd iedereen gedropt in een soort kamp met heel slechte omstandigheden. Bijna twee dagen moesten we daar wachten, waarom weet ik niet. Ze waren bezig met mensen sorteren. We moesten voor onszelf zorgen, er was geen eten. Dat waren twee heel slechte dagen.

Van Macedonië reisden we door naar Servië, soms te voet, soms per bus. Toen kwamen we aan in Hongarije. Dat was het beest voor vluchtelingen, het monsterland. Heb je dat gezien op tv, over die journaliste die vluchtelingen schopte? Dat gebeurde ongeveer een maand voor ik aankwam in Hongarije. Tot dan was er niemand die controleerde hoe ze met de vluchtelingen omgingen. Maar na dat filmpje van die journaliste kwam de VN ter plaatse en verbeterde de situatie.

De Hongaarse soldaten brachten ons te voet tot aan een plaats net over de grens. Ik denk dat het Kroatië was. Daar werden we op een trein gezet die ons naar een soort kamp bracht. De druk viel van ons af, het was ons gelukt, we waren Hongarije gepasseerd!

Op weg naar België

Ik ging voor de eerste keer in mijn leven naar McDonald’s. Ik was in Europa, ik had recht op varken!

In Kroatië verbleven we ook een tweetal dagen in een soort kamp. Daarna namen we een bus, of een trein - ik weet het niet meer zeker - naar Oostenrijk. In Wenen trakteerde ik mezelf opnieuw op een goed hotel. Ik was in West-Europa! Ik smeet al mijn vuile kleren weg. Op de markt kocht ik nieuwe kleren en ik ging naar een kapsalon. Ik maakte een nieuwe Karrar! Zo vond ik mezelf terug.

De mensen in het hotel waren vriendelijk. Ik zag er verzorgd uit, ze konden niet zien dat ik een vluchteling was. Ik ging voor de eerste keer in mijn leven naar McDonald’s! Andere vluchtelingen zeiden: ‘Karrar, dat is niet halal!’. Ik antwoordde: ‘Ja, dat weet ik! Geef mij een groot varken, geen probleem!’ Ik ben altijd zo, ik provoceer graag. Ik was in Europa, ik had recht op varken!

Na een nacht in Wenen nam ik een trein naar Duitsland. Ik bezocht Frankfurt, nam een foto en stuurde die naar mijn vader. In 1986 was mijn vader ook in Frankfurt. In die tijd gingen veel Irakezen met de auto op reis naar Europa of naar Turkije. We hadden toen een sterke economie. In Turkije kwamen de vrouwen kijken naar de chique auto’s van de Irakezen, wij hadden altijd de laatste modellen. Mijn vader vertelde me dat hij in Frankrijk met honderd dinar veel kon doen: rondreizen, cadeautjes kopen. Nu heb je misschien vijf miljoen dinar nodig!

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Wij Arabieren bijten elkaar. Daarom zitten we in zo een slechte situatie.

In het station van Frankfurt zag ik voor het eerst van mijn leven ticketautomaten. Met mijn technische achtergrond had ik snel door hoe die werkten. Het was laat in de avond en de loketten waren gesloten. Ik zag daar Arabieren die profiteerden van de situatie: ze kochten een voorraadje tickets en verkochten die dan voor veel geld door aan bejaarden en vrouwen die niet wisten hoe de automaten werkten. Het was echt bedrog! Dat heb je bij Arabieren: wij bijten elkaar. Daarom zitten we in zo een slechte situatie!

Ik hielp een paar mensen met het kopen van hun ticket aan de automaat. Daarna nam ik de trein naar Brussel, mijn eindbestemming. Toen ik uitstapte in Brussel-Centraal was ik verrast: het was zo vuil, overal lagen mensen op straat te slapen. Ik kon het niet geloven. Ik dacht dat Brussel zou zijn zoals Wenen en Frankfurt, dat waren mooie steden. ‘Is dat België?’, dacht ik. Maar snel besloot ik dat het niet uitmaakte: mooi of vuil, ik had gewoon een goede plek nodig om te leven.

Maar ik had me wel iets anders voorgesteld bij de hoofdstad van Europa.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur