Sociaal ondernemen, naar Tanzaniaans voorbeeld

Het aanhoudende getoeter, opwaaiende stof en straatlawaai van de drukste straat van de stad staat in schril contrast met de binnen heersende nijverige stilte. Enkel de ratelende Singer naaimachines en het schuiven van de stof over de houten werkbladen zijn te horen. Binnen wordt gewerkt, buiten wordt (over)(ge)leefd. De Tatu Rafiki ( ‘3 vrienden’ ) werken aan een gestaag tempo, in stilte. Tussen hen in ligt een stapel stoffen van de meest uiteenlopende kleuren en patronen.

  • © Elke van dermijnsbrugge De stille bedrijvigheid bij Tatu Rafiki © Elke van dermijnsbrugge
  • © Elke van dermijnsbrugge Tatu Rafiki, Moshi © Elke van dermijnsbrugge

In Tanzania zijn de prijzen van ingevoerde producten torenhoog, als ze al voorhanden zijn. Nutella, Nike sportschoenen, Philips haardrogers, Kit Kat. Elk product van vreemde afkomst kent zijn prijs, voornamelijk door de extra taks op importproducten. Tanzaniaanse goederen daarentegen, evenals arbeidskracht, zijn bijzonder goedkoop.

Tanzania’s economie is gebaseerd op landbouw en ambachten. En uiteraard ook toerisme. Waar het westen opnieuw naartoe wil gaan, met name lokale en kleinschalige economieën, dat is een realiteit in Tanzania, net omdat het alternatief, import uit pakweg China, nog niet van de grond is gekomen. Het westen vecht tegen datgene waar Tanzania naar verlangt. Maar ook omgekeerd.

Ondernemen: lokaal en internationaal  

Zeker rond Kilimanjaro, een van de vruchtbaarste gebieden van Tanzania, is er bijzonder veel landbouwnijverheid. Koffie, maïs, groenten en fruit, bloemen en planten. Alles tiert welig in de vruchtbare vulkanische bodem. Ook  ambachten zoals meubelmakerij, las- en smeedwerk en kleermakerij zijn een onlosmakelijk deel van de economie. Ondernemerschap zit de Tanzanianen in het bloed. Elk dorp heeft talloze werkplaatsen, maar ook lassers of kleer- en schoenmakers die langs de kant van de weg vakmanschap aanbieden.

Een zaakje opstarten in Tanzania is praktisch zeer haalbaar. Dat zeggen ook de buitenlanders die zich hier met een bedrijf hebben gevestigd. Dit betekent echter niet dat ondernemen van een leien dakje loopt.

Magafuli is bezig aan een grote schoonmaak en wil af van de grootschalige fraude en belastingontduiking

De administratie loopt traag en chaotisch, er moeten meer belastingen worden betaald dan vroeger en er is niet altijd genoeg materiaal voorhanden. Desalniettemin wordt er ondernomen, lokaal en internationaal. 

Ondernemingen, klein en groot, hebben het sinds de aanstelling van president Magafuli in november vorig jaar echter niet makkelijk. Magafuli is bezig aan een grote schoonmaak en wil af van de grootschalige fraude en belastingontduiking. Dit resulteert in hogere belastingen en sterke controles op (inter)nationale bedrijven.

Desalniettemin zijn de Tanzanianen en buitenlanders hoopvol voor de toekomst. Het lijkt erop dat Magafuli het land een serieuze en welkome duw in de rug wil geven. 

Tatu Rafiki

© Elke van dermijnsbrugge

Tatu Rafiki, Moshi

Nieuwe president of niet, in Moshi, aan de voet van Kilimanjaro, werken de ‘3 vrienden’ van Tatu Rafiki gestaag verder. De Singers doen hun werk. Er wordt niet gepraat, simpelweg omdat er niet gepraat kán worden. Tatu Rafiki is een dovenproject dat werd opgestart door Team Vista. De kleermakers zijn doof en de opbrengsten van hun werk gaan deels naar hen, deels naar schoolondersteuning voor (dove) kinderen. 

Vakmanschap, passie en plezier zijn hier de sleutelwoorden. Bij elk van mijn bezoeken word ik breed glimlachend verwelkomd, er wordt ‘geluisterd’ op unieke wijze: patronen bekijken, stoffen bevoelen, maten nemen, schetsen op papier. Tau Rafiki slaagt er altijd in om iets af te leveren dat een stille passie in zich draagt. Hun onderneming is kleinschalig en persoonlijk, maar net daarom zeer waardevol. 

Een Tanzaniaans model

Ondernemen zou een peulschil moeten zijn. Belgische ondernemers vechten al sinds mensenheugenis tegen de administratieve Goliath die een zaak opstarten en beheren zo moeilijk maakt. Net in tijden waarin de wurggreep van monster-invoerders als China in het Westen strakker en strakker wordt en de economie een kankergezwel is geworden, zou lokaal ondernemerschap moeten worden gestimuleerd, net zoals dat in Tanzania het geval is. Als een ontwikkelingsland dit kan, dan zou het voor een first world country zoals België een boswandeling moeten zijn.

De kleine ondernemers en creatievelingen die visie en leven in de lokale economie kunnen brengen, zijn de motors van een leefbare samenleving.

Helaas is de situatie in België allesbehalve bemoedigend. De administratieve rompslomp betekent het doodvonnis voor creativiteit waardoor vaak in de marge moet worden ondernomen en een zaak nooit echt van de grond kan komen. Strijdvaardig wordt vanalles geprobeerd: pop up shops, coöperatieven, samenwerkingsverbanden allerhande. Maar het blijft een zwaar gevecht waarbij de staat, het taksbedrijf, aan het langste eind trekt.

De kleine ondernemers en creatievelingen die visie en leven in de lokale economie kunnen brengen, zijn de motors van een leefbare samenleving. Dat daarvoor naar een land als Tanzania kan worden gekeken, is een terechte eer voor de Tanzanianen.   

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3059   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur