Overleven in Oost-Congo

In haar tweede blogpost vertelt Sandra ons het verhaal van een patiëntje dat ze ontmoette in Bikenge, een afgelegen mijnstadje in het oosten van Congo, waar Artsen Zonder Grenzen een ziekenhuis leidt.

  • © Sandra Smiley/AZG Van de honderden patiënten per week hebben tientallen mensen luchtweginfecties. © Sandra Smiley/AZG

Naast het gepiep van medische apparatuur hoor ik alleen de moeizame ademhaling van het kleine meisje. Ze heeft koorts en is slap, maar haar blik is waakzaam.

Net als die van haar moeder, die wanhopig zoekt naar tekenen van verbeteringen in haar dochters gezondheid – hoe klein dan ook.

Het tweejarige meisje, Clémentine, en haar moeder Zamudia kwamen vannacht aan in het ziekenhuis in Bikenge, een plaatsje in het oosten van Congo. Het is nu negen uur in de ochtend en op de eerste hulp is het al drukkend warm. ‘Ze is al dagen zo,’ zegt Zamudia, terwijl ze haar blik niet afwendt van haar zieke dochter.

Op sommige plaatsen kan je zelfs emmers bloed langs de weg kopen.

Omdat Clémentine er zo erg aan toe is, durf ik haar moeder niet te vragen waarom ze zo lang wachtte om medische hulp te zoeken. Maar naar de reden hiervoor kan ik wel raden.

In dit deel van Oost-Congo, diep in de bossen van de provincie Maniema, zijn weinig medische voorzieningen. En in de medische centra en hulpposten die er zijn, is de zorg doorgaans beperkt en te duur voor de arme bevolking.

Veel mensen vertrouwen daarom op traditionele helers of verzorging door familie. Op sommige plaatsen kan je zelfs emmers bloed langs de weg kopen.

Verpleegkundigen

Na enkele uren stabiliseert de toestand van Clémentine enigszins. De sfeer op de afdeling is meteen iets beter. Ik praat wat met de verpleegkundigen terwijl zij pijnstillers toedienen, medische dossiers aanvullen en bedden opruimen. Zij werken in het enige openbare zorgcentrum in Bikenge en zijn daardoor het nodige gewend. Maar de toestand van Clémentine heeft hen allemaal geraakt.

Ze maken zich vooral zorgen om haar onrustige ademhaling. Ik vraag of ze dat vaker gezien hebben. ‘Heel vaak,’ knikken ze instemmend naar elkaar. Van de honderden patiënten per week hebben tientallen mensen luchtweginfecties, zeggen ze. Ik denk aan het stof in de lucht, aan de vervuiling in de stad, aan de hardnekkige hoest waarmee ik zelf elke ochtend wakker wordt en ben daarom niet verrast om deze vreselijke statistiek.

De volgende dag vind ik Zamudia terug op intensive care, naast het bed van haar dochter, wier kleine longen het de hele nacht hebben volgehouden. Ze krijgt zuurstof toegediend, maar is verder nog zeer slap en kan haar ogen nauwelijks openhouden. Zamudia ziet eruit alsof ze helemaal niet geslapen heeft.

Overleven

Terwijl ik dit ontroerende tafereel aanschouw, besef ik weer eens hoe hard het leven hier kan zijn – vooral voor kinderen. Voor velen is het een kwestie van overleven en al vanaf zeer jonge leeftijd word je geacht dat zelf te kunnen doen. Kinderen gaan veelal aan het werk op een leeftijd die nog op twee handen te tellen is, gerekruteerd door louche zakenmensen. De ouders doen hier vaak niets aan; een kind in een klaslokaal krijgt namelijk minder inkomen dan een kind op de markt of in een mijn.

In dit land is het niet ongewoon dat een medisch centrum niet eens paracetamol heeft.

Terwijl uren en dagen verstrijken en de antibiotica, pijnstillers en rust hun werk doen, komt Clémentine langzaam weer op kracht. Haar ogen zijn ook weer alert: met gezonde nieuwsgierigheid, maar met een bijna ongekende verlegenheid voor een kind, tuurt ze over de afdeling en neemt ze alle drukte in haar op.

Toch maak ik me zorgen om haar. Als een klein meisje in Bikenge zal ze de nodige gevaren op haar pad treffen: malaria, de ernstige industriële vervuiling, de pooiers, schooiers en andere opportunisten.

Ik ben bang dat ze hier weer terecht komt en dat Artsen Zonder Grenzen hier dan misschien niet meer is om goede zorg te geven. In dit land is het niet ongewoon dat een medisch centrum niet eens paracetamol heeft.

Toekomst

Maar ik hoop dat Clémentine haar leven niet laat dicteren door deze gevaren. Ik hoop dat de verlegenheid die ik nu zie alleen maar komt omdat ik, de Muzungu (‘buitenlander’ in het Kishwahili) met een grote fotocamera, hier rondloop. Ze heeft net een ziekte verslagen die haar fataal had kunnen worden. Ik hoop dat ze diezelfde kracht kan blijven opbrengen bij alle tegenslagen die nog zullen volgen, en dat ze de toekomst zonder angst tegemoet treedt.

Vier dagen na hun aankomst in het ziekenhuis gaan Clémentine en Zamudia weer naar huis, terug naar hun familie. Aan het einde van de middag pakken zij hun tassen, zeggen ze gedag en verlaten ze het ziekenhuis onder een ondergaande zon. Buiten zwaai ik nog een keer naar ze, maar allebei kijken ze niet meer om. Goed zo, denk ik bij mezelf.

Sandra Smiley is communicatieverantwoordelijke in Congo.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur