De groene lijn is een rode lijn

Israël bouwt een infrastructuur van afscheiding, niet rond maar in de bezette Westelijke Jordaanoever, waar je niet kan kijken naast nederzettingen voor Israëlische burgers en de controle-infrastructuur die daarmee gepaard gaat: controleposten, uitkijktorens, prikkeldraad, terminals, tunnels, wegversperringen, kolonistenwegen, een elektronisch beveiligd hek en een betonnen muur dwars door Palestijnse landbouwgronden, dorpen en steden. Deze bezettingsinfrastructuur is een instrument in handen van het Israëlische leger om de bewegingsvrijheid van 2,5 miljoen Palestijnen te reguleren in functie van de aanwezigheid van inmiddels een half miljoen Israëlische kolonisten. Het lijkt erop dat Israël het fysieke en demografische karakter van de bezette Westelijke Jordaanoever onomkeerbaar verandert om de zones waar de Israëlische nederzettingen gelegen zijn, te annexeren bij Israël en dat ten koste van de lokale Palestijnse bevolking, die wordt opgesloten in enclaves en wordt gedwongen in een keurslijf van vergunningen voor alles en nog wat. Tot op vandaag kijkt de wereld toe hoe Israël straffeloos de wapenstilstandslijn van 1948, de zogenaamde Groene Lijn, verder uitwist.

De staat Israël dankt zijn bestaan aan een beslissing van de Verenigde Naties (Algemene Vergadering resolutie 181). Toen Israël werd toegelaten tot de Verenigde Naties was het grondgebied niet groter dan dat bepaald door het wapenstilstandsakkoord van 1949. Wat overbleef van het Britse mandaatgebied Palestina is niet vatbaar voor annexatie en Israël kan er zijn eigen burgers niet vestigen. Israël bezette dat gebied, de Westelijke Jordaanoever, na een gewapend conflict in juni 1967. Kort daarna ging de kolonisatie van start. Vandaag leven 280.000 Israëlische kolonisten in 54 nederzettingen en tientallen ‘outposts’ in de bezette Westelijke Jordaanoever. Nog eens 185.000 Israëlische kolonisten leven in 12 nederzettingen in het geannexeerde Oost-Jeruzalem.

Israëlische nederzettingen buiten de gemeentelijke grenzen van Jeruzalem vormen een ring rond het gehele bezette deel van de stad, waardoor Oost-Jeruzalem en zijn 260.000 Palestijnen afgesloten worden van de Westelijke Jordaanoever. Het E1-gebied vormt de grootste uitdaging. E1 is het gebied tussen Jeruzalem en de grote nederzetting Ma’ale Adumim en blijft de laatste open ruimte op de Westelijke Jordaanoever waar een modern Oost-Jeruzalem zou kunnen aansluiten bij de rest van de Westelijke Jordaanoever, om de hoofdstad van een levensvatbaar, onafhankelijk Palestina te worden. Als het gebied in Israëlische handen blijft, wordt de Westelijke Jordaanoever in twee gesplitst. Israël zou diep binnendringen en als een brok in de keel de Palestijnse gebieden verhinderen te ademen. Ma’ale Adumim verhindert nu al het vrije verkeer tussen Ramallah, Bethlehem, Jericho en Oost-Jeruzalem, 4 Palestijnse steden.

De Israëlische regering voert nog steeds een aanmoedigingsbeleid om Israëlische burgers en joden uit de diaspora ertoe aan te zetten te verhuizen naar de nederzettingen. De Israëlische nederzettingen zijn illegaal volgens het internationaal recht, met name artikel 49 van de Vierde Conventie van Genève: “De bezettingsmacht kan delen van haar eigen burgerbevolking niet overbrengen naar gebied dat het bezet houdt.” Een bezettingsmacht kan volgens die Conventie, waarbij Israël partij is, de demografische realiteit in bezet gebied niet veranderen. Vooral Oost-Jeruzalem, illegaal bij Israël ingelijfd in 1967, is onherkenbaar veranderd.

De Veiligheidsraad van de VN riep Israël op in resolutie 465 van 1 maart 1980 “… de bestaande nederzettingen te ontmantelen en in het bijzonder zeer dringend te stoppen met de bouw en de planning van nederzettingen in de Arabische gebieden bezet sinds 1967, met inbegrip van Jeruzalem.” Het Internationaal Gerechtshof bevestigde nogmaals in zijn advies over de muur dat de nederzettingen “werden gebouwd in strijd met het internationaal recht.” Bovendien is het een oorlogsmisdaad. Het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, dat de meest up-to-date en volledige opsomming van oorlogsmisdaden bevat, rekent volgende oorlogsmisdaad tot de jurisdictie van de rechtbank: “Overdracht, direct of indirect, door de bezetter van delen van de eigen burgerbevolking naar het gebied dat het bezet houdt, indien deze maatregelen onderdeel zijn van een beleid.”

Israël houdt de Westelijke Jordaanoever nu al 41 jaar bezet en heeft Oost-Jeruzalem geannexeerd.[1] Bovendien lijkt Israël nu, zoals verder in dit artikel uitvoerig geïllustreerd, een groot deel van het gebied te gaan inlijven achter een muur of een hek. De muur zal ook een aantal nederzettingen bij een ‘Groter-Jeruzalem’ inlijven die vandaag nog niet tot Jeruzalem behoren en die diep in de Westelijke Jordaanoever gelegen zijn, zoals Ma’ale Adumim. Volgens internationaal recht is grondgebied dat met geweld werd ingenomen niet vatbaar voor annexatie.[2]

Het Internationaal Gerechtshof stelde in 2004 duidelijk dat de bouw van de muur “een poging is om grondgebied te annexeren in strijd met internationaal recht” en dat de route van de muur door de Israëlische regering werd vastgesteld om 80 procent van de kolonisten in bezet gebied bij Israël in te lijven. Uit de consistente en opeenvolgende resoluties van de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties blijkt dat het grondgebied achter de groene lijn bestemd is voor een onafhankelijke Palestijnse staat.

Ruimtelijke ordening als controle-instrument

Sinds de Oslo akkoorden van 1993-1995 kregen de Palestijnen autonomie in een aantal zones van de Westelijke Jordaanoever. In Zone A, de grote Palestijnse steden, kreeg de nieuwe Palestijnse Autoriteit autonomie over veiligheid en civiele aangelegenheden. In Zone B moet de Palestijnse Autoriteit de bevoegdheid over veiligheid delen met het Israëlische leger. In Zone C, 60% van de Westelijke Jordaanoever met 70000 Palestijnse inwoners, behield Israël de volledige controle over veiligheid en ruimtelijke ordening.

Dat is niet toevallig. De Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever draait voor een groot deel om de ordening van de ruimte. De beschikbare ruimte wordt aangepast aan de noden van de illegaal aanwezige Israëlische kolonisten en op die manier onherkenbaar veranderd: om de territoriale continuïteit te verzekeren tussen Israël en de nederzettingen, soms diep in de Westelijke Jordaanoever gelegen, moet de territoriale continuïteit tussen Palestijnse dorpen en steden worden verbroken. Een bezettingsmacht kan nochtans het fysieke karakter van het bezet gebied niet veranderen, tenzij dit gebeurt ten behoeve van de lokale bevolking.[3] Dat dit niet het geval is, blijkt al voldoende uit de bewegwijzering in het wegennet in de Westelijke Jordaanoever: overal staan de Israëlische nederzettingen duidelijk aangeduid, maar nergens is enig spoor te bekennen van wegwijzers naar de tientallen Palestijnse dorpen en kleinere steden die langs de hoofdwegen in Zone C gelegen zijn.

Israël grijpt op drie manieren in in de ruimtelijke ordening van de bezette Westelijke Jordaanoever en dit gebeurt duidelijk ten koste van de lokale bevolking: de bouw van civiele, exclusief Israëlische nederzettingen (en bijbehorende kolonistenwegen) en de transfer van de eigen burgerbevolking naar die nederzettingen, de vernietiging van Palestijnse infrastructuur in de zone waar de nederzettingen gelegen zijn en de bouw van infrastructuur ter controle van de Palestijnse bewegingsvrijheid.[4]

De bewegingsvrijheid van 2 miljoen Palestijnen wordt beperkt door een ‘afsluitingsregime’ van meer dan 500 militaire controleposten en andere blokkades, 700 km muur/hek op Palestijns land, 700 km wegen die verboden of beperkt toegankelijk zijn voor Palestijnen en die de nederzettingen verbinden met elkaar of met Israëlische steden en een bijzonder ingewikkeld vergunningsregime. Het regime dat Israël al jaren oplegt aan de twee miljoen Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever schendt het fundamentele recht op bewegingsvrijheid opgenomen in artikel 12 van het Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Het VN-Mensenrechtencomité heeft dit artikel als volgt toegelicht: “De toepassing van de beperkingen moet in ieder individueel geval gebaseerd zijn op duidelijke juridische redenen en voldoen aan de test van noodzakelijkheid en de eisen van proportionaliteit. Aan deze voorwaarden is niet voldaan als een individu een specifieke vergunning nodig heeft om te kunnen reizen binnen het grondgebied.” 

Deze beperkingen schenden bovendien het verbod op discriminatie omdat ze worden opgelegd aan alle Palestijnen omdat ze de Palestijn zijn, om de Israëlische kolonisten te beschermen wiens aanwezigheid in de bezette Westelijke Jordaanoever in strijd is met het internationaal recht. De impact op de levens van miljoenen onschuldige Palestijnen die geen enkel strafbaar feit hebben gepleegd, is niet te overzien.

De volle toedracht van dit afsluitingsregime wordt pas ten volle duidelijk op de uiterst gedetailleerde kaarten van de VN-organisatie OCHA [5]. Deze kaarten tonen een waanzinnige, ongeziene geografie. Israël lijkt nu dat ietwat perverse maar ingenieuze ‘kunstwerk’ af te werken met een ‘final touch’: een muur en een hek die mooi alle Israëlische ‘feiten op de grond’ in de Westelijke Jordaanoever bij Israël inlijven. Op het platteland ziet de afscheiding eruit als een hoogtechnologisch en elektrisch beveiligd hek. In stedelijke gebieden zagen de Palestijnen een betonnen muur oprijzen.

Officieel houdt de Israëlische regering vol dat de muur en het hek terroristen uit Israël moeten weghouden. Op een website van het Israëlische Ministerie van Defensie staat te lezen: “Het ontwerp, de bouw en de werking van het veiligheidshek moet een evenwicht realiseren tussen de noodzaak onschuldige levens te beschermen tegen terreur en de humanitaire behoeften van de lokale Palestijnse bevolking. Israëls regering beseft dat de bouw van het hek de levens van onschuldige Palestijnen in de war kan sturen en betreurt dit. We zullen pogingen blijven ondernemen om zulke moeilijkheden tot een minimum te beperken. De innige verwevenheid, op economisch, educatief, medisch en ander vlak, tussen de Palestijnse dorpen en steden is grondig bestudeerd, alsook de manier waarop ze werden getroffen door de bouw van het veiligheidshek.” 

Deze boodschap is enigszins bedrieglijk. De beste manier om de veiligheid van Israëlische burgers te verzoenen met de humanitaire behoeften van de Palestijnen, is een muur of een hek te bouwen op de Groene Lijn tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever. Daar heeft Israël ook het recht toe en dan had het helemaal geen muur of hek moeten bouwen op Palestijnse landbouwgrond of dwars door Palestijnse steden. 80% van de muur en het hek ligt nu in de Westelijke Jordaanoever en dat heeft desastreuze humanitaire gevolgen.

De humanitaire behoeften van de Palestijnen waren nooit een zwaar gewicht in de weegschaal, maar het wordt hoe langer hoe duidelijker dat de muur of het hek nooit werden gebouwd omwille van de veiligheid maar wel als definitieve grens, hetgeen neerkomt op illegale annexatie. Daaruit volgen een aantal absurde situaties en een waanzinnige reeks mensenrechtenschendingen.

Bethlehem: de muur neemt een hap uit de stad

Claire Anastas was de uitbaatster van een succesvolle souvenirwinkel aan het graf van Rachel, een belangrijke religieuze en toeristische trekpleister aan de grote verbindingsweg tussen Bethlehem, Jeruzalem en Hebron. Duizenden pelgrims en toeristen, ooit Claire’s belangrijkste bron van inkomsten, brengen elk jaar een bezoek aan het graf. Claire’s echtgenoot Johnny had een garage in hetzelfde huis. Wonen pal naast het graf van Rachel in één van de meest levendige wijken van Bethlehem met winkels en restaurants, was lange tijd een zegen voor het gezin Anastas. Claire’s souvenirwinkel was een noodzakelijke halte voor de 90.000 pelgrims die Bethlehem en Rachel’s graf elke maand bezochten. De garage van haar man bediende klanten van over heel Israël en Palestina, voornamelijk uit Jeruzalem en Bethlehem.

Maar het Oslo II-vredesakkoord tussen Israël en de Palestijnen in september 1995 was het begin van het einde voor het gezin. In tegenstelling tot de rest van Bethlehem bleef het gebied rond Rachel’s graf binnen ‘Zone C’. Israël behield dus de volledige controle. Bang dat ook het graf uiteindelijk onder Palestijnse soevereiniteit zou terechtkomen, begon het ‘Comité voor Rachel’s Graf’, een religieus joodse drukkingsgroep, een campagne om religieuze joden aan te moedigen een yeshiva te stichten in het graf en zich permanent te vestigen in het gebied. Er werd een soort van Israëlische nederzetting opgericht in het hart van Bethlehem, in de Westelijke Jordaanoever. Het idee was er een permanente Joodse aanwezigheid te verzekeren.

Dat plan wierp zijn vruchten af toen de Israëlische regering in de paniekdagen van de tweede Intifada besliste over de route van de muur rond Jeruzalem. Joodsreligieuze drukkingsgroepen eisten de annexatie van Rachel’s graf bij Jeruzalem. Dat leek een absurde eis: om het gebied rond het graf te annexeren moest de muur een diepe hap nemen uit het centrum van Bethlehem en het stuk van de hoofdweg aan Claire’s huis veranderen in een ommuurde corridor die zou dienen als weg voor Israëli’s en toeristen om Rachel’s Tomb te bereiken vanuit Jeruzalem. Toch gaf de regering toe.

Claire’s huis werd aan drie kanten ommuurd. De dag in december 2003 waarop de bulldozers de laatste 8-meter hoge betonnen platen rond haar huis plaatsten, werd zij definitief afgescheiden van al haar toekomstig cliënteel. Het gezin met 4 kinderen tuimelde in diepe financiële problemen en woont nu in een donkere, claustrofobische, ommuurde hoek. De hele buurt rond Rachel’s graf is, net als Rachel, dood. Zo goed als alle zaken moesten de boeken dicht doen, ook Johnny’s succesvolle garage en Claire’s ooit zo ideaal gelegen souvenirwinkel. Bethlehem was ooit de grote stedelijke hoop van de Palestijnen. Slechts een verre herinnering aan die hoop blijft bestaan. Tijdens de kerstperiode in 2005 mocht Bethlehem amper 3000 pelgrims verwelkomen.

De geografie van de hele buurt is veranderd. Bij het bereiken van Bethlehem vanuit Jeruzalem blokkeert de muur de hoofdweg. De verkeerssituatie is aangepast aan de aanwezigheid van de muur: er werd een rond punt gebouwd, waar taxi’s en bussen vanuit Jeruzalem mensen afzetten aan een ‘passengers drop off point’ voordat ze terugkeren naar Jeruzalem. De passagiers moeten dan te voet door een checkpoint dat onlangs werd omgebouwd tot een terminal die lijkt op een definitieve grensovergang. De Israëlische regering geeft daar een bedrieglijke humanitaire draai aan: “Omdat vele inwoners van de Palestijnse gebieden in Israël werken en er zaken doen en vele Israëlische staatsburgers zaken doen in de Palestijnse gebieden, werden in de route van de muur een aantal terminals ingebouwd die de inspectie van mensen en goederen zullen vergemakkelijken zoals dat gebeurt aan internationale grenzen. Zulke inspecties zijn noodzakelijk omwille van de veiligheid, maar de vooruitstrevende technologische systemen van controle in de terminals zal de menselijke frictie tot een minimum herleiden.”

In werkelijkheid gaat het er iets minder rooskleurig aan toe. Miljoenen Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever – en dus ook uit Bethlehem – mogen Jeruzalem niet binnen, tenzij ze beschikken over een werkvergunning, die om de drie maanden moet worden hernieuwd en in vele gevallen om vage redenen wordt geweigerd. Daarnaast is de ‘menselijke frictie’ alomtegenwoordig in de terminal tussen Bethlehem en Oost-Jeruzalem. Een groot deel van de inwoners van Bethlehem werkt inderdaad in Jeruzalem. Zij moeten elke nacht in de vroege uurtjes urenlang opeengepakt staan aanschuiven aan de terminal om op tijd op hun werk te raken. De ‘vooruitstrevende technologische systemen van controle’ zijn paspoortcontrole, bagage-inspectie zoals op de luchthaven en nogmaals paspoortcontrole. Israëlische soldaten schreeuwen door luidsprekers de stroom Palestijnen toe en paraderen met geweren op loopbruggen boven hun hoofden.

Terwijl Palestijnen door deze enge trechter worden geduwd, rijden bussen vol toeristen door een andere poort in de muur Bethlehem binnen. Om Rachel’s graf te bezoeken, moet je Bethlehem echter niet meer binnenrijden. Het hoort nu immers bij Jeruzalem. De hoofdweg is er een ommuurde corridor die naar het graf leidt. De top van Claire’s huis en souvenirwinkel steekt net boven de muur uit.

Shuafat Camp: 20000 inwoners uit Jeruzalem geduwd  

De absurditeit van de afscheiding en de muur wordt nergens zo duidelijk geïllustreerd als in Shuafat Refugee Camp. Nu de Israëlische regering definitief de grenzen van Jeruzalem lijkt vast te leggen, worden gewenste Palestijnse gebieden opgeslokt en ongewenste gebieden die vandaag nog onder Israëlische controle staan, uitgespuwd. Shuafat Camp is zo een ongewenst gebied dat nu als het ware ‘gede-annexeerd’ wordt. De inwoners van dit Palestijnse vluchtelingenkamp zijn echter inwoners van Jeruzalem.

Het kamp zit gekneld tussen twee Israëlische nederzettingen. De derde en de eerste wereld liggen er op een steenworp van elkaar: een buurt met brede keurig aangelegde wegen, kraaknette voetpaden, verzorgde huisjes en grasperkjes  loopt over in een vuile, chaotische buurt waar elektriciteitskabels kriskras door elkaar van gebouw tot gebouw gespannen zijn en waar afval in hopen langs de kant van de weg ligt opgestapeld. Pisgat Ze’ev, één van de Israëlische nederzettingen, huist 45000 mensen, bevat 14 scholen, 6 ziekenhuizen, eigen politiediensten, eigen brandweer enzovoort. Shuafat Camp daarentegen, is een getto waar 20000 mensen op een halve km² opeengepakt zitten. Zowel de inwoners van Shuafat Camp als die van Pisgat Ze’ev zijn inwoners van Jeruzalem.

Shuafat Camp verenigt de drie kernproblemen van het Israëlisch-Palestijns conflict: vluchtelingen, veiligheid en Jeruzalem. Anno 2008 is het het enige Palestijnse vluchtelingenkamp onder Israëlische jurisdictie. Shuafat Camp heeft daarom niet te leiden gehad onder de afsluiting van de Westelijke Jordaanoever tijdens de tweede Intifada, de oorzaak van een pijlsnel stijgende werkloosheid in de andere vluchtelingenkampen op de Westelijke Jordaanoever. De bewoners van Shuafat Camp hebben het economisch minder moeilijk en ook een aantal diensten ontvangen zij van Israël, hoewel dit alles nu op de helling wordt gezet door de muur rond het kamp.

In januari 2004 begon Israël met de bouw van de muur. Vandaag staat die 8-meter hoge muur tussen beide ‘buurten’ van Jeruzalem en is de toegang voor inwoners van Shuafat Camp tot de rest van Jeruzalem beperkt tot een checkpoint waar zij hun blauwe verblijfskaart moeten tonen. Het kamp is veranderd in een getto. Israël wil Israëlische nederzettingen als Ma’ale Adummim en French Hill verbinden met Pisgat Ze’ev. Shuafat is een tumor die in de weg ligt. Met de muur lijkt Israël nu die tumor te verwijderen uit Jeruzalem.

Shin Bet, Israël’s interne veiligheidsdienst, beschouwt Shuafat als een ‘terroristennest’ in Jeruzalem. Shuafat Camp is inderdaad een overbevolkt, Palestijns ‘getto’ in het hart van Jeruzalem en zijn inwoners verzetten zich tegen de Israëlische controle, waardoor Israël het percipieert als een potentieel veiligheidsrisico. Inwoners van het kamp zijn net zoals andere inwoners van Jeruzalem afhankelijk van Jeruzalem voor werkgelegenheid, hoger onderwijs en gezondheidszorg. Elke dag op weg naar school moeten de kinderen langs een militair checkpoint waar niet zelden vernederingen plaatsvinden. De balans tussen het beschermen van de Israëlische bevolking tegen ‘terreur’ en het humanitaire noden van de Palestijnse bevolking, is hier ver zoek.

Maar de muur dient een ander doel dan veiligheid. Israël zal net zijn veiligheid in gevaar brengen door Shuafat Camp uit te sluiten. De muur maakt van het kamp een tijdbom en leidt tot een hoger veiligheidsrisico omdat de muur de regio verandert van een relatief vreedzaam in een vijandig gebied. Basisvoorzieningen die de inwoners van Shuafat Camp nu nog kunnen ontvangen in Jeruzalem, zullen hoe langer hoe ontoegankelijker worden. Hoe onwaarschijnlijker het wordt dat Shuafat Camp in Jeruzalem zal blijven, hoe meer de spanningen in het kamp toenemen. Volgens Israëlische commentatoren en lokale ambtenaren in Pisgat Ze’ev zullen mensen in de nederzetting liever verhuizen dan te blijven wonen op een paar meter van een nieuwe grens die deze plaats kan veranderen in ‘een nieuw Sderot’.

Meer dan waar ook in de Palestijnse gebieden vervult de muur rond Shuafat Camp een demografische functie: hij duwt in één klap 20000 Palestijnen uit Jeruzalem. Israël’s vice-eerste minister Haim Ramon stelde duidelijk dat “de regeringsbeslissing de veiligheid van Jeruzalem versterkt en het bovendien meer Joods maakt. De regering brengt veiligheid voor de stad en maakt tegelijkertijd van Jeruzalem de hoofdstad van een Joodse en democratische Staat Israël.”

Discriminatie in de Heilige Stad

Een Joodse meerderheid behouden in Jeruzalem is een constante bekommernis van de Israëlische regering. De nederzettingen en de muur moeten ervoor zorgen dat zoveel mogelijk Israëli’s naar Oost-Jeruzalem verhuizen. Een beleid van structurele discriminatie, onder andere op het vlak van ruimtelijke ordening, verblijfsrechten en publieke bestedingen, moet dan weer zoveel mogelijk Palestijnen uit Oost-Jeruzalem doen verhuizen.

Sinds Oost-Jeruzalem in 1967 werd bezet en geannexeerd, hebben de Israëlische regering en de gemeenteraad van Jeruzalem er ook een discriminerend beleid gevoerd op het vlak van verblijfsrechten en publieke bestedingen. De 260.000 Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem verblijven er op basis van verblijfskaarten. Israël legt hen de verplichting op om regelmatig te bewijzen dat Jeruzalem nog steeds het ‘centrum van hun leven’ is. Zij lopen dus constant het risico om hun verblijfskaart te verliezen als zij bijvoorbeeld werken of studeren buiten Jeruzalem. Sinds 1967 hebben ongeveer 8000 Palestijnen hun verblijfskaart verloren en duizenden anderen hebben rechtszaken moeten inspannen om hun recht op verblijf te verdedigen. Israëlische kolonisten die volgens internationaal recht illegaal verblijven in bezet Oost-Jeruzalem, hebben volwaardige verblijfsrechten volgens Israëlische recht en kunnen hun verblijfsrecht nooit verliezen.

Hoewel Palestijnen in Oost-Jeruzalem evenveel belastingen betalen als Israëlische inwoners, wiens inkomen gemiddeld 8 keer hoger is, ligt het budget dat aan Palestijnse woonbuurten in Oost-Jeruzalem wordt toegekend voor openbare diensten een stuk lager. De Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem maken 33% van de bevolking van Jeruzalem uit, maar krijgen slechts 12% van de budgetten. In 2002 bijvoorbeeld, ontvingen Palestijnen uit Oost-Jeruzalem slechts 16,6% van het budget voor onderwijs en 6,2% van het budget voor gezondheidszorg. Deze budgettaire discriminatie leidt tot schrijnende situaties: hele Palestijnse woonbuurten zijn niet aangesloten op het rioleringssysteem en hebben geen geasfalteerde wegen of voetpaden. West-Jeruzalem telt tien keer meer bibliotheken en zwembaden, meer dan 20 keer zoveel sportcentra en parken. Sinds 1967 werd slechts 1 nieuwe school gebouwd voor Palestijnse inwoners, ondanks de toegenomen bevolking. Overbevolkte klassen zijn het gevolg.

Het gemeentelijke beleid van ruimtelijke ordening maakt het voor de 260.000 Palestijnen in Oost-Jeruzalem bijzonder moeilijk om te bouwen, ook op eigen land. Vele gebieden in Oost-Jeruzalem blijven daarom onbebouwd tot ze worden opgeëist voor de bouw van Israëlische nederzettingen. Sinds 1967 heeft Israël zo een 34% van het grondgebied van Oost-Jeruzalem geconfisceerd voor ‘publieke doeleinden’. Een andere 53% werd bestempeld als ‘groene zone’, maar in werkelijkheid wordt het gebruikt als land voor de nederzettingen. Palestijnen in Oost-Jeruzalem kunnen daarom slechts bouwen op 13% van hun land, maar ook dan worden bouwvergunningen zelden toegestaan aan Palestijnen die willen bouwen in Oost-Jeruzalem. Vele Palestijnen bouwen daarom noodgedwongen zonder bouwvergunning en lopen constant het risico een afbraakorder in de bus te krijgen.

Sinds de annexatie van Oost-Jeruzalem in 1967 werden in dat stadsdeel al meer dan 2.000 Palestijnse huizen vernietigd door het Israëlische leger. De afgelopen zes jaar waren dat er zo een 400. Zo een 22.000 families in Oost Jeruzalem leven met afbraakorders op hun huizen. Een derde van alle Palestijnse huizen in Oost-Jeruzalem kan op elk moment vernietigd worden. Dit terwijl er meer illegale Israëlische nederzettingen in Oost-Jeruzalem worden gebouwd dan ooit tevoren. Onderzoek door de Israëlische nederzettingen-watchdog Peace Now toonde al aan dat gedurende 4 maanden na de Annapolis-vredesconferentie eind november 2007, waar de Israëlische regering zich verbond tot een bouwstop, meer bouwplannen werden goedgekeurd voor Oost-Jeruzalem (750 huizen) dan gedurende heel 2007 (46 huizen).

Migratiestromen in Zone C: Israëli’s in, Palestijnen uit

Naast Oost-Jeruzalem is ook de gehele Zone C, 60% van de Westelijke Jordaanoever, het toneel van huisvernietigingen en discriminerende ruimtelijke ordening. In een verklaring voor het Israëlische parlement in 2003 zette Shlomo Politus, kolonel en juridisch adviseur van het Israëlisch leger, de puntjes op de i: “Bouwvergunningen voor Palestijnen in Zone is een non-issue. Er worden er simpelweg geen meer toegekend.”

Volgens informatie die het Israëlische Ministerie van Defensie vrijgaf aan het Israëlische parlement werd van 2000 tot 2007 meer dan 94% van de Palestijnse aanvragen voor een bouwvergunning in Zone C afgewezen. In totaal werden slechts 91 bouwvergunningen aan Palestijnen toegekend, terwijl volgens Peace Now in diezelfde periode 18742 wooneenheden werden gebouwd in de Israëlische nederzettingen. Duizenden huizen die in de Israëlische nederzettingen werden gebouwd zonder bouwvergunning, kregen bovendien retroactieve bouwvergunningen.

Legaal bouwen in Zone C is zo goed als onmogelijk. De behoefte aan huisvesting wordt er echter niet minder op. Palestijnen nemen niet eens de moeite meer om een bouwvergunning aan te vragen, ondanks de alomtegenwoordige schaduw van de sloophamers, maar velen onder hen verhuizen van het platteland in Zone C naar de steden in de enclaves van Zone A en B. De Palestijnse bevolking wordt op die manier geduwd naar de nu al overbevolkte steden, omringd door Zone C waar ruimte vrijkomt voor de uitbreiding van de illegale Israëlische nederzettingen. Het is een langzaam beleid om Palestijnen als ‘surplusbevolking’ in controleerbare en afgebakende zones te dwingen, zoals je ook goederen opstapelt in pakhuizen. Naomi Klein lanceerde dit concept van ‘warehousing’ in haar nieuwe boek ‘The Shock Doctrine’.

Huisvernietigingen zijn een wijdverspreid verschijnsel in Zone C omdat alle nederzettingen, legerbases, industrieparken en kolonistenwegen daar gelegen zijn. Huisvernietigingen gaan hand in hand met onteigeningen en uitbreiding van de nederzettingen. Buitenlandse donoragentschappen financieren projecten voor de bouw van infrastructuur voor de Palestijnen in Zone C, terwijl Israël in hetzelfde gebied infrastructuur bouwt voor haar burgers en de Palestijnse infrastructuur vernietigt, ook als deze gebouwd is met donorgeld. Volgens de Verenigde Naties lopen vandaag meer dan 3000 Palestijnse huizen en structuren in Zone C van de Westelijke Jordaanover het risico om te worden gesloopt. Afbraakorders, die als een zwaard van Damocles boven de gebouwen hangen, kunnen op elk moment worden uitgevoerd zonder voorafgaande waarschuwing.

Ten minste 10 gemeenschappen dreigen interne vluchtelingen te worden, omdat bijna alle gebouwen dreigen te worden gesloopt. Sinds het begin van de bezetting in 1967 werden meer dan 18.000 Palestijnse huizen gesloopt. Bijna elke Palestijnse familie heeft een ervaring met huisvernietigingen. Volgens artikel 147 van de Vierde Conventie van Genève maken “grootschalige vernielingen en toe-eigening van eigendom, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak” een ernstige schending van de Conventie uit en zijn dus oorlogsmisdaden.

Op 13 mei 2008 keurde de Israëlische overheid in overleg met Tony Blair, de Britse gezant van het Midden-Oosten Kwartet, ‘masterplans’ goed voor de ‘ontwikkeling’ van Zone C. Tony Blair wil daarbij tegemoet komen aan de noden van de Palestijnen. “Het is een jarenlange zorg van de Palestijnen dat zij Zone C niet kunnen ontwikkelen” staat te lezen op zijn website. De voorgestelde ontwikkeling zal echter beperkt blijven tot afgebakende grenzen, meestal enkel het dorpscentrum. Binnen die grenzen zullen de dorpen kunnen uitbreiden en zullen de afbraakorders op de gebouwen worden ingetrokken. De huizen en de landbouwgronden buiten het stadscentrum zullen meer dan ooit het risico lopen snel te worden gesloopt.

Volgens Tony Blair zullen deze ‘masterplans’ de bouw van scholen, ziekenhuizen en andere faciliteiten in de dorpen vergemakkelijken. Hij verzekerde dat de Israëlische regering de huidige afbraakorders zal herbekijken en boeren zal toelaten land in Zone C te bewerken. Volgens Palestijnse dorpelingen is dit een halfslachtige oplossing die geen duurzame ontwikkeling toelaat. Het is duidelijk dat Tony Blair moet schipperen tussen Palestijnse en Israëlische ontwikkeling van de gebieden in de Westelijke Jordaanoever.

Amnesty International heeft Tony Blair al opgeroepen de discriminatie in het toekennen van bouwvergunningen aan te kaarten bij de Israëlische overheid. De Israëlische bevoegdheid over ruimtelijke ordening in Zone C ondermijnt niet enkel het vredesproces en het vertrouwen van de Palestijnen in dat proces, maar wijzigt de geografie en demografie van de bezette gebieden.  De internationale gemeenschap is het erover eens dat dit een schending van internationaal recht is, maar slaagt er maar niet in om Israël daarvoor ter verantwoording te roepen.

Jayyus: landbouwers afgescheiden van landbouwgrond

Palestijnse dorpen gelegen in de buurt van het hek of de muur hebben zwaar te lijden onder de bezetting en de afscheiding. Honderden Palestijnse landbouwgemeenschappen worden economisch gewurgd. Het Israëlisch Ministerie van Defensie stelde nochtans aanvankelijk het volgende: “We trachten te vermijden dat landeigenaars worden afgescheiden van hun land. Indien dergelijke afscheiding onvermijdelijk is, moeten toegangspoorten in het hek de landbouwers in staat stellen hun land te bereiken.” De realiteit op het terrein in Jayyus, een landbouwersdorpje met 3500 inwoners in het noorden van de Westelijke Jordaanoever, bewijst het tegendeel.

Een bijzonder vruchtbare grond en zes grondwaterbronnen brachten in Jayyus elk jaar een rijke oogst aan tomaten, komkommers, bonen, pepers, olijven, limoenen en avocado’s voort die werd geëxporteerd naar de omringende Palestijnse steden, Israël en de Arabische buurlanden. Jayyus was één van eerste dorpen die in 2003 een groot deel van hun landbouwgrond achter het Israëlische ‘veiligheidshek’ zagen verdwijnen. Het hek in Jayyus lijkt Zufin, een Israëlische nederzetting die in 1989 op land van Jayyus werd gebouwd, de facto bij Israël te annexeren en scheidt Jayyus nu van ongeveer tweederde van zijn landbouwgrond (ongeveer 1.270 hectaren), inclusief alle serres en de zes waterbronnen.

Inmiddels is Jayyus veranderd van een welvarende en exporterende landbouwersgemeenschap in een dorp met 70% werkloosheid en afhankelijk van voedselhulp. Recente VN-cijfers geven aan dat 56% van de inwoners van de Westelijke Jordaanoever onder de armoedegrens leeft en 26% in extreme armoede. Uit dezelfde bron blijkt dat in augustus 2004, één jaar na de voltooiing van het hek rond Jayyus, de lokale productie er teruggevallen was van 7 tot 4 miljoen kilo fruit en groenten.

Hoe is het zover kunnen komen? Na de voltooiing van het hek in Jayyus verleende het Israëlische leger willekeurig 630 vergunningen aan de gemeente, die aan de meeste boeren van het dorp een vergunning kon uitdelen. Het oogmerk om een evenwicht te vinden tussen het beschermen van de Israëlische bevolking tegen ‘terreur’ en het tegemoetkomen aan de humanitaire noden van de Palestijnse bevolking klonk toen nog enigszins geloofwaardig, hoewel ook toen al 100 landeigenaars, waaronder 30 eigenaars van serres, werden geweigerd omwille van niet nader toegelichte veiligheidsredenen. De verleende vergunningen waren slechts 3 maand geldig. Vanaf begin 2004 weigerde het Israëlische leger steeds meer vergunningen te hernieuwen.

Rond het illegale vergunningsregime en het hek heeft zich een hele bureaucratie ontwikkeld, waarin de Palestijnse dorpen zelf worden ingeschakeld. Mazouz Qadumi is ambtenaar van de gemeente Jayyus. Hij is verantwoordelijk voor de administratie rond het hernieuwen van vergunningen. Elke maand stuurt hij een lijst met namen en alle vereiste documenten per naam naar het centrale bureau in Qalqilya, dat op zijn beurt de aanvragen doorstuurt naar de ‘Israeli Land Authority’.

De voorwaarden tot hernieuwing zijn een administratieve nachtmerrie. Boeren moeten verschillende documenten voorleggen: een grondplan van het land, de te hernieuwen vergunning, een kopie van de identiteitskaart en een eigendomsbewijs of bewijs dat men het land erfde. Vooral dat laatste is bijzonder moeilijk te bekomen, omwille van een inconsistentie tussen het Jordaanse (voor 1967) en Israëlische (na 1967) systeem van registratie van namen op eigendomsdocumenten.

In juli 2008 stuurde Mazouz een lijst van 55 aanvragen in. Slechts 14 werden aanvaard. Elk jaar slinkt het aantal vergunningen: van 630 in 2003 tot 168 in 2008. De golf van weigeringen is de laatste stap in een proces om de boeren van Jayyus van hun land af te scheiden. De meeste weigeringen gebeuren uit ‘veiligheidsoverwegingen’, een vage formule om Palestijnen om het even welke vergunning te weigeren. Amnesty International vreest dat het hek en de weigeringen tot hernieuwing van vergunningen deel uitmaken van Israëls strategie om zoveel mogelijk Palestijnse grond in beslag te nemen en te isoleren van de rest van de Westelijke Jordaanoever.

Sharif Omar is een boer uit Jayyus die als mensenrechtenactivist de wereld rondreisde om te getuigen over wat er gebeurt met zijn dorp. Zijn zonen kregen al sinds 2003 geen vergunning meer. Ook de hernieuwing van Sharif’s vergunning werd onlangs geweigerd. Zijn 60-jaar oude vrouw staat er alleen voor om 3600 olijf- en citrusbomen te onderhouden. Zoals meer dan de helft van de inwoners van Jayyus is Sharif’s gezin afhankelijk van landbouw als bestaansmiddel.

Gezinnen verliezen hun inkomen en kunnen het onderwijs van hun kinderen niet meer betalen. Nour Baida, de zoon van een boer, studeerde Business Management aan de universiteit van Qalqiliya, maar moest zijn studies stopzetten na 1 jaar. Hij en zijn broer zijn de enigen in de familie die een vergunning hebben. Doordat het Israëlische leger de vergunningen van de andere familieleden weigert te hernieuwen, moet Nour al zijn tijd besteden aan het land. Omdat het gezin veel van zijn inkomsten heeft verloren, kan het Nour’s studies bovendien niet meer betalen. Een hele generatie jongeren in honderden Palestijnse dorpen in de buurt van het hek verliest op die manier toegang tot hogere opleidingen. Een illustratie van de innige verwevenheid van verschillende fundamentele mensenrechten: het recht op een werk en het recht op onderwijs.

Zelfs met een vergunning is de toegang tot het land uiterst beperkt. Het systeem van toegangspoorten in het hek komt niet tegemoet aan de basisnoden. Boeren kunnen enkel op hun land als de Israëlische soldaten de poorten van het hek openen. In Jayyus is dat om 7u30, om 12u30 en om 17u30. Soms moeten zij lang wachten aan het hek en moeten zij verschillende inspecties ondergaan: hun tractors of wagens worden geïnspecteerd en vervolgens moeten zij zelf door een scanner, zoals op een luchthaven. De poorten in het hek zijn ver van het centrum van het dorp gelegen. Sommige boeren hebben land op 1 kilometer van het dorpscentrum, maar moeten 20 kilometer naar het hek afleggen en nog eens 20 kilometer aan de andere kant. Voor speciale voortuigen en materialen moeten bijzondere vergunningen worden aangevraagd.

Het zicht van een gewapende Israëlische soldaat die een Palestijnse landbouwer met ezel of tractor tegenhoudt aan een streng beveiligd hek, hem inspecteert en zijn vergunning opvraagt, doet beseffen er meer op het spel staat dan enkel veiligheid. Het Israëlische leger beperkt de toegang tot het land dermate, dat steeds meer land verwaarloosd raakt. Verwaarloosd land kan worden bestempeld als Israëlisch staatseigendom en worden gebruikt voor de uitbreiding van de nederzettingen in de buurt.

Na een jarenlange juridische strijd tussen de gemeente Jayyus en het Israëlische Ministerie van Defensie verplichtte het Israëlische Hooggerechtshof eind juli 2008 de Israëlische staat om het hek in Jayyus te verplaatsen. Het hek moet dichter tegen de Groene Lijn worden gebouwd, waardoor ettelijke hectaren landbouwgrond terug ter beschikking zouden worden gesteld van hun Palestijnse eigenaars. Op het eerste gezicht goed nieuws en reden tot juichen voor de inwoners van Jayyus.

Ze reageerden echter teleurgesteld om verschillende redenen. De voorgestelde route laat nog steeds de helft van het land van Jayyus, met de meest vruchtbare delen voor het cultiveren van groenten en fruit, vier grondwaterbronnen en bijna alle serres, aan de ‘Israëlische’ kant van het hek. De boeren van Jayyus willen het hek op de Groene Lijn. Voor de bouw van een nieuw hek zal bovendien nieuwe grond moeten worden vernietigd en zullen nieuwe fruitbomen moeten worden ontworteld. Deze vernietiging komt bij de vernietiging die in 2002 werd aangericht, toen het hek gebouwd werd in Jayyus. De boeren zullen nog steeds door een toegangspoort in het hek moeten gaan. Het toekennen van een hernieuwing van de vergunningen wordt steeds strenger. En het Hooggerechtshof heeft reeds viermaal een wijziging van de route van de muur op andere plaatsen bevolen, maar tot vandaag heeft de Israëlische staat geen van deze vonnissen nageleefd. Eén van de vonnissen dateert zelfs al van 3 jaar terug.

Azzun Atma: een openluchtgevangenis

Intussen kunnen Israëlische staatsburgers en elke jood ongeacht zijn staatsburgerschap het Palestijnse land dat klemzit tussen de Groene Lijn en het hek vrij betreden. Wanneer het hek/muur volledig gebouwd is, zal het de vreemdste kronkels maken om toch maar de territoriale continuïteit tussen Israël en de Israëlische nederzettingen in de Westelijke Jordaanoever te verzekeren. Honderden Palestijnse dorpen ondergaan hetzelfde lot als Jayyus. 15 Palestijnse dorpen, 50.000 Palestijnen en 10,2% van het Palestijnse land liggen nu in de ‘seam zone’, de zone tussen de Groene Lijn en het hek. Deze dorpen worden compleet geïsoleerd van de rest van Westelijke Jordaanoever.

Azzun Atma is zo een Palestijns dorp aan de ‘Israëlische’ kant van het hek. Het dorp is omsingeld door drie Israëlische nederzettingen en een ‘apartheidsweg’, één van de wegen (300 kilometer) op de Westelijke Jordaanoever die verboden zijn voor Palestijnen. Het is een hoofdweg die de nederzettingen verbindt met Israël. Om de inwoners van Azzun Atma te verhinderen deze hoofdweg te gebruiken, is het T-kruispunt geblokkeerd met een hoge hoop rotsblokken.

Zulke wegversperringen zijn instrumenten in handen van het Israëlische leger om het verkeer op bepaalde wegen in de Westelijke Jordaanoever ‘exclusief Israëlisch’ te maken. De apartheidswegen en de wegversperringen schenden het verbod op discriminatie, op basis van ras, huidskleur, nationale of etnische afkomst. [6] De verantwoording waarop Israël zich beroept, veiligheid, doorstaat de toets niet, aangezien de wegversperringen alle Palestijnen treffen omdat ze Palestijn zijn.

De inwoners van Azzun Atma kunnen maar op één manier uit hun dorp en dat is via de weg ten noorden van het dorp, maar daar sluit het hek het dorp af van andere dorpen in de Westelijke Jordaanoever. Inwoners moeten door een toegangspoort in het hek om de rest van de Westelijke Jordaanoever te betreden. De poort sluit om 22 uur ’s avonds. In februari 2007 liep dit fataal af voor Mu’atasem ‘Omar, een 21-jarige jongeman die na 22 uur onder een tractor was terechtgekomen. Zijn neef kwam onderweg naar het ziekenhuis in Qalqilya, op 20 minuten van het dorp, voor de gesloten poort te staan met de jongen in levensgevaar. De Israëlische soldaten weigerden uit hun wachttoren naar beneden te komen om zich te vergewissen van de ernst van de situatie. Ze werden meer dan een uur opgehouden. Toen ze uiteindelijk aankwamen in het ziekenhuis was Mu’atasem al dood.

Tijd voor gerechtigheid?

Als bezettingsmacht is Israël gehouden aan de Conventie van Den Haag (1907) en de Vierde Conventie van Genève (1949) [7]. De kerngedachte achter dit bezettingsrecht is dat bezetting enkel kan als overgangsregeling voor een beperkte periode. Het doel van de rechtsregels is ervoor te zorgen dat de inwoners van een bezet gebied een zo ‘normaal’ mogelijk leven kunnen leiden. Net als elke andere staat is Israël ook gehouden de mensenrechten te respecteren, opgenomen in internationale mensenrechtenverdragen die Israël heeft geratificeerd. Het bezettingsrecht duidt bovendien de bezettingsmacht aan als verantwoordelijke overheid die de fundamentele mensenrechten van de inwoners van de bezette gebieden moet beschermen en realiseren en moet verzekeren dat zij een effectief rechtsmiddel ter beschikking hebben als die rechten worden geschonden.

Israël schendt structureel en doelbewust het recht op bewegingsvrijheid en een hele reeks economische en sociale rechten van de Palestijnen in de bezette Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem: het recht op werk en het recht op een adequate levensstandaard (geïllustreerd in Jayyus en Bethlehem), het recht op gezondheid (bijvoorbeeld door Palestijnen af te scheiden van ziekenhuizen, zoals geïllustreerd in Azzun Atma), het recht op huisvesting, het recht op gezinsleven, het recht op onderwijs, het recht op water (Israëlische kolonisten gebruiken het schaarse water van de Westelijke Jordaanoever en worden vijf keer zoveel als de Palestijnen toegestaan).

Al deze rechten zijn opgenomen in het Verdrag inzake de Economische, Sociale en Culturele rechten, waarbij Israël partij is. Israël mag deze rechten dus niet schenden, maar moet bovendien, als bezettende macht, alle gepaste maatregelen nemen om deze rechten geleidelijk te verwezenlijken voor de inwoners van de bezette gebieden. De verslechterende economische situatie, de toegenomen armoede en voedselonzekerheid en het dalende gezondheidsniveau in de bezette Palestijnse gebieden, zijn niet te wijten aan natuurlijke oorzaken, noch aan het gebrek aan overheidsmiddelen of uitgaven. Integendeel, het is grotendeels het gevolg van maatregelen die worden genomen door de Israëlische autoriteiten: de bouw van Israëlische nederzettingen, de bouw van het hek en de muur en de beperkingen op de bewegingsvrijheid van de Palestijnen.

Gerechtigheid bekomen bij Israëlische rechtbanken is een Sisyfusarbeid. Het Palestijnse individu is ten allen tijde een potentiële dreiging voor Israël, omdat hij deel uitmaakt van de Palestijnse samenleving. Het gevolg is een algemene cultuur van straffeloosheid wat betreft van de schendingen van de rechten van de Palestijnen. Vele maatregelen die overduidelijk de mensenrechten en het internationaal recht schenden (bijvoorbeeld: huisvernietigingen als straf) worden gerechtvaardigd als deel van de bestrijding van een ‘vijandige entiteit’.

In deze context toont het Israëlische juridische apparaat zich ineffectief om de individuele rechten van de Palestijnen te beschermen. Vergelijk de rechtspraak over de muur van het Israëlische Hooggerechtshof met die van het Internationaal Gerechtshof: deze laatste stelt dat àlle delen van de muur in de Westelijke Jordaanoever het internationaal recht schenden en dat Israël enkel een muur kan bouwen op de Groene Lijn. Het Israëlische Hooggerechtshof daarentegen, heeft nu al een aantal keer de route van de muur ongeldig verklaard en vervolgens een andere route aangeraden die nog steeds in de Westelijke Jordaanoever loopt. En zelfs die beslissingen kan het niet afdwingen. Drie jaar na het vonnis om de muur in Bilin te verplaatsen, staat de muur nog steeds waar hij stond. Een staat is slechts een rechtsstaat in de mate waarin de rechterlijke macht haar beslissingen tegen de staat kan afdwingen.

Israëlische mensenrechtenadvocaten en niet-gouvernementele organisaties beseffen hoe langer hoe meer dat Israëlische rechtbanken nooit het juiste forum zullen zijn voor de juridische afdwinging van de mensenrechten van de Palestijnen. Zij noemen het Israëlische Hooggerechtshof één van de pijlers van de bezetting en trachten steeds meer het pad van de universele jurisdictie te bewandelen.

In 2004 kreeg deze campagne een enorme boost. Het Internationaal Gerechtshof velde een vernietigende adviserende opinie aan de Algemene Vergadering van Verenigde Naties. Het Hof oordeelt dat de bouw van de muur en het daarmee verbonden regime het recht op bewegingsvrijheid van de Palestijnen onrechtmatig inperken en hun recht op werk, gezondheid, onderwijs en een adequate levensstandaard schenden. Het Hof stelt duidelijk dat Israël de plicht heeft onder internationaal recht om de bouw van de muur in de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem te stoppen, de reeds gebouwde delen af te breken en schadevergoeding te betalen aan de slachtoffers die hun land verloren.

Het Hof stelt dat ook andere staten juridische plichten hebben: enerzijds moeten alle staten ervoor zorgen dat de Vierde Conventie van Genève wordt gerespecteerd, anderzijds hebben zij de plicht “de illegale situatie die volgt uit de bouw van de muur niet te erkennen en geen hulp te geven om deze situatie te bestendigen.” En last but not least, het Hof vraagt aan de VN-Veiligheidsraad om verdere actie te ondernemen om de illegale situatie te beëindigen.

In een ideale wereld worden oorlogsmisdaden, inclusief de kolonisatie van de bezette Westelijke Jordaanoever, door het Internationaal Strafhof berecht. Israël weigerde in 2000 het Statuut van Rome te ondertekenen, omdat het de introductie als oorlogsmisdaad van het overbrengen van de eigen civiele bevolking naar bezet gebied beschouwt als misbruik van het Hof voor ‘politieke doeleinden’. Volgens Israël moet de kwestie van de nederzettingen via onderhandelingen worden opgelost. Israël tracht hierbij uiteraard de ‘juridisering’ van de kolonisatie te voorkomen.

De Europese Unie: payer of player?

De rechten van de Palestijnen zijn door de hoogste juridische organen in de wereld erkend. Op het internationale toneel worden de kaarten echter zelden in de rechtbank geschud, maar aan de onderhandelingstafel, waar er meestal alleen maar gepraat wordt terwijl de situatie op het terrein verder verrot. De wereld krijgt immers al jaren een constructief vredesproces voorgeschoteld dat niet meer dan een dekmantel lijkt voor een destructief proces van afscheiding, annexatie, discriminerende ruimtelijke ordening en een eindeloze lijst mensenrechtenschendingen. Ondertussen blijft de Westelijke Jordaanoever bezet en wordt het demografische en fysieke karakter van het gebied onherkenbaar veranderd.

Een mooie illustratie hiervan is de houding van de Europese Unie. Sinds 2003 gaat de officiële positie van de EU in het ‘Midden-Oosten vredesproces’ niet verder dan het steunen van de stapsgewijze implementatie van de zogenaamde Road Map, een stappenplan naar vrede. De EU doet dit vanuit haar lidmaatschap van het Kwartet (waar ook nog de Verenigde Staten, Rusland en de Verenigde Naties deel van uitmaken). Ondanks de ernstige ontwikkelingen op het terrein blijft het Kwartet ondertussen de Road Map als vertrekpunt nemen, terwijl het uitblinkt in oorverdovende stilte wat betreft de mensenrechtenschendingen die zich dagelijks voltrekken in de bezette gebieden.

De EU verliest kansen om een werkelijke hefboom te zijn voor respect voor mensenrechten en duurzame vrede. Critici menen dat de EU de uitgebreide budgettaire hulp aan de Palestijnse Autoriteit, de humanitaire hulpverlening en de belangrijke economische banden die ze met Israël onderhoudt, politiek niet weet te verzilveren en op die manier de Israëlische bezetting zelfs mee helpt in stand te houden. Israël zet het bezet grondgebied naar zijn hand, terwijl buitenlandse organisaties de humanitaire noden van de lokale bevolking voor hun rekening nemen.

De Europese Unie beschikt nochtans over een heel instrumentarium om mensenrechten en het internationaal recht een prominente plaats te geven in haar werk ten aanzien van het Israëlisch/Palestijns conflict: Associatieakkoorden, informele ‘werkgroepen’ en actieplannen binnen het Europese Nabuurschapsbeleid (ENB). De ENB-Actieplannen vormen een agenda voor politieke en economische hervormingen, waaronder mensenrechten, maar worden onderhandeld met het partnerland. Het Associatieakkoord, een handelsakkoord tussen de EU en Israël, bevat een mensenrechtenclausule in artikel 2: “Relations between the Parties, as well as all the provisions of the Agreement itself, shall be based on respect for human rights and democratic principles, which guides their internal and international policy and constitutes an essential element of this Agreement.”

Dit is een instrument voor de EU om een politieke dialoog aan te gaan met Israël omtrent de mensenrechtensituatie in de Bezette Palestijnse Gebieden, maar geeft de EU ook juridisch het recht het gehele akkoord of delen ervan op te zeggen indien Israël niet voldoet aan de mensenrechtenverplichtingen. De EU blijft opteren voor de piste van de dialoog binnen de informele werkgroepen. Dat zou nog niet eens zo slecht zijn, moest de druk op Israël werkelijk hoog liggen. De dialoog staat momenteel echter op een bijzonder laag pitje en vindt plaats op een laag niveau.

In geval mensenrechtenschendingen worden geconstateerd, beschikt de EU over een gamma aan mogelijke maatregelen die door de Raad van Ministers werden aangenomen, waaronder wijziging van inhoud van de samenwerkingsprogramma’s, beperking van samenwerkingsprogramma’s, uitstellen van bilaterale contacten op hoog niveau, handelsembargo’s,… In plaats van één van deze instrumenten te gebruiken, heeft de EU oren naar een vraag van Israël om de onderlinge relaties op te krikken. “The EU and Israel should work more closely together on economic and political issues and the Middle East peace process. But progress in the peace talks remains vital for the EU side. The settlement expansion program is a grave risk to both the peace process and to the possibility of a future Palestinian state” stelde de EU-commissaris voor Buitenlandse Zaken Benita Ferrero-Waldner ogenschijnlijk moedig naar aanleiding van een nieuwe stap in het opkrikken van de relaties tussen de EU en Israël in juni 2008.

Maandenlang werd gespeculeerd over wat de aangekondigde ‘upgrade’ van de relaties tussen de EU en Israël zou inhouden. Protest en verontwaardiging kwam uit alle hoeken. De Palestijnse eerste minister Salam Fayyad stuurde een bezorgde brief naar de EU-leiders (waarvoor hij onmiddellijk gestraft werd door Israël). Ook binnen de eigen EU-rangen klonk er luid protest. Ervaren EU-diplomaten lieten verstaan dat de EU niet klaar is voor een sterkere band met Israël. Binnen het Europees parlement was het vooral vice-president Luisa Morgantini die het voortouw nam. Zij leidde van 31 mei tot 2 juni 2008 een parlementaire delegatie in Israël en de bezette Palestijnse gebieden, waaruit bleek dat Israël niet klaar is voor een voorkeursstatus bij de EU. De delegatie stuurde een duidelijk persbericht de wereld in: “Wij zijn er rotsvast van overtuigd dat de tijd niet rijp is voor een upgrade van de relaties tussen de EU en Israël, zonder ernstige tekenen van goede trouw vertaald in concrete verbeteringen op het terrein.”

Mensenrechtenorganisaties zijn bezorgd dat de discussie over een opkrikken van de relaties niet zou gepaard gaan met sterkere mechanismes voor de handhaving van de mensenrechten en dat zou een pervers signaal de wereld insturen: Israël zou worden beloond voor zijn onophoudelijke en structurele schendingen van internationaal humanitair rechten en mensenrechten.

Respect voor mensenrechten en internationaal recht is de sleutel tot het oplossen van het conflict 

De internationale gemeenschap is inmiddels medeplichtig geworden aan de Israëlische schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in de bezette Palestijnse gebieden. Het Internationaal Gerechtshof heeft de internationale gemeenschap in 2004 als het ware ‘in gebreke gesteld’. De inactie en het uitblijven van echte druk op Israël komt immers neer op een de facto erkenning van de illegale situatie gecreëerd door de muur. De wereld kijkt toe van op de zijlijn hoe Israël de Westelijke Jordaanoever naar zijn hand zet. Concepten als ‘landruil’ en ‘transportcontinuïteit’ moeten nu soelaas bieden als ‘oplossing’ voor de moeilijkheden die de muur met zich meebrengt voor de Palestijnen.

De muur hapt grote stukken land weg uit het land dat de basis vormt voor de uitoefening van het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk. Wat we nu zien gebeuren, is een duidelijk proces van verdeling van het land, niet door onderhandelingen, maar door een eenzijdig proces op het terrein. Israël neemt het land in dat het wil en daarna garandeert het landruil in onderhandelingen. Het zand in de Negev-woestijn naast Gaza zal echter geen compensatie bieden voor de boeren van Jayyus in het noorden van de Westelijke Jordaanoever. Zij verloren hun landbouwgronden en watervoorraden.

Zone C doorkruist de hele Westelijke Jordaanoever en vernietigt de territoriale continuïteit van het gebied om de territoriale continuïteit tussen Israël en de nederzettingen te verzekeren. De Palestijnen zouden een infrastructuur van ‘transportcontinuïteit’ aangeboden krijgen, een concept geïntroduceerd door voormalig Israëlisch eerste minister Ariel Sharon. Palestina zal een eiland zijn omringd door Israël en zal tunnels onder Israël krijgen om bewegingsvrijheid te verzekeren. Waar Israël boven de grond is, moet de Palestijnse staat onder de grond gaan.

In een afscheidsinterview als eerste minister van Israël zei Ehud Olmert onlangs dat de droom van een ‘Groter Israël’ van de Middellandse Zee tot de Jordaan opgeborgen is. Hij zei dat Israël zich moet terugtrekken uit de bezette gebieden. Is dit één van de zovele verklaringen die niet stroken met de realiteit op het terrein? De droom van een ‘Eretz Israel’ valt in duigen, maar dat betekent nog niet dat de droom van een leefbare Palestijnse staat werkelijkheid kan worden. Een opvallende recente krantenkop in de Israëlische krant Haaretz luidde immers: “We must prepare now for the evacuation of West Bank settlers”. Een aandachtige lezer blijft alert en ziet hierin, in plaats van goed nieuws, een indicatie dat Israël steeds meer de muur als definitieve grens vooruitschuift. Olmert en kandidaat eerste minister Tzipi Livni willen Israël immers voorbereiden op een evacuatie van de kolonisten die ten oosten van de muur wonen, omdat enkel het gebied ten westen van de muur bij Israël zou worden ingelijfd. Maar het is net de muur die een leefbare Palestijnse staat onmogelijk maakt.

In tegenstelling tot de fictieve Groene Lijn trekt de muur op bijzonder agressieve manier een zichtbare grens door de Westelijke Jordaanoever en een streep door het recht op bewegingsvrijheid en de sociale en economische rechten van de Palestijnen. Vrede volgt niet uit een wiskundeoefening van landruil of uit halfslachtige oplossingen als transportcontinuïteit, maar uit het respect voor het internationaal recht en het verzekeren van de leefbaarheid van een Palestijnse staat.

Dit artikel werd gepubliceerd in “60 jaar Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens”, Liga voor Mensenrechten, oktober-november-december 2008, nr.4

[1] De unilaterale annexatie van Oost-Jeruzalem schendt artikel 43 van de Conventie van Den Haag van 1907, die deel uitmaakt van het internationaal gewoonterecht dat ook Israël bindt: een bezettingsmacht kan zijn eigen rechtssysteem niet kan opleggen in bezet gebied. De annexatie werd niet erkend door de internationale gemeenschap (UN Security Council resolution 252, 21 May 1968, http://www.un.org/documents/sc/res/1968/scres68.htm) en verandert niets aan de status van Oost-Jeruzalem als bezet gebied onder international recht.

[2] UN Charter, article 2(4). Dit principe werd bevestigd in UN Security Council resolution 242, 22 November 1967. Zie ook: Ir Amim, The land status of East Jerusalem, http://www.ir-amim.org.il/Eng/?CategoryID=241

[3] Dit principe werd bevestigd in UN Security Council resolution 465, 1 March 1980): “Determines that all measures taken by Israel to change the physical character, demographic composition, institutional structure or status of the Palestinian and other Arab territories occupied since 1967, including Jerusalem, or any part thereof, have no legal validity.”

[4] Ariella Azoulay, The Inhuman Spatial Condition

[5] UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs occupied Palestinian Territory (OCHA), West Bank: Access and Closures, April 2008, Andere kaarten: http://www.ochaopt.org/?module=displaysection&section_id=96&static=0&format=html

[6]International Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination. Het discriminatieverbod is een fundamenteel beginsel van mensenrechtenrecht opgenomen in de mensenrechtenverdragen die Israël heeft geratificeerd.

[7] Convention (IV) respecting the Laws and Customs of War on Land and its annex: Regulations concerning the Laws and Customs of War on Land. The Hague, 18 October 1907. De Conventie van Den Haag maakt deel uit van het internationaal gewoonterecht dat ook Israël bindt, http://www.icrc.org/ihl.nsf/385ec082b509e76c41256739003e636d/1d1726425f6955aec125641e0038bfd6 Convention (IV) relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War. Geneva, 12 August 1949. http://www.icrc.org/ihl.nsf/7c4d08d9b287a42141256739003e636b/6756482d86146898c125641e004aa3c5 Israël is partij bij de Vierde Conventie van Genève, maar het aanvaardt niet dat die Conventie van toepassing is. Israël betwist met andere woorden dat het de bezettingsmacht is in de Westelijke Jordaanoever. De gehele internationale gemeenschap, mensenrechtenorganisaties, het Internationale Rode Kruis én de meest invloedrijke specialisten internationaal recht zijn het er echter unaniem over eens dat de Conventie van toepassing is. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur