De laatste verovering van Jeruzalem?

In juni stond Jeruzalem centraal. Op 28 juni 1967 annexeerde Israël Oost-Jeruzalem, nadat het dat stadsdeel had veroverd en bezet in de oorlog van 1967. Sindsdien beschouwt het Oost-Jeruzalem als integraal deel van Israël. In 1980 kondigde Israël haar ‘Basic Law’ af: Jeruzalem werd de ‘eeuwige en onverdeelde hoofdstad’ van Israël. De Verenigde Naties reageerden meteen met een afkeurende resolutie. Jeruzalem draagt de tekenen van deze geschiedenis, maar ook vandaag nog is de annexatie een voortschrijdende realiteit. De nederzettingen in en rond Oost-Jeruzalem breiden uit. Dat stadsdeel, waar vandaag zo een 260.000 Palestijnen wonen, moet nochtans de toekomstige hoofdstad van een onafhankelijk Palestina worden. Allerlei ambitieuze bouwprojecten en de route van de muur, die bedoeld is om de nederzettingen bij Israël in te lijven en die illegaal werd verklaard door het Internationaal Gerechtshof van de Verenigde Naties op 4 juni 2004, maken zelfs een onderhandelde oplossing onmogelijk. Daarnaast maken een hele resem discriminerende maatregelen de Palestijnse inwoners van Jeruzalem tot tweederangsburgers.

Nederzettingen en de muur: zoveel mogelijk Israëli’s naar Oost-Jeruzalem

Kort na de bezetting en de annexatie van Oost-Jeruzalem begon Israël aan de bouw van nederzettingen in het geannexeerde stadsdeel. Doorheen de jaren is de grens tussen Oost en West stilaan verdwenen en de Israëlische bevolking in Oost-Jeruzalem gestaag aangegroeid. De Israëlische regering geeft nog steeds subsidies aan Israëlische burgers om te verhuizen naar de nederzettingen in Oost-Jeruzalem; een flagrante schending van het verbod opgenomen in de Vierde Conventie van Genève om de eigen burgerbevolking over te brengen naar bezet gebied. Een bezettingsmacht kan volgens internationaal recht de demografische realiteit in bezet gebied niet veranderen.

Israëlische kolonisten in bezet Oost-Jeruzalem nemen 80% van de joodse bevolkingstoename in Jeruzalem sinds 1967 voor hun rekening. 185.000 kolonisten leven in 12 nederzettingen in Oost-Jeruzalem en 280.000 anderen in 54 nederzettingen in de Westelijke Jordaanoever. Nederzettingen buiten de gemeentelijke grenzen vormen een ring rond het gehele bezette deel van de stad, waardoor Oost-Jeruzalem en zijn 260.000 Palestijnen afgesloten worden van de rest van de Westelijke Jordaanoever.

En de bouw gaat onverstoord door. Onderzoek door de Israëlische nederzettingen-watchdog Peace Now toonde al aan dat gedurende 4 maanden na de Annapolis-vredesconferentie eind november 2007, waar de Israëlische regering zich verbondt tot een bouwstop, meer bouwplannen werden goedgekeurd voor Oost-Jeruzalem (750 huizen) dan gedurende heel 2007 (46 huizen). De Israëlische minister van huisvesting, Zeev Boim, kondigde op de vooravond van Jerusalem Day op 2 juni één van de meest ambitieuze bouwprojecten in de nederzettingen ooit aan (een duizendtal huizen) en liet weten dat Israël een opdeling van de stad nooit zal aanvaarden.

Een volgende stap in de annexatie lijkt de muur te zijn. In 2003 begon Israël met de bouw van een muur rond bezet Oost-Jeruzalem. Deze muur verantwoordt Israël op grond van veiligheid, maar dan zou de grenslijn tussen Oost en West de route bepaald hebben. De route van de muur valt nu grotendeels samen met de in 1967 illegaal vastgelegde gemeentelijke grenzen van Jeruzalem, hetgeen een annexatieoogmerk verraadt. Daarnaast zal de muur bovendien die nederzettingen bij een ‘Groter-Jeruzalem’ inlijven die vandaag nog niet tot Jeruzalem behoren en die diep in de Westelijke Jordaanoever gelegen zijn, zoals Ma’ale Adumim.

Amnesty International meent dat Israël haar eigen bevolking nooit had mogen overbrengen of laten verhuizen naar bezet Oost-Jeruzalem. Israël moet nu concrete maatregelen nemen om deze langdurige schendingen van internationaal recht ongedaan te maken. Amnesty is zich ervan bewust dat dit niet van de ene dag op de andere kan gebeuren, maar verwacht wel een aantal concrete stappen die dit in gang zetten. Israël moet allereerst stoppen met bouwen in de nederzettingen en vervolgens van start gaan met de evacuatie van kolonisten en hen hervestigen in Israël, met respect voor hun rechten: compensatie en hulp bij hervestiging. De kolonisten mogen niet de prijs betalen van een actief aanmoedigingsbeleid van de Israëlische autoriteiten om te verhuizen naar Oost-Jeruzalem.

Discriminatie: zoveel mogelijk Palestijnen uit Oost-Jeruzalem

Sinds Oost-Jeruzalem in 1967 werd bezet en geannexeerd, hebben de Israëlische regering en de gemeenteraad van Jeruzalem een beleid van discriminatie ten aanzien van de Palestijnen in Jeruzalem gevolgd. Dat uit zich op verschillende vlakken, waaronder verblijfsrechten, ruimtelijke ordening en huisvesting en publieke bestedingen. De 260.000 Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem verblijven er op basis van verblijfskaarten. Israël legt hen de verplichting op om regelmatig te bewijzen dat Jeruzalem nog steeds het ‘centrum van hun leven’ is. Zij lopen dus constant het risico om hun verblijfskaart te verliezen als zij bijvoorbeeld werken of studeren buiten Jeruzalem.

Sinds 1967 hebben ongeveer 7000 Palestijnen hun verblijfskaart verloren en duizenden anderen hebben rechtszaken moeten inspannen om hun recht op verblijf te verdedigen. Israëlische kolonisten die volgens internationaal recht illegaal verblijven in bezet Oost-Jeruzalem, hebben volwaardige verblijfsrechten volgens Israëlisch recht en kunnen hun verblijfsrecht nooit verliezen.

Op 31 juli 2003 vaardigde het Israëlische parlement de ‘Citizenship and Entry into Israel Law’ uit. Deze wet maakt gezinshereniging onmogelijk tussen Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever en hun man of vrouw die in Israël of Oost-Jeruzalem verblijfsrecht of staatsburgerschap heeft. Dit leidt tot familiale drama’s: “Na 14 jaar huwelijk, heeft mijn man, de vader van mijn kinderen, niet het recht om in ons huis te slapen, niet het recht om zijn dochters goede nacht te wensen, niet het recht om er te zijn als ze ziek worden ’s nachts…” (Terry Bullata, Jeruzalem).

Meestal gaat het om Palestijnen uit Oost-Jeruzalem die trouwen met iemand uit de Westelijke Jordaanoever of Gaza. Palestijnen uit Oost-Jeruzalem die enkel een verblijfsvergunning in Israël hebben, maar geen staatsburgerschap, dreigen dit verblijfsrecht te verliezen als ze naar de bezette gebieden verhuizen, waardoor ze hun familie in Jeruzalem niet meer kunnen bezoeken. Sinds 1967 hebben zo al meer dan 8500 Palestijnen hun Jeruzalem-verblijfskaart verloren. Verhuist een man of vrouw illegaal naar Jeruzalem, dan leeft die onder de voortdurende dreiging uitgewezen te worden.

Palestijnse kinderen in Oost-Jeruzalem worden bij geboorte geregistreerd onder de nationaliteit van hun vader. Heeft die geen verblijfsrecht in Jeruzalem en de moeder wel, dan kan zij nog een jarenlange procedure starten om zelf haar kind te registeren. In de tussentijd is het kind niet geregistreerd en heeft het geen sociale rechten zoals toegang tot gezondheidszorg of onderwijs. Dit druist regelrecht in tegen de rechten van het kind.

De wet wordt toegepast op basis van nationaliteit en etniciteit en is een geïnstitutionaliseerde vorm van discriminatie die ingaat tegen internationaal humanitair recht en de mensenrechten. Israëlische ministers hebben er vaker op gewezen dat het percentage van Palestijnse burgers in Israël een ‘demografische bedreiging’ vormt voor het joodse karakter van de staat. De wet past dus waarschijnlijk binnen een breder beleid met tal van andere discriminerende maatregelen om het aantal Palestijnen in Israël en Oost-Jeruzalem terug te dringen. De ‘tijdelijke’ wet uit 2003 werd nu tot eind juli 2008 uitgebreid. Het VN-comité voor de Eliminatie van Rassendiscriminatie deed al herhaaldelijk een oproep aan Israël, partij bij de Conventie voor de Eliminatie van alle vormen van Rassendiscriminatie, om de wet op te heffen, zonder resultaat. 

Een volgende discriminatie ligt in belastingen en publieke dienstverlening. Hoewel Palestijnen in Oost-Jeruzalem evenveel belastingen betalen als Israëlische inwoners, wiens inkomen gemiddeld 8 keer hoger is, ligt het budget dat aan Palestijnse woonbuurten in Oost-Jeruzalem wordt toegekend voor openbare diensten een stuk lager. De Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem maken 33% van de bevolking van Jeruzalem uit, maar krijgen slechts 12% van de budgetten.

In 2002 bijvoorbeeld, ontvingen Palestijnen uit Oost-Jeruzalem slechts 16,6% van het budget voor onderwijs en 6,2% van het budget voor gezondheidszorg. Deze budgettaire discriminatie leidt tot schrijnende situaties: hele Palestijnse woonbuurten zijn niet aangesloten op het rioleringssysteem en hebben geen geasfalteerde wegen of voetpaden. West-Jeruzalem telt tien keer meer bibliotheken en zwembaden, meer dan 20 keer zoveel sportcentra en parken. Sinds 1967 werd slechts 1 nieuwe school gebouwd voor Palestijnse inwoners, ondanks de toegenomen bevolking. Overbevolkte klassen zijn het gevolg.

Een ander domein waar Palestijnen een structurele discriminatie ondergaan is huisvesting en ruimtelijke ordening in Oost-Jeruzalem. Het gemeentelijke beleid van ruimtelijke ordening maakt het voor Palestijnse landeigenaars bijzonder moeilijk om te bouwen op hun eigen land. Vele gebieden in Oost-Jeruzalem blijven onbebouwd tot ze worden opgeëist voor de bouw van Israëlische nederzettingen. Sinds 1967 heeft Israël zo een 34% van het grondgebied van Oost-Jeruzalem geconfisceerd voor ‘publieke doeleinden’. Een andere 53% werd bestempeld als ‘groene zone’, maar in werkelijkheid wordt het gebruikt als land voor de nederzettingen. Palestijnen in Oost-Jeruzalem kunnen daarom slechts bouwen op 13% van hun land.

Bouwvergunningen worden zelden toegestaan aan Palestijnen die willen bouwen in Oost-Jeruzalem. Vele Palestijnen die geen alternatief hebben dan te bouwen zonder bouwvergunning lopen constant het risico een afbraakorder in de bus te krijgen. Sinds 1967 werden al meer dan 2.000 Palestijnse huizen in bezet Oost-Jeruzalem vernietigd door het Israëlische leger. De afgelopen zes jaar waren dat er zo een 400. Zo een 22.000 families in Oost Jeruzalem leven met afbraakorders op hun huizen. Een derde van alle Palestijnse huizen in Oost-Jeruzalem kunnen op elk moment vernietigd worden. Dit terwijl er meer illegale Israëlische nederzettingen in Oost-Jeruzalem worden gebouwd dan ooit tevoren.

Het vernietigen van eigendommen in bezet gebied is illegaal onder internationaal recht. Amnesty eist dat Israël alle afbraakorders die nu rusten op huizen in Oost-Jeruzalem intrekt. De bevoegdheid voor ruimtelijke ordening in de bezette Palestijnse gebieden moet ontrokken worden aan de Israëlische autoriteiten en geplaatst worden bij de lokale Palestijnse gemeentes. Iedereen wiens huis werd vernietigd in strijd met international recht moet schadevergoeding worden aangeboden.

De gemeentelijke grenzen van Jeruzalem werden hertekend in 1967, toen Israël niet enkel het toenmalige Oost-Jeruzalem annexeerde, maar ook grote delen van de Westelijke Jordaanoever. Honderdduizenden Palestijnen die tot dan toe in de Westelijke Jordaanoever woonden, kwamen binnen Jeruzalem terecht. Israëlisch civiel recht werd er van toepassing en niet het militair recht zoals elders in de bezette Palestijnse gebieden. De unilaterale annexatie van Oost-Jeruzalem verandert echter niets aan de status van Oost-Jeruzalem als bezet gebied onder international recht. De Verenigde Naties en het Internationale Rode Kruis zijn daarin zeer duidelijk. Ook Amnesty International beschouwt Oost-Jeruzalem als bezet gebied. Dit werd bevestigd door de Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof, het hoogste juridische orgaan van de Verenigde Naties, op 4 juni 2004. Een overweldigende meerderheid van VN lidstaten keurde na het arrest een resolutie goed, die Israël oproept te handelen in lijn met de opinie van het Hof.

Dit artikel schreef ik voor de maandelijkse nieuwsbrief ‘Mensenrechten in Israël en Palestina’ van Amnesty International Vlaanderen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur