De utopie zal concreet zijn, of ze zal niet zijn

In Antwerpen werd vanmorgen “Het Utopisch Alfabet” voorgesteld, een verzameling van 100 korte beschouwingen over utopie. Een van die stukjes is van mijn hand, vandaar dat ik het hier even herpubliceer. In het boek kreeg het de titel: “Doe het zelf. Doe het samen”.

De plek waar geluk tot de alledaagse ervaring van haar bewoners hoort, de utopie dus, is geen schitterend land aan de einder van ons beperkte voorstellingsvermogen. De utopie krijgt vorm in eenvoudige menselijkheid en betrouwbare beschaving, of ze krijgt geen vorm. Om te weerstaan aan de verleiding van de grootse architectuur die in de feiten –en dus in de wereklijke levens van concrete mensen– zo vaak leidt tot een ideologische dystopie, volgt hier gewoon een scène van wat ik me voorstel bij utopie. Regie-aanwijzing: de omgeving is heet en droog, de mensen arm en door het beleid verwaarloosd; zoals in het ware leven, quoi.

Ik arriveer in in Bhaonta, Rajasthan bij het vallen van de avond. De schroeiende schotel verdween al achter de Aravali-heuvels, het vee wordt binnengedreven, de kookvuurtjes worden aangestoken. Het dorp leeft op volle toeren, nog even. Kanheya Lal stelt me voor aan zijn vader, zijn broers, zijn neven en zijn ooms. De nichten, zusters, moeder en tantes blijven verborgen achter de sluiers van de purdah. Letterlijk, want als ze het erf passeren waarop ik met de mannen zit te praten, schuiven ze het lichtjes doorschijnende doek dat ze over hun hoofd dragen voor hun gezicht –al doen ze dat telkens op een manier dat ik toch nog kan zien wie ze zijn, hoe ze kijken, welke juwelen ze dragen. ‘Purdah’ staat echter voor veel meer dan voor een gesluierd gelaat; de scheiding tussen mannenwereld en vrouwenwereld wordt op weinig plaatsen in India nog zo consequent in acht genomen als in Rajasthan.

Na het avondmaal komt één van de Kanheya-ooms aangestapt met een charpoy op z’n hoofd. Er staan al drie zulke houten bedden met een koorden vlechtwerk als matras op het erf, voor mij wordt het beste uit de familie aangesjouwd. ‘Slaap nu maar’, zegt Kanheya Lal, ‘en geniet van de koelte van de nacht.’

Het is halfacht en het leven is gaan liggen. De stilte van de nacht. Lal’s broer zit nog even –gedempt- te praten met zijn zoon. De woorden versmelten voor mij met het borrelend gepruttel van de waterpijp, waaraan één van de ooms zit te lurken. Het ademen van de twee buffels die op het erf staan. Een geitenbelletje in de verte. Het gerinkel van de glazen armbanden van een meisje dat onze charpoys passeert met een kruik water op haar hoofd.

Water. Het gebrek eraan houdt me een lange nacht uit mijn slaap.

De volgende ochtend staan vrouwen en meisjes aan te schuiven en te kletsen aan de waterpomp. Jongetjes worden gewassen, terracotta en koperen kruiken worden gevuld. De buffels krijgen voer en water. Ik krijg thee en lassi, de heerlijke yoghurtdrank die de goden aan de Indiërs hebben geschonken om na een dorstige nacht terug te keren tot het genoegen van het leven. Na de ochtendrituelen begint Manbar, de vrouw van Lal’s broer, de lemen vloer van het open huis en van het erf te vernieuwen. Zo stinkend en verloederd de Indiase steden, zo schoon en verzorgd de dorpen.

Water. Terwijl de rest van Rajasthan -en een groot deel van India- kreunt onder de brandende zon, de aanhoudende droogte en de aanzwellende hongersnood, lijkt Bhaonta meer dan genoeg water te hebben om mens, dier én landbouw draaiende te houden. Nochtans hebben ook hier de moessonregens van het voorbije jaar verstek laten laten en klimt het kwik ook hier overdag tot 48°C in de schaduw. Het verschil met andere plekken in Rajasthan is: hier is schaduw. Hier zijn bomen. Hier is een rivier. Hier zijn waterputten die niet droog staan en er zijn handpompen bij elk groepje huizen.

Kanheya Lal trekt met mij de heuvels in, om te tonen waar al dat water van Bhaonta vandaan komt. Als hij een half uur later zijn hand triomfantelijk uitstrekt en ‘daar vandaan’ zegt, moet ik me eerst het zweet uit de ogen wrijven. Ik zie een aarden dam, maar geen rivier, enkel een poeltje brak water. ‘Dit’, zegt Lal, ‘is een ‘johad’: een sikkelvormig opvangbekken, waarin we tijdens de moesson het regenwater, dat dan massaal van de heuvels stroomt, opvangen.’ De logica is simpel: het opgevangen water vormt vijvers die langzaam doorsijpelen in de ondergrond, zodat het waterpeil opnieuw kan stijgen. Dat was hoog nodig, want voordat de johads hersteld en vermenigvuldigd werden, was er van het milieu in dit deel van de Aravali-heuvels niet veel meer overgebleven dan kale hellingen, uitgedroogde rivieren en een ondergrondse watertafel die jaar na jaar lager zakte. Dat werd door het aanleggen van johads en kleine stuwdammetjes op enkele jaren tijd omgekeerd. Er zijn nu opnieuw vijf rivieren die het hele jaar door stromen, er staan bomen op de heuvels en –zelfs in het jaar dat grootste droogte van de voorbije honderd jaar kende- is er water in de putten. De johads hebben van oudsher ook een religieuze betekenis. Pasgeboren kinderen worden naar de johad gebracht, trouwende koppels maken samen een wandeling rond de johad en ook bij begrafenissen speelt de johad een belangrijke rol.

Rond Bhaonta en tweelinggehucht Koylala hebben de bewoners een vijftiental johads en dammetjes gebouwd. Gelukkig heb ik ze niet allemaal moeten bewonderen, al heeft dat niet veel gescheeld. De mensen van Bhaonta en Koylala zijn namelijk héél erg trots op hun waterinfrastructuur. Niet verwonderlijk: de president van India kwam op 28 maart 2000 de bewoners van dit tweelingdorp –en via hen ook de bewoners van de andere dorpen in de regio- feliciteren met het kleine mirakel dat ze met eigen handen en grotendeels met eigen middelen gerealiseerd hadden. De geschiedenis van verwaarlozing en dus verarming werd hier zonder veel fanfare omgedraaid. ‘Water is de basis van alle leven’, zei toenmalig president R.K. Narayanan en zijn publiek van wel dertigduizend dorpelingen uit de buurt wist beter dan de man aan de microfoon dat hij de waarheid sprak. Waarom is niet héél India bezig met het herstellen van zijn traditionele wateropvanginfrastructuur? Kanheya Lal is een man van weinig woorden in het Engels. ‘De sleutel is de gemeenschap’, zegt hij.

‘In het Westen’, zegt Neelima Khetan, directrice van Seva Mandir, een lokale ngo uit Rajasthan die zich erg bezighoudt met water, ‘spreekt men vaak over De Gemeenschap alsof het, voor mensen uit het Zuiden, een simpele en universele realiteit is. Alsof elk dorp in India sowieso een hechte gemeenschap is en alsof elke gemeenschap zonder conflicten en tegenstellingen is. De huidige droogte is inderdaad het gevolg van menselijk falen, op de eerste plaats van het tekortschieten van de overheden. Zij dragen de eerste verantwoordelijkheid voor het aftakelen van het natuurlijke milieu en van de traditionele waterbeheersinfrastructuur. Maar de droogte die alleen al in Rajasthan meer dan 23.000 dorpen treft, geeft ook weer hoe erg het op dorpsniveau gesteld is met ons sociaal weefsel.’

Khanheya Lal neemt me mee voor een rit naar enkele omliggende dorpen. De bruine droogte van het land wordt in bijna elk vergezicht doorbroken door langzaam voortbewegende, schreeuwende kleuren. De fluogroene, kanariegele of karmozijnen gordijnen waarachter vrouwen en meisjes leven. De exotische beelden die het zo goed doen op postkaarten. Maar als we in Hamirpur even halt houden, valt het toch weer op dat het gesprek uitsluitend in de witte gewaden van de mannen gevoerd wordt, terwijl honderd meter verder de kleuren komen en gaan. Daar is de pomp, het water, het leven. Hier zijn de woordvoerders, de lokale beslissers. Toch bevestigt iedereen, mannen én vrouwen, dat het heropbouwen van de johads en de dammen een zaak is van de hele gemeenschap. De verschillende kasten die in de dorpen van het Arvari-bekken samenwonen, blijken geen diepgaande vetes te koesteren. Het grondbezit is hier betrekkelijk gelijk, zodat ook de economische tegenstellingen nogal beheersbaar zijn. ‘Het was tijdens een bijeenkomst van het hele dorp, dat we beslisten om ons lot opnieuw in eigen handen te nemen’, zegt één van de mannen. ‘Dat kan ook niet anders. Stel je voor: als vijftig families zich uitsloven om de johad te herstellen, dan zou het toch onaanvaardbaar zijn dat de éénenvijftigste familie wél zou profiteren van de aanwezigheid van water het hele jaar door, maar niets zou bijdragen. Het is iedereen samen of het is niets.’

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3306   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift