Van het Beloofde Land de woestijn in.

Tot op vandaag verwijzen de Palestijnen naar de Nakba en de verdrijving uit hun eigen huis. Al die jaren waren wereldreizigers diep onder de indruk van de Palestijnse vluchtelingen. Vandaag breng ik jullie het verslag van een getuige die het Midden-Oosten in 1963 bezocht.

Walter Cabus was ooit redacteur buitenland bij de vroegere krant Het Volk. Hij reisde vaak naar het buitenland: Iran,  Guatemala, China … Hij overleed in 1984, maar zijn reizen leven voort in de souvenirtjes die hij voor elk van zijn kinderen meebracht. Het kleine houten kistje uit Bethlehem staat nog op mijn vensterbank. De hoed uit Vietnam verhuisde van mijn kinderslaapkamer mee naar een plekje boven mijn huidig bed.


Archiefmateriaal


Toen ik zelf mijn reis naar Palestina plande, ging ik op zoek in de papieren van zijn bureaukast. Ik vond een stapeltje oude krantenartikels uit 1963 over een reis in het Midden-Oosten. Het werd een verslag in verschillende afleveringen. De titel van dit verslag prijkt al bovenaan deze blog.


Het is het verhaal dat een sociaalvoelend verstandig man schreef tav de lezers van een Christelijk dagblad. De lezers hadden nog geen internet en reisden niet per vliegtuig. Velen hadden zelfs nog geen televisie.


Ik geef jullie hieronder de tekst uit een kader bij het eerste artikel.


“Een paar duizend jaar geleden was voor de stammen van Israël het gebied rond de Jordaan, naar de Middellandse Zee toe, het “land dat overvloeit van melk en honing”, hun beloofde land. In de moderne tijden, vooral na de “verklaring van Balfour”, en de nazi-vervolging, heeft het voor hen weer dezelfde betekenis gekregen, en elke week ontschepen er nieuwe groepen joden.


In de bijna tweeduizend jaar van hun bevallingschap, is dit echter niet onbewoond gebleven. Reeds sedert eeuwen is het tevens het vaderland van de honderdduizenden Arabieren. Bij de gevechten, die er uitbraken in mei, juni en juli 1948, bij het uitroepen van de staat Israël, vluchtten ongeveer een miljoen van hen uit hun haardsteden.
Hun lot werd aldus min of meer het omgekeerde van wat de Israëlieten ongeveer drieduizend jaar geleden beleefden. Deze laatsten bereikten, na de ballingschap in Egypte en na 40 jaar verblijf in de woestijn, tenslotte hun beloofde land. De Arabische “Palestijnen” echter werden thans uit datzelfde land – sedert generaties hun vaderland! – verdreven, de woestijn in.
Dit laatste is niet alleen overdrachtelijk op te vatten: buiten de 120.000 (een tiende van het totaal) die in Libanon wonen, belandden de vluchtelingen in woestijngebieden, of althans landen, waar de woestijn het grootste deel van het grondgebied uitmaakt. Of zij “weldra” zullen kunnen terug keren naar het land, dat hun thans opnieuw beloofd wordt door alle Arabische leiders, van Nasser tot Hoessein, lijkt erg problematisch. Zullen zij 40 jaar in de woestijn blijven, zoals de stammen, aangevoerd door Mozes en Josué? Zal hun ballingschap 70 jaar duren, zoals de Joodse in Babylonië, of tweeduizend? Zullen ze ooit terugkeren? Wie zal het zeggen …
Eén ding is zeker: ze verblijven nu reeds 15 jaar “in den vreemde” de overgrote meerderheid van hen in diepe armoede, slechts voor een klein deel gelenigd door internationale hulp.
Bovendien zijn ballingschap en armoede niet hun enige zware problemen. De moeilijkheden, voortspruitend uit het samenwonen in kampen, gepaard met de werkloosheid en de bitterheid over het verloren bezit voegen zich daarbij. Zij worden nog verergerd door het gebrek aan uitzicht op verbetering, laat staan op een oplossing en de overtuiging, in de steek te zijn gelaten en onrechtvaardig behandeld, niet alleen door de Westerse landen, maar door de gehele wereld, hun “Arabische broeders” tot op zekere hoogte inbegrepen.


Toch leven 50 miljoen Arabieren hartstochtelijk met hen mee en delen hun bitterheid en hun verlangen naar herstel, ja, zelfs wraak. Al mag men aannemen, dat de schuld niet uitsluitend aan één kant ligt, toch is het klaar – zelfs verblindend voor wie ter plaatse de stemming kan voelen – dat dit een probleem vormt van internationale afmetingen, een bedreiging voor stabiliteit en vrede, en niet alleen in het Midden-Oosten.
Het lot deze vluchtelingen moet ons dus niet alleen beroeren als christenen voor wie het gebod der naastenliefde, evenals dat de rechtvaardigheid geldt. Het is een probleem, dat ons ook als burgers (en onze vertegenwoordigers in de wereld) moet bekommeren.
In bijgaand stuk en de volgende afleveringen, zullen we een en ander daarover kunnen vertellen, tegen de achtergrond van de landen en volken waar het drama zich afspeelt, aan de hand van de gegevens die we verzamelden tijdens een reis die ons bracht in de vier gebieden waar de vluchtelingen voornamelijk verblijven (Libanon, Syrië, Jordanië, Gaza). Het was een reis die ons diep onder de indruk heeft gebracht van het schrijnende en vooral van de omvang van het vraagstuk – en van zijn gevaarlijke mogelijkheden. C.”


Tot daar de woorden van Walter Cabus in 1963. Ik kon het toen nog niet lezen. Toen ik ouder werd, reisde hij minder naar het buitenland, maar tot op het einde van zijn leven bleef hij zeggen: “ik zie niet hoe dat conflict ooit kan opgelost worden”. Het Midden-Oosten bleef hem boeien. Die interesse blijkt ook uit het feit dat hij juist deze artikelenreeks thuis bewaarde.


Hommage


Ik hoop dat hij het niet erg zou gevonden hebben dat ik nu zijn verhaal weer publiceer. Hij wist dat de woorden van een dagbladjournalist vluchtig waren. “Morgen gebruikt men deze krant als inpakpapier.”
Bovendien zijn het woorden die tot stand kwamen in een andere tijd. Misschien zou hij het nu totaal anders schrijven. Toen beschikte hij als journalist niet over de informatiekanalen die er nu zijn. In de brieven die hij toen naar huis schreef, lees ik dat hij soms zelfs uren tijd verloor in een zoektocht naar een goed functionerende fax- of telefoonverbinding. Maar ondanks die beperkingen in techniek en informatiemogelijkheden, vertrouw ik in hem als goed journalist. Hij bestudeerde de realiteit grondig vanuit een zo objectief mogelijk uitgangspunt. Die realiteit trachtte hij dan zo correct mogelijk te verwoorden in een taal die de lezers begrepen….


Ik lees in zijn tekst hetzelfde verhaal dat ik nu nog in Palestina hoor. Ik vond (nog) geen fotomateriaal uit 1963, maar wel dia’s uit 1970. Ik voeg hier een foto bij van mijn vader. (De wonderen der techniek.) Ik herinner mij niet dat ik die Palestijnse sjaal ooit op zijn hoofd zag, hij ligt netjes in een lade.
Dit was een blog als hommage aan een man die op 28 december 1984 stierf.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift