Van de berg die mensen eet

Potosi, Bolivia - Sommige toeristen passen voor de kijktoer naar de Cerro Rico. Gaan gapen en zien hoe de mijnwerkers afzien? Ze vinden het a-sociaal en moreel niet kunnen. Maar de ‘Berg die Mensen Eet’ is al vijfhonderd jaar een attractie. Vandaag betalen hele horden kijklustigen (veel geld) om door de berg te kruipen. Ze komen dicht bij een brok harde Boliviaanse realiteit.

Spaans wingewest

Downtown Potosi vechten de reisbureau’s om de bezoekers. De mondreclame doet haar werk. Bij Big Deal Tours, dat zogenaamd de compleetste rondleidingen organiseert, betaal je 150 Bolivianos (bijna 20 euro) per persoon, veel geld in Bolivia. Vanochtend zijn we met acht. We wringen ons in een busje. Elk krijgt een flesje water.

Het gaat bergop, richting berg. De stad ligt aan de voet van de Cerro Rico (‘de Rijke Berg’), net zoals op de prenten uit de hoogtijd. Op een schilderij uit 1758 draait heel het leven van Potosi rond de berg. Karavanen van muilezels in het Westen, kunstmatige waterbekkens in het Oosten, een stoet van zilver die uit Potosi vertrekt.

Potosi – de Villa Imperial - was toen (met Sevilla) één van de grootste en rijkste steden ter wereld. 160.000 mensen, Parijs had er amper 60.000. De Spanjaarden bouwden er meer dan dertig kerken en beplaasterden het interieur met het zilver uit de berg. Alsof God Himself de rijkdom uit de rots had gehakt.

Al bijna vijf eeuwen (sinds 1545 !) zwoegen er mensen in de Cerro Rico. Zij halen er zilver, tin en zink naar buiten. Vandaag is de berg een gatenkaas. 34 bocaminas of ingangen leiden naar een eindeloos labyrint van gangen en galerijen. Het werk in en om de berg is al even verward. Er zouden veertig coöperatieven van mijnwerkers actief zijn. De sterkste pakken de rijkste aders. Solidariteit is ver te zoeken.

Coca en dynamiet

Eerste stop : de markt van de mijnwerkers. Daar begint elk geleid bezoek. Beta, een gids van Big Deal, leidt ons naar één winkeltje. Daar kunnen we best wat meenemen voor de mijnwerkers die we straks zullen zien. We hebben de keuze : een paar staven dynamiet, frisdrank of cocablaadjes voorverpakt in zakjes. De mijnwerkers nemen geen eten mee naar het werk, ze kauwen coca, zo komen ze de dag door. Het is alsof we nootjes kopen aan de ingang van de zoo. Monkey Business.

De Cerro Rico is een must voor toeristen. Maar niet alle toeristen krijgen het over hun hart in de berg te kruipen. Immoreel, a-sociaal, vinden sommigen. Gapen hoe mensen zich in het zweet werken, dat doe je niet. Maar die categorie is in de minderheid. Het bergtoerisme floreert. Big Deal doet twee bezoeken per dag. De busjes zitten vol, ook al is het winter in Bolivia en laagseizoen.

Aan de volgende volgende stop krijgen we laarzen, broek en vest voor over onze kleren en een helm met een mijnlamp. Dat lopen we hijgend van de hoogte naar een werkplaats, waar ze metalen halen uit het erts uit de berg. De machines liggen stil, ze doen er onderhoud. Het procédé is rudimentair : de stenen worden vermalen en vermengd met chemicaliën. Dan komen zink, tin en zilver bovendrijven. In de Uppertown, dichtbij de berg, zijn veel van zulke werkplaatsen gevestigd. Wat gebeurt er met het afvalwater ? Volgens Beta wordt het opgevangen in bekkens buiten de stad waar het slib bezinkt. Trouwens, zegt hij, Potosi heeft water genoeg uit de kunstmeren in het Oosten. Afgehandeld is dat netelig probleem.

Zware kost

De tocht door de berg is geen wellness-wandeling. We gaan erin langs de Rosario-mijn, een gang die ‘door de Spanjaarden’ met stenen is gestut. Honderden meter verderop houdt het gewelf op. Het plafond zakt. We moeten kruipen. Af en toe wacht Beta de achterblijvers op. We komen zuurstof tekort. In duck-walk raken we amper vooruit. Als wij al zo afzien, hoe is het dan voor de mensen die hier werken ?

In Rosario zien we welgeteld twee mijnwerkers.  Met de eerste kunnen we praten. Hij staat in het zweet. Hij sjouwt een kruiwagen met zakken zilvererts voort. Hij is vijftien. Vijftien? Ja, maar de scholen houden twee weken wintervakantie en hij doet vakantiewerk. Als jobstudent krijgt hij 180 Bolivianos per dag.

Halverwege de excursie moeten we door een schacht, drie verdiepingen langs ladders recht omhoog. Daar zijn er twee professionals aan het werk, twee broers. Ze werken altijd samen, nooit met anderen die minder vakmanschap hebben en ‘op wie je niet kunt betrouwen’. Tesoro, zijn bijnaam, is in de veertig, zijn broer is vijftig. Tesoro hakt met hamer en beitel een gat in de rots. Zo meteen gaat er springstof in. Als ze de lont aansteken, moeten ze zich dan ver uit de voeten maken ? Nee, tot in de andere gang, dat is ver genoeg. Maar naburige ploegen, van concurrerende coöperatieven, worden niet gewaarschuwd.

Tesoro en zijn broer zijn gezellen van Unificada, één van de grootste coöperatieven van mijnwerkers in de Cerro Rico. Volgens Tesoro telt Unificada zo’n 5.000 gezellen of socios. De gezellen worden geacht alles te delen. Maar de coöperatieven zijn verworden tot kleine kapitalistische ondernemingen, met bazen aan de top slecht betaalde dagloners. Zijn de mijnwerkers van Unificada lid van een vakbond ? Tesoro kijkt me verbaasd aan. Nee, vakbonden vind je niet in de Cerro Rico. Wie komt hier dan voor de mijnwerkers op ? Het werk is te nemen of te laten, zegt Tesoro. Wie daar niet tegen kan, zoekt beter ander werk.

De Berg die Mensen Eet

Beta maalt zijn uitleg af. Hij spreekt traag, versimpelt zijn Spaans en maakt dat zijn toeristen hem verstaan. Maar ik twijfel aan zijn deskundigheid. Beta heeft vijftien jaar in de Cerro gewerkt. Maar hij gidst pas ‘sinds 45 dagen’ en zijn uitleg lijkt me door Big Deal voorgekauwd.

Aan elke stop vertelt de gids een nieuwe episode. We pauzeren lang bij een geboetseerd beeld in een nis, een beeld van een blote vent. Dit is El Tio, de Duivel van de Mijn. Hij heeft horens en zijn penis – ‘de kleine anaconda’ ! - staat fiks. Dit beeld, maakt Beta ons wijs, dateert uit de Spaanse tijd. Toen maakte El Tio de mijnwerkers bang. Wie zich niet kapot zwoegde, was een zondaar. Maar nu is El Tio er voor de mijnwerkers. Ze besprenkelen hem met sterke drank, en hij behoedt hen voor ongevallen en maakt hen rijk. Ze proppen hem brandende sigaretten in de mond. Kan geen kwaad, zegt Beta, er hangt geen mijngas of methaan in de Cerro Rico.

Tesoro gaat elke maand op medische controle. Dan nemen ze platen van zijn longen. Alle mijnwerkers slikken steenstof. Twee op drie mijnwerkers, weet Beta, gaan aan stoflong dood. De derde mijnwerker krijgt volgens hem een zwaar of dodelijk ongeval in de mijn. Volgens een lokale vrouwenorganisatie verliezen elke maand veertien vrouwen hun man, omgekomen in de mijn.

De slachtoffers krijgen geen namen. De lokale krant vindt hen geen nieuws. Hoofdzaak is dat het werk in de Cerro Rico voortgaat. Potosi leeft van de mijnen in de gatenkaas. Ze geven werk aan meer dan 20.000 mensen, ze geven te eten aan hun huishoudens. Voor zolang dat nog duurt.

De berg stort in

De Cerro Rico van Potosi is geklasseerd. De berg staat op de lijst van het Werelderfgoed van UNESCO, de cultuurorganisatie van de Verenigde Naties. Maar al in 2004 waarschuwden activisten in Potosi dat de berg erg aftakelde. De regering greep in en verbood elke exploitatie boven 4400 meter. Het verbod werd niet gerespecteerd. Voorjaar 2013 waren er nog altijd twaalf coöperatieven boven de 4400-metergrens aan het werk. De toestand is dramatisch. De top van de Cerro Rico stort in. Eind juni alarmeerde het comité van het Werelderfgoed de wereldopinie. Het verklaarde dat de Cerro ‘in gevaar is vanwege de ongecontroleerde mijnactiviteit’.

Die activiteit zou dringend aan banden gelegd moeten worden. Maar de coöperatieven wringen tegen. Ze eisen dat de regering hen een andere berg geeft waar ze zilver, zink en tin kunnen winnen. Zolang ze die nieuwe berg niet krijgen, gaan ze niet uit de Cerro Rico weg. De coöperatieven zijn machtig. Ze vechten voor hun belangen, desnoods met geweld. Dat deden ze laatst nog begin april. Het Boliviaanse parlement had toen de nieuwe mijnwet in hun nadeel aangepast. De bazen van de coöperatieven stuurde hun mensen de straat op. Ze legden het leven in Bolivia lam. Tijdens botsingen met de politie werden twee mensen doodgeschoten en tientallen anderen gewond.

De coöperatieven spelen dubbel spel. Ze werken in onderaanneming voor buitenlandse mijnfirma’s. Dat is tegen de wet. Hier valt vooral de naam van Manquiri, een filiaal van de Amerikaanse firma Coeur d’Alène, de grootste producent van zilver in de VS. Manquiri baat sinds 2008 de San Bartolome-concessie uit op de flanken van de Cerro Rico. Tussen 2008 en 2012 verdiende Manquiri netto 201 miljoen dollar aan die handel. Manquiri heeft contracten gesloten met zeven coöperatieven en betaalt hen voor geleverde diensten. Die coöperatieven varen er wel bij.

Er is werk aan de Cerro Rico. Aan de mijnwerkers moeten behoorlijke lonen en waardig werk worden gegarandeerd. Unficada en consoorten moeten authentieke coöperatieven worden. Hun contracten met multinationals zoals Manquiri moeten boven water komen. En de berg moet gestut. Misschien kan El Tio helpen.

Extra info vond ik op:

http://america.aljazeera.com/articles/2014/5/8/struggling-to-savethemountainthateatsmen.html

www.globalresearch.ca/bolivias-new-mining-law/5378534

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3098   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver, journalist en onderzoeker

    Raf Custers is onderzoeker bij Gresea (Groupe de Recherche pour une Stratégie Economique Alternative). In 2013 publiceerde hij het boek Grondstoffenjagers.