Van woestijnmagie tot betoverende bomen

Aan de hand van enkele willekeurige momentopnames, zo zal ik de voorbije weken proberen te beschrijven waarin ik me in de meest uiteenlopende landschappen en op de meest diverse plekken bevond. Al is ‘willekeurig’ hier ten dele contradictorisch aangezien het een zelfgekozen selectie betreft. Immers, Rob Wijnberg parafraserend: een blogstuk ís niet, het wordt gemaakt.

We schrijven zaterdag 14 oktober. De dag voordien kwam een bont allegaartje reizigers, onder wie ik, ’s avonds laat toe in de Desierto de la Tatacoa. De busrit vanuit Bogotá had in theorie minder lang moeten duren dan hij duurde, maar onder andere stakende rijsttelers die in Saldaña de weg langs beide kanten blokkeerden, gooiden – wel ja – rijst in het eten. Stilstand en file in de loden hitte waren het gevolg, maar dat deerde niet. Alle begrip voor hun verzuchtingen. Wel een erg doeltreffende manier om je grieven over te maken aan de staat, als je het mij vraagt.

Hoewel Tatacoa geen echte woestijn is, begrijp je meteen waarom het zo wordt genoemd. Het is een enorm droge, warme plek die amper regen ontvangt. Minder zanderig dan pakweg de Sahara, dat zeker, maar de prachtige rotsformaties compenseren dat ruimschoots. In een gammele Mazda die op het eerste gezicht klaar lijkt voor het schroot rijden we eerst naar de rode en later naar de grijze zone. De grillige rood-oranje rotsen zijn veruit het spectaculairst. Ik waan me even in een andere wereld, maar aardse wezens als cactussen en rondcirkelende gieren brengen me terug met de voetjes op de grond.

Tegen vijf uur in de namiddag gaan die voeten opnieuw van de grond wanneer ik voor het eerst in mijn leven een paard bestijg. Ik had werkelijk geen betere plek kunnen uitkiezen voor die primeur. Met een tiental mensen berijden we bij valavond gedurende twee uur de mooiste paden in een adembenemende omgeving. Het adjectief dat het best past om deze ervaring te omschrijven: magisch. Ondanks de wonden op mijn bips (een lopend paard gaat hard!) bevalt het paardrijden mij en anderen zo goed dat we het de ochtend daarop nog eens proberen. Op een paard doorheen die rode rotsen draven blijft onwezenlijk, maar de ervaring van de vorige dag kan niet meer worden geëvenaard.

Niet zo plat platteland

Drie dagen later zit ik in een 4x4 die het platteland rond San Agustín doorkruist. Ik waan me voor het eerst hier ook echt op het platteland, met dat verschil dat het allesbehalve plat is. Wat in werkelijkheid bergflanken zijn, lijken vaak niet meer dan grote heuvels. Schijn bedriegt, vermoedelijk omdat ik hier sowieso al op meer dan 1600 meter hoogte zit. Chaufeur en grapjas Gustavo rijdt heel wat kilometers, waardoor de andere inzittenden en ik tijd genoeg hebben om het groene, vruchtbare landschap te aanschouwen. Rivieren, varens en palmbomen, velden vol koffie in wording en heel veel suikerriet, pepino- en pitayaplantages (drakenfruit, met gele schil in dit geval). Ook ettelijke wolkendekens en een vleug regen passeren de revue. Schoolkinderen in uniform begeven zich huiswaarts langs de modderige wegen, te voet of op de motor. Wat voor mij idyllisch oogt, is voor hen een dagelijkse en misschien niet eens rooskleurige – maar ongetwijfeld groene – realiteit.

Uiteraard komen we ook uit de vierwieler: we bezoeken een rivier, twee watervallen en evenveel archeologische sites. Om dat laatste staat San Agustín over het hele land bekend. De stenen standbeelden werden hier rond en na Christus vervaardigd en bevonden zich oorspronkelijk ondergronds, in de graven van de doden. Tot op de dag van vandaag bestaan er echter nog heel wat onzekerheden over zowel het hoe en waarom van die sculpturen, als over de levensduur van de al dan niet meerdere inheemse culturen die ze vervaardigden. De (gelaatsuitdrukkingen van de) beelden spreken alleszins tot de verbeelding: net stripfiguren avant la lettre.

Je eigen cocaïne maken én meenemen naar huis: het kan zomaar

’s Avonds in het hostel voltrekt zich een gezellig samenzijn van wijn- en bierdrinkende backpackers. Hoewel sommige reisverhalen inspirerend werken en enkele tips later nog van pas zullen komen, heb ik bedenkingen bij veel van wat wordt verteld. Er zijn de typische veralgemeningen en vergelijkingen tussen Latijns-Amerikaanse landen gedrenkt in een sausje van ‘zoveel mogelijk willen zien op zo weinig mogelijk tijd.’ Andere gesprekken gaan over geld en over hoe voordelig creditcards wel zijn (volgens de Canadees). De Australiërs zijn dan weer laaiend enthousiast over de ‘special tour’ die je hier in de buurt kan doen. Zo’n tour werd ook mij aangeboden en komt neer op het bezoeken van een cocaplantage en het volgen van het productieproces van cocaine. Je mag zelfs je eigen cocaïne maken én meenemen naar huis. Nee bedankt. Ik ben niet geïnteresseerd en no way dat ik dat soort economie nog extra financieel wil steunen. De Duitser, de Franse en ik kijken elkaar aan en lijken elkaar te begrijpen, ook mijn Slovaakse metgezel denkt er het zijne van. Later op de avond snuift diezelfde Duitser wel een lijn van het witte spul, lichtjes ironisch toch.

Leuzen over leugenaars

Vrijdag 20 oktober, Popayán. Een studentenstadje waar de koloniale invloed nog duidelijk zichtbaar is in de gebouwen. Nadat ik gisteren de laatste zonnestralen zag verdwijnen vanop de heuvel El Morro, begin ik deze dag op dezelfde plek onder de ochtendzon. Daarna slenter ik richting de winkelstraten in het centrum. Hoewel dat centrum niet zo groot is, zie ik heel veel schoenenwinkels en winkels met sportkledij. Vissen ze niet in dezelfde vijver met die vele Nike-schoenen en T-shirts van Adidas? Of zouden de universiteitsstudenten zulke verbeten shoppers zijn? Wat ook opvalt: de paspoppen zijn hier van andere makelij dan bij ons. Als in: het vrouwelijke schoonheidsideaal neigt hier niet naar een zo slank mogelijke lijn, wel naar voluptueuzere vormen. 

Rond het middaguur koop ik op straat een bekertje met fijngesneden mango, besprenkeld met limoensap en bestrooid met zout. Een gangbare combinatie hier, al mocht dat zout wel wat minder royaal. Wanneer ik het centrale plein bereik, zie ik een horde mensen toestromen. Dat gaat zo’n vijf minuten lang voort. Ik vraag een straatventer wat er gaande is, hij antwoordt dat het een betoging betreft tegen president Santos en zijn overheid. Santos blijkt hier zelfs te zijn, in Popayán. Ik besluit de stoet te volgen, por supuesto.

Leuzen gericht aan de ‘leugenaar Santos’ en zijn ‘overheid van bandieten’ schallen door de luidsprekers. ‘Fuera’ (‘buiten’) roepen de betogers meermaals. Zwaarbewapende politieagenten houden alles in de gaten en vormen even later een rij langs een van de uitgangswegen. Op de achtergrond staan ook enkele soldaten. Alles verloopt vreedzaam, nu weerklinkt muziek door de luidsprekers. De president bevindt zich enkele tientallen meters verder, binnen, maar we krijgen hem niet te zien. Voorts demonstreert men tegen het repressieve leger- en politieapparaat en voor degelijk onderwijs. Ook willen de demonstranten de vredesakkoorden, inclusief demobilisatie van de FARC, uitgevoerd zien. De stoet zet zich voort, straatverkopers doen gouden zaken. Ik blijf niet achter en koop stukjes kokosnoot gedrenkt in een heerlijke honingmengeling.

Na bijna anderhalf uur verzamelt het aanwezige volk in een auditorium van vakbondsvereniging Asoinca. Ik zie enkele beeltenissen van Ché Guevara en eentje van Hugo Chávez aan de muur en begrijp niet veel van wat door de krakkemikkige geluidsinstallatie komt, al hoor ik wel dat er komende maandag een nieuwe demonstratie staat gepland. Na een ‘viva el pueblo unido’ en nog enkele ‘viva’s’ is het voor iedereen tijd om te gaan.

Ik ga terug naar af, naar Parque Caldas, waar het nu een pak rustiger is dan daarjuist. Onderweg passeer ik op bijna elke straathoek een militair. Tijd voor koffie. Het is meer dan een week geleden dat ik nog eens goeie koffie dronk, op een na misschien. Het is toch straf – of beter gezegd: niet straf – dat je in een land dat bekendstaat om zijn koffie vaak een flauw, waterig en soms op voorhand gezoet afkooksel geserveerd krijgt? Maar ach, in zaken die zich erin specialiseren is het zwarte goedje meestal wel erg lekker. En een gewone tinto – zwarte koffie, geen rode wijn zoals in Spanje – kost altijd minder dan een euro, wat ook mooi meegenomen is.
Een stuk worteltaart kan er ook wel nog bij.

Even later vlij ik me neer op de prachtige binnenkoer van de plaatselijke rechtenfaculteit – een gewoonte die ik ook al had als student aan de Gentse universiteit – en lees ik het volgende: ‘Het vergeten, zegt de macht, is de prijs voor de vrede, terwijl hij ons een op de acceptatie van onrechtvaardigheid als dagelijkse norm gebaseerde vrede oplegt.’ Dat schreef de Uruguayaan Eduardo Galeano eind jaren negentig in Ondersteboven, verwijzend naar de processen die in Latijns-Amerika plaatsvonden na de militaire dictaturen van de jaren zeventig en tachtig. Hij had het over bloedbaden die boven de wet werden verheven en de rotzooi van de op dat moment recente geschiedenis die onder het tapijt werd geveegd. Analoog aan het huidige vredesakkoord in Colombia is dat misschien net hetgeen vele Colombianen niet willen en als onrechtvaardig ervaren: Farc-leden van wie de ‘minder erge’ misdaden kunnen worden kwijtgescholden en de tien gegarandeerde parlementszetels die de politieke partij van de Farc de komende twee legislaturen krijgt, ongeacht de uitslag van de stembusgang. 

(On)gezellig

Twee dagen later, Cali. Na de avond ervoor doorgebracht te hebben in salsabars – dat moet wel een keer in deze salsastad –, komt de voormiddag traag op gang. Zo hoort dat op zondag. Ik blader door het gratis cultureel maandblad Cali Cultural en stuit op pagina zeven op een opiniestuk met als titel: ‘Het is het uitgelezen moment om de bourgeoisie uit te dagen.’ Een politiek getint artikel? In een gratis cultuurblad? Tjonge, enig is dat.

De geesten van de Colombiaanse bevolking lijken doordrongen van het idee dat hun politici corrupte dieven zijn

De auteur, Manuel Humbierto Restrepo Dominguez, is professor aan vele universiteiten, schrijver van vele boeken en deskundig in vele onderwerpen. Met ‘het uitgelezen moment’ bedoelt hij de presidentsverkiezingen van volgend jaar, ‘bourgeoisie’ verwijst naar de interdependente Colombiaanse politici, bedrijfsleiders, hoogste militaire en religieuze rangen die onderling postjes verdelen, familiebedrijven vormen, kapitaal en macht reproduceren. Hij schrijft over corruptie en cliëntelisme vanwege die bourgeoisie. Hetzelfde hoorde ik tijdens de betoging een paar dagen hiervoor en ook de taxichauffeur van gisteren nam het woord ‘ladrones’ (‘dieven’) in de mond. Meer mensen zullen die woorden later herhalen, de geesten van de Colombiaanse bevolking lijken doordrongen van het idee dat hun politici corrupte dieven zijn.

‘s Namiddags ga ik maar weer eens willekeurig wandelen. Carrera 1, een boulevard langs de rivier en waaronder een snelweg loopt, is in tegenstelling tot gisterenavond half verlaten. Ik begeef me richting de boekenmarkt die zich naast het Parque de Los Poetas situeert. Treffend. Met pijn in het hart koop ik geen enkel boek– het gewicht van mijn rugzak en het feit dat ik er nog twee heb indachtig. Nergens is het echt druk. De buurt van de Plaza de Caicedo ziet er verloederd uit, met een hotel dat ooit grandeur moet hebben gehad en andere minder mooie gebouwen. Op de Plazoleta de San Fransisco vind ik dan toch een soort gezelligheid tussen de ongezelligheid, met enkele kraampjes, mais dat te koop wordt aangeboden om de overvloedig aanwezige duiven te voederen, en een kind dat achter diezelfde duiven rent en ze zo doet opvliegen. Het mag een wonder heten dat ze mij niet onderschijten. 

Overigens heb ik mijn portie fijn stof nu wel gehad. Van de centraal gelegen, maar vandaag desolate buurten San Pedro en La Merced loop ik naar San Antonio. In het grote park aldaar wordt dansles gegeven, houdt men een verjaardagspicknick, leest men een boek of slaat men een praatje. Er is leven, quoi. Dat tovert al eens een glimlach op mijn gelaat. Een versgeperst sapje van maracuyá – verwant aan de passievrucht bij ons – heeft hetzelfde effect. Enkele uren later zie ik dezelfde taferelen – het verjaardagsetentje is nog steeds aan de gang –, maar dan met veel meer volk. Nu ook aanwezig: portrettekenaars, verkopers van allerlei snuisterijen, een kerkje dat overvol zit voor de mis, en muziek. Drie jongens die een mix van hiphop en reggaeton brengen, trekken de aandacht van velen. Meer dan van hun zangtalent moeten ze het van hun charme en grappige dansjes hebben. Op de achtergrond een wijds uitzicht op de stad en zijn vele lichtjes. Ik negeer de geur van churros die mijn richting uitwaait en besluit iets verderop Peruviaanse sushi te eten. Ik bestel tien stuks ‘Cuzco’ en hetzelfde aantal ‘Guacamole.’ Erg internationaal allemaal. 

Vijftig tinten groen

Een tweedaagse naar een Afro gemeenschap in San Cipriano, twee zwempartijen in een riviertje, een klimpartij naar de Cerro de las Tres Cruces, een voetbalpartij in het stadion van América de Cali, een Boliviaanse danspartij, heel wat mate volgens het Argentijnse ritueel en een dag buikpijn later, laat ik Cali-ente voor wat het is. De volgende bestemming: Salento, een dorp in het gebied dat bekendstaat als de Colombiaanse koffie-as. Ik zal echter niet opnieuw over koffie leuteren en in plaats daarvan dit stuk afsluiten in en met het groen van de Valle de Cocora.

Opnieuw is het zondag, 29 oktober dit keer. Na zeker twee uur geklommen te hebben door dense bosbegroeiing, met een Argentijn die zijn klimmersbenen vandaag niet bijheeft soms in mijn kielzog en soms wat verder achterop, dalen we af. Terwijl het bos al vele tinten (donker)groen en een eekhoorn van erg dichtbij leverde, wordt het even later nog een stuk beter. Het landschap dat zich in de vallei ontplooit, is van het beste dat de natuur te bieden heeft. Een samengaan van berg en dal, licht-en donkergroen, gras en bos. Een kabbelende rivier beneden, grazende koeien in de weilanden op de tegenoverliggende bergflank, een enkele arend (of is het een buizerd?) op zoek naar een prooi. Een weids vergezicht over de vallei rechts, door wolken omsluierde bergtoppen aan de linkerkant.

Het heerlijke, niet te negeren toetje van dit heerlijke groene landschap: de gigantische maar ranke waspalmen die majestueus richting hemel reiken. De waspalm is de nationale boom van Colombia en de grootste populatie ervan bevindt zich hier, waar ik ben. Daarnaast kunnen ze tot zestig meter hoog worden, waarmee ze de grootste palmen ter wereld zijn. Hoe dan ook, het landschap is prachtig, het schilderen waard en niet degelijk op foto vast te leggen. Ik word er stil van en doe er dan ook een hele poos het zwijgen toe terwijl ik rond me heen tuur. Voor mijn Argentijnse maat hét moment voor mate, ik slurp gewoontegetrouw en met graagte mee. Later dalen we verder af en lopen we nagenoeg tussen de palmen. Deze dag kan niet meer stuk.

‘Vijftig tinten’ uit de tussentitel was natuurlijk een boutade, en een leugen in letterlijke zin. Het waren er veel meer.

 

Salento, 30 oktober 2017. 

LEES OOK

‘Wat laten we achter als we grenzen overschrijden?
Utenriksdepartementet UD CC BY-NC-ND 2.0
Nu de FARC zich heeft herdoopt tot politieke partij, is het in het belang van het hele land dat die partij haar plaats vindt in de Colombiaanse politiek.
Colombia lonkt naar vrede na het gesloten vredesakkoord tussen de regering Santos en de FARC-EP-rebellen.
© Lisa Couderé​​
De Revolutionaire Gewapende Krachten van Colombia (FARC) lanceren vandaag hun politieke partij. MO* had een gesprek met Professor Pedro Valenzuela over het politieke project van de FARC.

Meest recent van Pablo Jossa

Bogotaanse beschouwingen
‘Wat laten we achter als we grenzen overschrijden?