Vluchtelingen en Amsterdammers samen aan tafel

Vrijdag 29 Januari 2016, Amsterdam. Ik heb het gevoel dat ik een trouwfeest binnenval. Een heel groot, heel internationaal feest. Ik sta in de grote zaal van Pakhuis de Zwijger. Het is mijn eerste Eat to Meet met vluchtelingen. Het concept is eenvoudig: nodig vluchtelingen en Amsterdammers uit, zet wat gerechten in het midden, en conversatie zal plaatsvinden.

  • © Ann Cassano Vluchtelingen en Amsterdammers eten samen. © Ann Cassano

Voor vanavond zijn er tafels in lange rijen neergezet met rood en wit geruite tafelkleden. Op het podium speelt een kwartet klassieke Arabische muziek.

Ik had me ingesteld op een intiem tête-a-vingt in hun restaurant beneden. Maar nu sta ik hier te minglen met de 149 andere gasten.

De meesten komen uit een van de drie noodopvangcentra in de stad. De overigen zijn Amsterdammers, vaak vrijwilligers in de centra. Er zijn verschillende organisaties in de stad die dit type maaltijden organiseren, allemaal met hun eigen invalshoek. Een ander concept is Meet and Eat, van de Amsterdamse tak van vrijwilligersorganisatie Present. Zij hebben een meer persoonlijke aanpak: Nederlandse gezinnen nodigen een paar vluchtelingen bij hun thuis uit.

Tot nu toe zijn in totaal 450 vluchtelingen gaan eten bij 200 gastgezinnen. De organisator bij Present, Karin Schreurs, vertelt me aan de telefoon dat zelfs met de uiteenlopende achtergronden de regels van de gastvrijheid in elke cultuur zo fundamenteel te zijn, dat niemand zich waagt aan gevoelige onderwerpen. Geen politiek of godsdienst aan tafel. Dus loopt het meestal goed. Ze ziet dat mensen vaak contact houden, vluchtelingen worden op eigen initiatief weer uitgenodigd, en vriendschappen ontstaan.

Voorgerecht: voorzichtig proeven

Zoveel verhalen, en slechts tijd om een paar zinnen te wisselen.

Ik zit intussen aan tafel bij een Syrische man en een Nederlandse dame. Gedurende de avond merk ik dat het een frustrerende ervaring is om met zoveel onbekenden te praten. Alsof iemand losse pagina’s van honderden romans overal heeft neergegooid en je hebt maar even de tijd om te bladeren. Zoveel verhalen, en slechts tijd om een paar zinnen te wisselen.

Met mijn eerste conversatiepartners kom ik niet verder dan de eerste pagina. De stevige Nederlandse tegenover mij werkt op de markt. Zij is gekomen omdat ze nieuwsgierig was. De kale Syrische man rechts van mij is een boekhouder. Zijn droom, verfrissend realistisch, is om het in Nederland tot belastingadviseur te schoppen.

Het voorgerecht arriveert. Een Irakese man van begin twintig stapt het podium op om het Nederlandse volk te danken. Hij spreekt in gebroken Engels over hun moeilijkheiden aan de Hongaarse grens, hun angst. De Nederlandse vrouw tegenover mij pinkt een traantje weg: ‘Zoiets raakt je toch.’

Hoofdgerecht: een ongezouten waarheid

Na het voorgerecht neemt Egbert Fransen, de directeur van het Pakhuis, de microfoon en moedigt ons aan van plek te wisselen, om eens iemand anders te spreken. De meesten van ons zijn nog maar net op ons gemak bij onze tafelpartners en blijven zitten. Ik wend me dan maar naar links, waar een jongeman van in de twintig zit.

‘Hoe meer haram, hoe beter.’

Hij is zo extravagant en hip gekleed dat ik hem nauwelijks durf aan te spreken. Hij ziet eruit als een stylist, recht uit New York. Maar hij blijkt uit een klein dorpje in Iran te komen. Heel rustig en terloops vertelt hij mij dat hij gevlucht is omdat zijn vader, een lokale imam, hem wou laten executeren. Hij houdt er namelijk een andere levensstijl op na dan traditionele mannen, zoals zijn vader, fatsoenlijk achten.

Het zijn die momenten dat je je geneert dat je als tiener een scene maakte omdat je ouders geen tijd hadden naar je tenniswedstrijd te komen kijken. Heb ik al vermeld dat de hele conversatie in het Nederlands plaatsvindt? Mijn nieuwe kameraad heeft zichzelf Nederlands geleerd in de vier maanden sinds hij hier is. Hij studeert elke dag urenlang.

De hoofdgerechten arriveren, een aantal curries, sommige vegetarisch, sommige met kip. Ik bied hem een schotel aan. ‘Zit hier vlees in?’ vraagt hij. ‘Wel, er zit kip in.’ zeg ik. Hij schudt zijn hoofd. ‘Dit is vast halal. Ik eet alleen haram. Hoe meer haram, hoe beter.’ Hij reikt over de tafel naar de wijnfles en vult zijn glas. ‘Ik ben dol op varkensvlees.’ voegt hij eraan toe. Ik heb ooit gelezen dat de Ottomaanse moslims ook wijn dronken, als troost voor een bestaan in een onvolmaakte wereld . Wat mij betreft verdient deze jongen alle wijn op tafel, in het land, ter wereld.

Dessert: de vrucht der vriendschap snijden

Er zijn meer aankondigingen op het podium. Een Nederlandse vrouw, een vrijwilligster, vertelt dat ze die dag gehoord hebben dat vanaf volgende week 200 vluchtelingen zullen worden overgebracht van de noodopvang naar een andere locatie. Daar zal eindelijk hun asielprocedure starten. ‘Ze zijn drie maanden hier op de Amsterdamse noodopvang geweest, bij ons.’ zegt ze, met trillende stem. ‘Ik heb zoveel leuke mensen ontmoet, nieuwe vrienden gemaakt. Ik hoop echt dat ze na hun procedure, als ze hun verblijfsvergunning hebben, in Amsterdam gevestigd zullen worden. Ze zijn nu deel van ons, ze zijn Amsterdammers.’

‘Ze zijn nu Amsterdammers.’

Ik kan me niet voorstellen dat bureaucraten rekening zullen houden met deze hartewens. Maar ik begrijp hoe ze zich voelt. We hebben kort een rol gespeeld in het leven van deze mensen, een alinea, een pagina, een hoofdstuk lang, en we zijn geboeid. We willen de kans krijgen onze rol verder te spelen. We willen weten hoe hun verhalen verlopen. We hopen op een goed einde.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • De vlucht naar Amsterdam

    Ann Cassano studeerde lang geleden psychologie en culturele antropologie. Ze verhuisde in 2011 naar Amsterdam. Daar schrijft ze jaarrapporten en artikels voor stichtingen.