‘We moeten de kinderen eraan herinneren dat we niet langer in Syrië zijn’

De 30-jarige Rand uit Damascus bracht eind september twee kinderen naar de medische post van Artsen Zonder Grenzen in Bapska, op de grens tussen Servië en Kroatië. Julie (2) had een verkoudheid. De achtjarige Brahim was van de scooter gevallen in Syrië, waarna zijn lip moest worden gehecht. Onze dokters keken de hechtingen na. Rand doet zijn verhaal.

  • © Achilleas Zavallis Rand uit Damascus: ‘Ik probeer Nederland te bereiken. Daar heb ik een paar vrienden.’ © Achilleas Zavallis

Op een dag was ik op weg naar school toen het gebouw door een bom werd getroffen. Voor mijn neus zag ik drie kinderen sterven. ‘Genoeg,’ dacht ik toen. ‘Ik heb het gehad.’ Ik wilde mijn land niet verlaten, maar na vijf jaar oorlog was de maat vol. Een maand geleden verliet ik Damascus en na twee weken in Libanon kocht ik een ticket naar Turkije.

De gedachte dat mijn eigen kind langs de kant van de weg zou moeten zitten, zonder eten, warmte of nachtrust, lijkt me ondraaglijk.

Ik reis samen met een groep vrienden van mijn ouders. Er reizen ook drie kinderen mee, onder wie Julie en Brahim. Het is moeilijk voor hen om te begrijpen wat er gebeurt, en ze zijn erg bang. Soms vragen ze of de politie ons naar de gevangenis zal sturen of dat ze zullen sterven. Ze raken in paniek zodra ze iemand met een pistool of in legeruitrusting zien, of wanneer ze kabaal horen. Ze schrikken, en dan moeten we hen eraan herinneren dat we niet langer in Syrië zijn. Godzijdank heb ik zelf geen kinderen die ik op deze reis moet meebrengen. De gedachte dat mijn eigen kind langs de kant van de weg zou moeten zitten, zonder eten, warmte of nachtrust, lijkt me ondraaglijk.

Op de boot vanuit Turkije beleefden de kinderen de meest bange momenten. Ze huilden de hele overtocht lang. Ze begonnen te bidden. Als ze zouden sterven, wilden ze immers zeker zijn dat ze naar de hemel zouden gaan. Gisteren hebben ze ook lang gehuild. Toen staken we om 23.30 u de grens over en volgden we een weg tussen twee boerderijen. Het was pikdonker en de kinderen hadden het erg moeilijk om nog door te gaan. Door de regen was de ondergrond zo nat dat ze uitgleden en vielen.

Het leger bood ons een tent aan om te overnachten. Er was geen eten, geen water en geen licht. We vroegen om dekens voor de kleintjes, en hoewel de soldaten erg vriendelijk waren, konden ze ons niets geven. Niet veel verder was er een beter kamp, maar we konden niet meer verder omdat de kinderen te veel honger hadden en huilden. Het is hartverscheurend om de kinderen zo te zien.

Ze begrijpen helemaal niet wat er gebeurt en zeggen geregeld: ‘Syrië was best oké. We willen terug naar huis, naar ons eigen bed en ons eigen kussen.’. Beeld je eens in – ze verkiezen de oorlog boven deze tocht. Ze begrijpen niet dat we op weg zijn naar een land waar het veilig is.

Ik wil leven in een land waar de overheid je als een mens behandelt. Ik wil weten hoe dat voelt.

Ik probeer Nederland te bereiken. Daar heb ik een paar vrienden. In eerste instantie wil ik aan de slag als vrijwillig vertaler, omdat ik goed Engels praat. In Damascus gaf ik Engelse les aan studenten. Ik droom ervan een roman uit het Engels naar het Arabisch te vertalen. Mijn vader gaf Arabische les aan buitenlandse studenten en schreef ook boeken. Het zit dus in de genen.

Maar ik zou ook als kok of poetshulp aan de slag gaan. Ik zou echt alles doen. Dan kan ik een nieuw leven beginnen. Ik zou vrienden en een lief willen, en alles doen wat een normale dertiger doet.

Ik wil leven in een land waar de overheid je als een mens behandelt, waar je kan stemmen en waar je gehoord wordt. Ik wil weten hoe dat voelt.

Lees ook: Nakende winter en gebrek aan hulp bedreigen gezondheid vluchtelingen in Balkan

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur