Schaken voor Gevorderden: het Midden-Oosten in 2014

2013 was opnieuw een erg bloederig jaar in het Midden-Oosten. Van Caïro tot Damascus en Bagdad, over Beirut tot Gaza City, geweld regeerde wederom de regio. De vreedzame protesten die de Arabische Lente aanvankelijk kenmerkten ontaardden steeds meer in een bloederige tegenrevolutie en sektarisch geweld. 2014 kondigt zich dan ook als een cruciaal jaar aan. Een langverwachte vredesconferentie rond Syrië, het eindspel in het Iraanse kernwapendossier, het vermoedelijke einde van het huidige Israëlisch-Palestijnse onderhandelingsproces, de dreigende implosie van Irak en Libanon, verkiezingen in Egypte en Turkije, … Al deze gebeurtenissen zijn veel nauwer met elkaar verbonden als op het eerste zicht lijkt. Alles is aan elkaar gelinkt, en niets is wat het lijkt in het gigantische schaakbord dat het Midden-Oosten altijd al is geweest. Een terug-en vooruitblik.

 

Het einde van 2013 zag Libanon wegglijden in een steeds uitzichtlozere geweldspiraal. Sinds de Libanese sjiitische verzetsbeweging Hezbollah vanaf de lente van 2013 openlijk aan de zijde van het alawietische (een stroming binnen het islamitische sjiisme, nvdr) Assad-regime strijdt tegen de soennitische rebellen, sijpelde de Syrische oorlog druppelsgewijs binnen op Libanees grondgebied. Het spook van sektarisch geweld, dat het land uiteenrijtte tijdens de 15-jarige burgeroorlog (1975-1990), dreigt zo opnieuw de fragiele stabiliteit in Libanon te ondermijnen.  De laatste maanden van 2013 zagen een steeds gewelddadiger opbod langs sektarische lijnen: een autobom tegen de Iraanse ambassade (het spilpunt van de sjiitische as in de regio) maakte 23 doden en werd opgeëist door soennitisch-extremistische jihadi’s (de ‘Abdullah Azzam brigades’, een lokale afdeling van de Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL), waarover later meer), een prominent lid van Hezbollah werd uit de weg geruimd, een bomaanslag maakte een einde aan het leven van een vooraanstaand lid van het soennitische Hariri-kamp en 6 anderen, en een autobom in het hart van een wijk onder controle van Hezbollah maakte nog eens 6 doden en tientallen gewonden. Het Hariri-Tribunaal, waarin 5 Hezbollah-militanten bij verstek terecht staan voor de moord op de soennitische ex-Premier Rafik Hariri in 2004 en dat midden januari van start gaat, dreigt de sjiitische-soennitische spanningen in Libanon enkel verder op te poken. 

Een Iraans-Saoedische Koude Oorlog

Libanon dreigt zo steeds meer een nieuw front te worden in de strijd om regionale hegemonie tussen het soennitische Saoedi-Arabië en het sjiitische Iran, dat de regio al decennialang in de tang houdt. Beide landen hangen niet alleen een verschillende stroming binnen de Islam aan, maar zijn ook de respectievelijk tweede en vierde grootste olieproducenten ter wereld.

Diezelfde olie heeft altijd een ‘speciale relatie’ tussen Saoedi-Arabië en de Verenigde Staten geschraagd, waarbij respect voor mensenrechten ondergeschikt was aan harde energiebelangen en het verzekeren van een belangrijke afzetmarkt voor Amerikaanse en Europese wapens. De Amerikaanse aarzeling om een harde lijn aan te houden tegen Assad en het uiteindelijke afzien van een militaire interventie in augustus in 2013, en de Amerikaanse toenadering tot Iran zette de ‘speciale relatie’ echter steeds meer onder druk. Energiebelangen spelen daarnaast een cruciale rol: China overtrof onlangs de VS als grootste olie-importeur ter wereld, waardoor de Saoedi’s zich steeds meer op Beijing richten, los van Washington. De ‘schaliegasrevolutie’ in de VS heeft ondertussen gevolgen voor de Amerikaanse energie-afhankelijkheid (en dus geopolitieke volgzaamheid) van Saoedi-Arabië.

Geen nood echter: Frankrijk, in het bijzonder de Franse wapenindustrie, staat te springen om de plek van de VS in te nemen als geprivilegieerde partner van het Saoedische Koninkrijk, dat het afgelopen decennium meer dan 70 miljard dollar spendeerde aan militaire aankopen.

De Saoedisch-Iraanse rivaliteit bleef in 2013 eveneens een cruciale rol spelen in Syrië. Beide landen vechten er een “war-by-proxy” uit op leven en dood, en leveren op grote schaal wapens en geld aan respectievelijk de Syrische rebellen (Saoedi-Arabië) en het Assad-regime en Hezbollah (Iran). Iran levert daarbovenop ook manschappen.

Hoeft het te verbazen dat Parijs ondertussen een bepalende rol speelde in het op de Europese terreurlijst plaatsen van de militaire tak van Hezbollah en het ondersteunen van de Syrische rebellen, en eind augustus een rondje om ter luidst schreeuwen uitvocht met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten om een militaire interventie in Syrië te bepleiten?

Sinds kort komt ook Libanon in het vizier: de Saoedi’s ondernemen steeds intensievere pogingen om hun invloed te vergroten in een land waarin Iran, via de sjiitische Hezbollah, sinds de jaren 1980 een stevige vinger in de pap te brokken heeft. Zo stelde Saoedi-Arabië op 30 december 3 miljard dollar ter beschikking aan de Libanese regering voor militaire aankopen om de slagkracht van het Libanese leger, dat altijd al in de schaduw stond van de militaire tak van Hezbollah, te vergroten. 1 klein detail: de 3 miljard dollar moesten gebruikt worden om wapens aan te kopen van, u raadt het al, Frankrijk. 

Van Damascus tot Bagdad en terug, en de ‘comeback van al-Qaida’

Ondertussen in Irak… Op 30 december werd een soennitisch protestkamp in Ramadi, in de westelijke provincie Anbar, hardhandig opgedoekt door het leger. Soennieten in Irak protesteren al een jaar tegen de sjiitische regering van Nouri al-Maliki. De ontmanteling van het kamp, en de arrestatie van een prominent soennitisch parlementslid, was de druppel voor soennitische stammen. De soennitische minderheid in Irak is hoe langer hoe meer het slachtoffer van een sektarisch beleid van discriminatie en marginalisering door de regering al-Maliki. Milities van de stammen clashten met het Irakese leger in Ramadi en Fallujah, en 1 dag later arriveerden militanten van de extremistische Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL) in Fallujah. Het leger trok zich al snel terug, en momenteel zouden er zich volgens de gespecialiseerde website al-Monitor 4 groeperingen in Fallujah bevinden: ISIL, gewapende strijders van de stammen, salafi-jihadistische militanten loyaal aan al-Qaida-leider al-Zawahri, en andere gewapende groepen. Tegenstrijdige verhalen doen de ronde over wie aan wiens zijde vecht.

Op 3 januari hijsten militanten van de extremistisch-jihadistische ISIL alleszins hun vlag in Fallujah, terwijl hevige gevechten verder woedden in Ramadi. De gevechten in Anbar bouwden voort op een al erg bloederig jaar in Irak: de Verenigde Naties schatten dat minstens 8000 Irakezen in 2013 omkwamen tijdens bomaanslagen en targeted killings door milities. ISIL wordt verantwoordelijk geacht voor vele van deze aanslagen. Het is actief in Irak en Syrië (en sinds kort ook Libanon), en streeft naar de oprichting van een Islamitisch Kalifaat in de regio. Haar opmars in Syrië de afgelopen twee jaar gaf ISIL de wind in de zeilen om nu ook steeds openlijker op de voorgrond te treden in Irak. De poreuze grenzen tussen Syrië en Irak gaf ISIL-strijders bovendien de kans kampen op te zetten in de verlaten woestijnvlaktes van Anbar, van waaruit ISIL haar gewelddadige stempel op Irak drukte. De marginalisering van soennieten en de brutale onderdrukking van vreedzame soennitische protesten door de regering-al-Maliki deden de rest, en versterkten de positie van ISIL nog.

De militaire opmars van ISIL doorheen Syrië leek de afgelopen maanden bovendien onstuitbaar. Het Vrije Syrische Leger (VSL), de door het Westen gesteunde rebellengroepering, werd steeds irrelevanter op het slagveld, terwijl verschillende Islamitische rebellenmilities zich in november verenigden in het “Islamitisch Front” (IF), een nieuwe koepelorganisatie. Internationale media waren er ondertussen als de kippen bij om de opmars van ISIL voor te stellen als de ‘terugkeer van al-Qaida’. Dat lijkt voorbarig: al-Qaida is al lang geen gecentraliseerde of uniforme beweging meer, veeleer een inspiratiebron waarop verschillende ‘franchises’ wereldwijd zich inspireren.

De ongeziene brutaliteit en wreedheid van ISIL leidde tot steeds meer clashes tussen ISIL enerzijds en het VSL en het IF anderzijds, hoewel hier zeker geen duidelijke lijn in te trekken valt. Het Assad-regime lijkt alleszins de lachende vierde. Sommigen, waaronder recentelijk ook de Turkse Minister van Buitenlandse Zaken Davutoglu, beweren dat ISIL in feite een creatie van het Assad-regime is, hoewel dat allesbehalve bewezen is.

Wat er ook van zij, de opmars van ISIL komt Assad erg goed uit. De internationale roep om zijn aftreden klinkt steeds minder luid naarmate de focus verschuift naar de bestrijding van ISIL in Irak, Syrië en Libanon en de media-buzz rond de ‘comeback van al-Qaida’. “We moeten in het reine komen met een toekomst waarvan Assad deel uitmaakt, en bedenken dat, hoe slecht hij ook is, er nog steeds iets slechter is”, aldus Ryan Crocker, voormalig Amerikaans ambassadeur in Syrië, Irak, Libanon, Afghanistan, Pakistan en Koeweit. Saoedi-Arabië blijft echter onverminderd het aftreden van Assad eisen, daarin gesteund door Turkije en haar nieuwe slippendrager, de Franse President Hollande. 

Van Genève tot Genève

Zo belanden we bij de langverwachte vredesconferentie voor Syrië, “Genève II”, die voorlopig gepland staat om vanaf 22 januari van start te gaan. Hoewel de steeds verdere militarisering van het Syrische conflict en negatieve geweldspiraal het perspectief op een onderhandelde politieke oplossing danig ondermijnd hebben, biedt diplomatie de enige duurzame uitweg uit het Syrische moeras.

Desalniettemin blijven Iran, Rusland, Saoedi-Arabië, Turkije en de golfstaten massaal wapens leveren aan het regime en de rebellen. In mei slaagden Frankrijk en Groot-Brittannië er bovendien in het Europese wapenembargo voor de rebellen op te heffen. Méér wapens zal echter geen einde stellen aan het bloedvergieten, enkel bijdragen aan een verder militair opbod tussen de strijdende partijen en hun buitenlandse broodheren en een verdere ‘somalisering’ of ‘afghanisering’ van Syrië.

Wat dan wel? De centrale doelstellingen van Genève II moeten een afdwingbaar staakt-het-vuren, het toelaten van humanitaire hulp op het terrein, de instelling van een algemeen wapenembargo en afspraken rond controle-en monitoringmechanismen hiertoe zijn. De Iraanse wapenleveringen via Irak, de wapenleveringen uit de golf via Turkije en Jordanië, en de Russische wapenleveringen via de Middellandse Zee moeten zo aan banden gelegd worden. Buurlanden (in het bijzonder Turkije) moeten, met de steun van de internationale gemeenschap, bovendien dringend werk maken van betere grenscontroles om de instroom van internationale jihadi’s in Syrië te belemmeren.

De deelname van Iran, samen met Rusland de steunpilaar van het Assad-regime, aan de Genève II-Conventie is cruciaal. Sinds het afsluiten van een interimovereenkomst rond het omstreden kernwapenprogramma in november (eveneens in Genève) waait er een nieuwe wind doorheen de Iraans-westerse relaties. Die positieve dynamiek moet aangegrepen worden om Iran ervan te overtuigen dat het niet gebaat is bij de verderzetting van de Syrische status-quo.

De onvoorwaardelijke Iraanse steun aan Assad heeft immers het imago van Iran, een regionale hegemoon in het diepst van haar dromen, in de soenni-moslimwereld ernstige schade toegebracht. Teheran heeft de afgelopen jaren bovendien miljarden dollars gespendeerd in Syrië, terwijl het nog steeds kreunt onder de door het Westen geïnitieerde economische sancties tegen haar kernwapenprogramma. Iran heeft bovendien geen belang bij het uiteenrijten van haar sjiitische bondgenoten Irak en Hezbollah door het barbaarse geweld van ISIL. Hoe meer Syrië echter wegzinkt in het moeras, hoe sterker ISIL wordt. De Syrische status-quo kan dus geen optie zijn voor Iran. ISIL is een gezamenlijke vijand voor het Westen en Iran, en kan een ‘opportuniteit’ tot nauwere samenwerking bieden.

Een regionale ‘Grand Bargain’?

Een regionale ‘Grand Bargain’ in Genève, waarin sanctieverlichting of-opheffing gekoppeld wordt aan een verantwoordelijkere houding in Syrië lijkt sinds november binnen handbereik te liggen. Het door de Russen en Amerikanen afgedwongen akkoord rond de eliminatie van het Syrische chemische wapenarsenaal in september bewijst bovendien dat beide grootmachten wel degelijk kunnen samenwerken als hun belangen overlappen. Rusland heeft evenmin belang bij de creatie van een nieuw soort Afghanistan in Syrië, dat als uitvalsbasis voor extremistische jihadi’s kan dienen om het vuur verder aan de lont te steken in de opstandige zuidelijke Russische deelrepublieken. De recente aanslagen in Volgograd tonen alvast aan dat zelfs Vladimir Poetin niet immuun is voor terreur door Islamitische extremisten. Washington heeft bovendien de steun van Teheran nodig om Afghanistan stabiel te houden na de terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2014.

Nuchter realisme blijft echter op zijn plaats. “Vergis je niet: zelfs als de VS en Iran hun relatie transformeren, blijft het beëindigen van de horror in Syrië ondraaglijk hard. Maar als de VS, Turkije, Iran en Rusland tot een gezamenlijke overeenkomst kunnen komen over het structureren van een politieke transitie in Syrië zullen de Saoedi’s misschien de futiliteit inzien van hun pogingen om een militaire overwinning van de rebellen te promoten. Misschien zullen ze het gevaar beseffen van een voortgezette oorlog die enkel jihadisten versterkt, die –zoals hun vroegere held, Osama Bin laden- uiteindelijk hun geweren richten op Riyadh”, aldus Peter Beirnard, columnist voor de Israëlische krant Haaretz. De politieke transitie waarvan sprake zal wellicht gepaard gaan met het voorlopige aanblijven van Assad, of ten minste delen van zijn regime. De focus van het Westen in 2014 zal immers liggen op de bestrijding van het transnationaal terrorisme in de regio, ISIL op kop, veeleer dan het hoofd van Assad te eisen.

Iran staat voorlopig echter niet op de lijst van 30 landen die door de Verenigde Naties uitgenodigd werden om de conferentie bij te wonen. Alvast de nieuwe Duitse Minister van Buitenlandse Zaken Steinmeier gaf al aan dat een vergissing van formaat te vinden.

Saoedi-Arabië en Israël staan ondertussen klaar om elke toenadering tot Iran te dwarsbomen. Beide landen vinden elkaar in hun gezamenlijke afkeer van het Iraanse regime. De Israëli’s, de enige kernwapenmacht in de regio en niet-ondertekenaars van het non-proliferatieverdrag (in tegenstelling tot Iran), lieten de afgelopen maanden geen gelegenheid onbenut om hun ongenoegen over de nucleaire interimdeal te uiten.  De Iraanse President Rouhani is een “wolf in schapenkleren”, het is “nog niet te laat om in te grijpen”, “desnoods grijpen we zelf in”, dixit Jeruzalem.

Saoedi-Arabië, langs haar kant, weert zich als een duivel in een wijwatervat tegen het opheffen van de economische sancties tegen Iran die zouden voortvloeien uit een definitief akkoord. Het wordt geschat dat het opheffen van de sancties tegen de Iraanse olie-industrie 800 000 Iraanse vaten olie per dag op de wereldmarkt zou brengen, waardoor buitenlandse bedrijven zouden staan aanschuiven in Teheran om hun graantje mee te pikken. Iran zal wellicht interessante voorwaarden aan zo’n investeerders aanbieden om na jaren van sancties zo snel mogelijk opnieuw competitief te worden in de oliehandel, aldus Claude Salhani, politiek analyst bij Trends News Agency. Dit alles betekent uiteraard een bedreiging voor de Saoedische oliebelangen. Salhani schat bovendien dat het opheffen van de sancties zou leiden tot extra inkomsten aan olie-exporten voor Iran ten bedrage van 54,4 miljard dollar, geld dat Iran kan gebruiken om haar militaire capaciteit te versterken. Amerikaanse multinationals struikelen ondertussen al over elkaar heen om hun herintrede te maken op de Iraanse markt. Saoedi-Arabië zou als vanzelfsprekend not amused zijn met zo’n toekomstscenario.

2014 zal hoe dan ook meer duidelijkheid verschaffen over het eindspel in het Iraanse kernwapendossier (‘Genève Bis’). Het interimakkoord afgesloten in november 2013 moet tegen mei 2014 een definitief akkoord opleveren. De vraag is niet alleen of dit er al dan niet komt, maar vooral hoe Israël, dat reeds meermaals met een militaire operatie heeft gedreigd, zal reageren op zo’n overeenkomst. Verwacht vooral actieve Israëlische én Franse sabotagepogingen van de nucleaire onderhandelingen in de eerste maanden van 2014. Een definitief akkoord zet immers de deur open voor een fundamentele re-oriëntatie van de Amerikaans-Iraanse relaties, die sinds de Iraanse revolutie van 1979 zo goed als onbestaande waren. Genève Bis heeft dan ook het potentieel de kaarten in de regio grondig te herschudden, een evolutie waarvan Israël het eerste slachtoffer zou zijn. 

Het vredesproces tussen Israëli’s en Palestijnen

De onderhandelingen rond het Iraanse kernwapendossier zijn onlosmakelijk verbonden met de Israëlisch-Palestijnse vredesgesprekken. De komende weken zal de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken John Kerry een tekst voorstellen aan beide partijen, die het kader moet vormen voor een definitief vredesakkoord. De VS, die ten allen prijze willen vermijden dat de Israëli’s de nucleaire gesprekken met Iran torpederen, willen Israël niet voor het hoofd stoten met een te ‘strenge’ of ‘pro-Palestijnse’ tekst. Kerry moet dan ook spitsroeden lopen: enerzijds riskeert hij nog meer Israëlische onverzettelijkheid in het Iraanse kernwapendossier in het geval van een te ‘pro-Palestijnse’ tekst, anderzijds staat de Palestijnse President Abbas onder enorme druk van de Palestijnse staat om een te ‘pro-Israëlische’ tekst stante pede af te wijzen.

De ‘Kerry-Paper’ zal wellicht een aantal elementen bevatten: de eis tot een Palestijnse erkenning van Israël als een ‘Joodse staat’ in ruil voor de grenzen van 1967 (die de scheidingslijn aangeven tussen de huidige Westoever en Gaza enerzijds en Israël anderzijds, nvdr) als uitgangspunt voor finale onderhandelingen over grenzen, een vage omschrijving van ‘een’ Palestijnse hoofdstad in ‘Oost-Jeruzalem’ (wat de deur openlaat voor een scenario waarin de Palestijnse hoofdstad gevestigd wordt in een schimmige buitenwijk van Oost-Jeruzalem), en veiligheidsarrangementen die voorzien in een ‘tijdelijke’ verderzetting van de Israëlische militaire aanwezigheid in de Jordaanvallei (gepaard met allerlei Amerikaanse technologische snufjes bij de grenzen).

Zo’n deal zou onverteerbaar zijn voor de Palestijnen. Niet alleen is de Jordaanvallei essentieel voor de economische levensvatbaarheid van een Palestijnse staat, de Palestijnen nemen met weinig minder genoegen dan een hoofdstad in heel Oost-Jeruzalem en gedeelde soevereiniteit over de Oude Stad. Een erkenning van Israël als een ‘Joodse staat’ zou bovendien problematische consequenties hebben voor het ‘recht op terugkeer’ van Palestijnse vluchtelingen naar dorpen binnen het huidige Israël die in 1948 overgenomen of vernietigd werden door het Israëlische leger, en zou de reeds bestaande discriminatie van Arabisch-Palestijnse burgers binnen Israël verder institutionaliseren en legitimeren.

Dergelijke erkenning zou als pasmunt moeten dienen voor een  Israëlische ‘toegeving’ om de grenzen van 1967 als uitgangspunt voor verdere onderhandelingen te nemen. Kerry vergeet er dan wel bij te vertellen dat die grenzen de enige internationaal erkende grenzen zijn, en dus hoe dan ook al moeten fungeren als uitgangspunt, erkenning van een ‘Joodse staat’ of niet. Hij vergeet er tevens bij te vertellen dat de Palestijnse aanvaarding van diezelfde grenzen in 1993 reeds een historisch compromis was: de Palestijnen gaven hiermee al 78 percent van historisch Palestina op, en worden nu gevraagd om hierop nog meer toegevingen te doen.

Elke tekst die niet voorziet in een ontmanteling van (grote delen van) de Israëlische nederzettingen in de bezette Westoever is bovendien een doodgeboren kind. De kolonisten zijn echter oververtegenwoordigd in het huidige Israëlische kabinet, waardoor er ook op dit vlak weinig speelruimte bestaat.

De komende weken zullen een zenuwslopend schaakspel opleveren, een ‘chicken game’ waarbij beide zijden zullen proberen het zo te spelen dat de schuld voor de uiteindelijke mislukking van de gesprekken bij de ander gelegd kan worden. Wie het eerst met de ogen knippert is gezien. De inzet is alleszins niet min: indien Israël de schuld krijgt van het mislukken van de onderhandelingen zal 2014 het jaar worden waarin het internationale diplomatieke isolement van Israël verder toeneemt, de wereldwijde boycotbeweging tegen het land op kruissnelheid komt, en de Palestijnse Autoriteit succesvolle unilaterale stappen zet om het lidmaatschap van verschillende internationale organisaties, het Internationaal Strafhof op kop, te verwerven. Dergelijke stappen riskeren te leiden tot Israëlische vergeldingsmaatregelen in de Westoever en Gaza, wat de gespannen situatie op het terrein kan doen ontvlammen. Indien Netanyahu en co echter betere schakers blijken als de Palestijnen, wordt 2014 het jaar waarin de status-quo wederom bevestigd wordt, en de wereld het 47ste jaar van de Israëlische bezetting ingaat zonder veel zicht op beterschap.

De Israëlische blokkade van Gaza, de ‘grootste openluchtgevangenis ter wereld’, gaat ondertussen haar zevende jaar in. De reeds nijpende humanitaire en economische situatie werd nog versterkt door de Egyptische vernietiging, in juli 2013, van het grootste deel van de smokkeltunnels langs de Egyptische grens, de belangrijkste levensader van de Gazastrook. Hamas, dat sinds 2007 de plak zwaait in de strook, lag hierdoor de laatste maanden steeds meer in de touwen. Haar weigering om duidelijk kant te kiezen in Syrië leidde de afgelopen jaren tot groeiende spanningen met Iran, haar belangrijkste regionale bondgenoot, terwijl de militaire coup die de ideologisch verwante Moslimbroeders in juli van de macht verdreef in Egypte het regionale isolement van Hamas nog versterkte. De laatste weken is er echter opnieuw sprake van toenadering tussen Hamas en Iran. Die laatste wil op die manier haar regionale machts-en onderhandelingspositie opnieuw versterken, in ruil voor financiële steun aan Hamas. 

Een bloedbad aan de Nijl

De toekomst van Gaza en Hamas zal in belangrijke mate bepaald worden door de houding van de militaire machthebbers in Egypte. Sinds de militaire coup in juli 2013 hebben Generaal al-Sisi en co drie maanden lang de noodtoestand afgekondigd, sit-ins van de moslimbroeders op brutale wijze uit elkaar geschoten, en elke dissidente stem op ongemeende harde wijze gedemoniseerd en vervolgd. Het controversiële nieuwe ontwerp van grondwet, dat op 14 en 15 januari aan de bevolking voorgelegd wordt in een referendum, bevat onder meer een artikel  dat vreedzaam manifesteren de facto onmogelijk maakt. “Wie niet met mij is, is terrorist”, zo lijkt het wel te gaan in het hoofd van al-Sisi. Een bomaanslag in Mansoura op 24 december, waarbij 14 doden vielen, gaf aanleiding om de Moslimbroederschap de volgende dag in de ban te slaan als een ‘terroristische organisatie’. De daaropvolgende dagen zagen een ongeziene volkshysterie, waarbij het wel leek alsof elke moslimbroeder vogelvrij verklaard was. Het leger schoot ondertussen met scherp tijdens anti-coup demonstraties. 2013 kende zo een erg bloederig einde van een reeds erg bewogen jaar in Egypte. Naast alle politieke onrust werden tientallen terreuraanvallen gepleegd doorheen het land. De Sinaïwoestijn lijkt ondertussen steeds meer een magneet te worden voor buitenlandse jihadi’s en Libische wapens, terwijl Ansar Bayd al-Maqdis, een aan ISIL verwante Egyptische terreurgroep, haar offensief in de Sinaïwoestijn wellicht nog verder zal opvoeren in 2014.

Het lijkt een kwestie van tijd vooraleer ook Hamas, de ideologische zusterorganisatie van de Egyptische moslimbroeders, door Cairo bestempeld wordt als een ‘terroristische organisatie’. Dergelijke actie zou niet enkel de reeds toenemende anti-Palestijnse sentimenten in Egypte nog versterken, het zet tevens de deur open voor mogelijk Egyptisch militair ingrijpen in Gaza en maakt verzoening tussen de twee grootste Palestijnse facties, Hamas en de Fatah van de Palestijnse President Abbas, onmogelijk. Dit heeft een directe impact op het Israëlisch-Palestijnse vredesproces. Het hoeft dat ook niet te verwonderen dat de Israëlische President Peres op 5 januari de Egyptische machthebbers prees voor hun ‘oorlog tegen Hamas’. Immers, in de woorden van voormalig hoofd van de Israëlische inlichtingendienst Mossad, Meir Dagan: “Het is niet meer nodig om Hamas te vernietigen, Egypte speelt die rol reeds”. Er is zo sprake van een groeiende Israëlisch-Egyptische toenadering: de vijand van je vijand is immers je vriend, in het bijzonder in het Midden-Oosten.

De revolutie van 2011 lijkt ondertussen dood en begraven. Het leger keerde zich niet enkel tegen de moslimbroeders, maar gaf ook een niet mis te verstaan signaal aan liberale activisten die mee aan de wieg stonden van de revolutie van 2011 en nu opnieuw de straat opkomen tegen de nieuwe machtsgreep van het leger. Op 22 december werden drie prominente leiders van de revolutie tot drie jaar cel veroordeeld voor hun protest tegen de nieuwe protestwet. “Foltering in gevangenissen is nog steeds aan de orde van de dag, en het Ministerie van Binnenlandse Zaken is terug wat het vroeger was. De protestwet werd goedgekeurd, en de onderdrukking van vrijheden is terug (…) Alles waartegen we in opstand kwamen tijdens de revolutie van 2011 is terug, en zelfs erger dan ervoor”, aldus Ahmed Maher, één van de veroordeelde activisten.

Het grondwettelijk referendum van 14 en 15 januari zal alvast een indicator zijn van de populariteit van het leger, de al dan niet groeiende politieke apathie van de Egyptenaren en de slagkracht van de moslimbroeders om te mobiliseren tégen het referendum. Een andere vraag is of Generaal al-Sisi zich kandidaat zal stellen voor de naderende presidentsverkiezingen of niet, terwijl het ook uitkijken wordt of de moslimbroeders en gedesillusioneerde jongerenbewegingen de derde verjaardag van de revolutie van 2011 kunnen aangrijpen om opnieuw massaprotesten op de been te brengen. 

Turkije in 2014: het begin van het einde voor de Sultan?

2013 was eveneens een bewogen jaar voor de Turkse Eerste Minister Erdogan. De door Saoedische petrodollars (Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Koeweit beloofden meer dan 12 miljard dollar aan hulp voor het nieuwe militaire regime, nvdr) ondersteunde militaire coup in Egypte en het aftreden van de Qatarese Emir al-Thani ten voordele van zijn meer op binnenlandse problemen gefocuste zoon verzwakte de door Erdogan geleide regionale alliantie van de politieke islam tussen Turkije, het Egypte van de moslimbroeders, en Qatar. De gewelddadige onderdrukking van de Gezi-protesten in Istanbul eind mei en begin juni beschadigden bovendien Erdogan’s internationale imago, terwijl midden december een corruptieschandaal losbrak waarin verschillende Erdogan-getrouwen in nauwe schoentjes kwamen. Een machtsstrijd tussen de AKP van Erdogan en hun vroegere bondgenoot Fethullah Gülen, die via zijn ‘Gülenbeweging’ tal van ondernemingen, media, scholen en pionnen binnen het Turkse gerecht, bureaucratie en veiligheidsdiensten controleert, kwam op de voorgrond. Verschillende AKP-ministers moesten ontslag nemen, en Erdogan reageerde door tal van Gülen-getrouwen binnen het gerecht en de veiligheidsdiensten te ontslaan.

Het laatste woord in de machtsstrijd tussen Erdogan en Gülen lijkt nog niet gezegd. Waarnemers wijzen ondertussen op de economische gevolgen van Erdogan’s beleid in 2013, dat Turkije dreigt op te zadelen met een imago van een steeds instabielere en autoritaire ‘bananenrepubliek’. Zo’n perceptie is dodelijk voor de kredietwaardigheid van het land en het aantrekken van buitenlandse investeringen.

Het wordt dan ook uitkijken naar de implicaties van dit alles op de lokale verkiezingen in maart, de presidentsverkiezingen in juni en het vredesproces met de Koerdische PKK. De machtsverhoudingen in Turkije, dat actief de Syrische rebellen ondersteunt met wapens en geld en niet bijster geïnteresseerd lijkt in het beter beveiligen van haar grenzen met Syrië om de instroom van buitenlandse jihadi’s te belemmeren,  heeft immers een directe impact op de toestand in Syrië. 

Schaken tijdens een lange lente

Van het oorspronkelijke optimisme rond een snelle en vreedzame overgang naar democratie lijkt drie jaar na het uitbreken van de Arabische Lente nog weinig over te blijven. Dat hoeft niet te verwonderen. De gewone Arabier die de straat opkwam voor een beter leven en protesteerde tegen het gebrek aan democratische rechten en de groeiende sociaal-economische kloof tussen de haves en have-not’s de afgelopen dertig jaar in (de door het Westen gesteunde) Arabische dictaturen blijft het eerste slachtoffer van machtsspelletjes waarin geweld gebruikt wordt als een politiek instrument om gevestigde belangen veilig te stellen.

Al snel was er sprake van een Saoedi-geleide tegenrevolutie waarbij overblijfselen van de oude regimes teruggrepen op de aloude tactiek van het aanwakkeren van religieuze en sektarische gevoelens, het bevorderen van haat en wantrouwen tussen bevolkingsgroepen, en het creëren van een klimaat van chaos en geweld om democratische verandering van onderuit af te houden. Angst blijft immers het favoriete instrument van starre dictaturen. “Een clash tussen een verleden dat weigert verleden te zijn en een toekomst die nog heden moet worden”, zoals Galal Nassar de afgelopen drie jaar onlangs beschreef in het Egyptische weekblad al-Ahram.

2014 zal hierop geen uitzondering brengen, en getuige zijn van een nieuw rondje ‘schaken voor gevorderden’ tussen Riyadh, Teheran, Damascus, Jeruzalem, Ankara, Cairo, Beirut, Bagdad, Gaza City en Ramallah. De sleutel tot verandering ligt in Genève. The game is on.

 

Oost-Jeruzalem, 12 januari 2014. 

 

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3253   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift