'Zoveel mogelijk Palestijns land met zo weinig mogelijk Palestijnen': het Israëlische beleid in de ‘South Hebron Hills’

De inspanningen van de Amerikaanse buitenlandminister John Kerry om tot een ‘framework agreement’ te komen die als basis moet dienen voor een Israëlisch-Palestijnse vredesakkoord gaan onverminderd voort. Hetzelfde kan helaas ook gezegd worden van de brutale impact van de Israëlische bezetting op Palestijnse dorpen in de Westoever, en de gedwongen transfer van de lokale bevolking. Een verslag van een bezoek aan de ‘South Hebron Hills’.

 

Willem Staes

15 februari 2014
MO*wereldbloggers

Susiya, een zonnige donderdagmiddag in februari. Eén van de vele niet-erkende Palestijnse dorpen in de ‘South Hebron Hills’, een landelijk en heuvelachtig gebied in het Zuiden van de bezette Westoever. Ik bezoek het ‘dorp’, dat grotendeels bestaat uit een verzameling tenten, samen met een gids van Breaking the Silence, een Israëlische organisatie die getuigenissen van voormalige Israëlische soldaten die actief waren in de Westoever verzamelt. De Israëlische autoriteiten erkennen het dorp niet, waardoor de 350 inwoners niet aangesloten zijn op water-of elektriciteitsvoorzieningen, nauwelijks toegang hebben tot onderwijs of gezondheidszorg, en onder de voortdurende dreiging leven dat hun huis gesloopt zal worden. Het dorp bevindt zich in de schaduw van de gelijknamige Israëlische nederzetting, en is omgeven door verschillende ‘outposts’, mini-nederzettingen die zelfs volgens Israëlische wetgeving illegaal zijn.

Water als centrale bekommernis

Ik praat erover met Nasser, een lokale activist. Hij vertelt over hoe hij maar niet kan begrijpen dat zijn dorp, waarvan de ontstaansgeschiedenis teruggaat tot de negentiende eeuw (lang voor de stichting van de staat Israël in 1948), niet erkend wordt door de Israëlische overheid. Integendeel: veeleer dan het dorp te erkennen en er een masterplan voor te ontwikkelen, doet de Israëlische ‘Civiele Administratie’, het orgaan van het Ministerie van Defensie dat verantwoordelijk is voor het bestuur van ‘Area C’ gebieden (de 62 percent van de Westoever die onder directe Israëlische controle vallen, nvdr), er alles aan om het leven van Palestijnen in Susiya en de omliggende dorpen onmogelijk te maken. Internationale humanitaire organisaties zijn het erover eens dat dit beleid gezien kan worden als een uitdrukkelijke vorm van ‘gedwongen transfer’ van de inheemse Palestijnse bevolking.

Onder een loden middagzon vertelt Nasser hoe het gebrek aan water de centrale bekommernis is in Susiya. “Israël wil deze plaats uitdrogen, om zo de Palestijnen te verdrijven”. Hij legt uit dat de meeste waterputten in een gebied liggen dat door het Israëlische leger tot een ‘speciale veiligheidszone’ is uitgeroepen, waardoor Palestijnen er geen toegang tot hebben. Wanneer de dorpsbewoners nieuwe waterputten wilden bouwen weigerde de Civiele Administratie bovendien hiervoor een vergunning af te leveren. Ondertussen lopen er wel pijpleidingen dwars door privaat Palestijns land die de nabijgelegen nederzetting rijkelijk van water voorzien. Nasser vertelt over een gesprek met een Israëlische officier die uitlegde dat ‘illegale dorpen’ uiteraard niet aangesloten worden op de pijpleidingen. Diezelfde ‘glasheldere’ logica wordt echter niet toegepast op illegale Israëlische outposts, die wél aangesloten zijn op het netwerk. Cijfers van de Israëlische watermaatschappij Mekorot tonen ondertussen dat de gemiddelde dagelijkse Israëlische waterconsumptie tussen de 100 en 230 liter per persoon ligt. Susiya en de omliggende Palestijnse dorpen moeten het stellen met minder dan 60 liter per dag per persoon. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteert een standaard van 100 liter per dag per persoon.

Diezelfde discriminatie in watervoorziening werd ter sprake gebracht tijdens de speech van Martin Schulz, voorzitter van het Europese Parlement, voor het Israëlische parlement afgelopen woensdag. Verschillende Israëlische parlementsleden verlieten woedend de zaal, en Schulz werd beschuldigd van ‘anti-semitisme’. De Israëlische Premier Netanyahu zei dat Schulz’ cijfers niet correct waren, maar niemand leek de moeite te nemen om überhaupt te ontkennen dat er grote ongelijkheden bestaan in de watervoorziening van Palestijnen en Israëli’s. “(Het maakt niet uit) hoe groot de ongelijkheid exact is. Maar laten we teruggaan tot het principe. De huidige Israëlische regering, geleid door die man van ‘morele verwarring’, aanvaardt de vooronderstelling dat Joden meer (water) verdienen. En dat is de fundamentele morele vooronderstelling en tijdbom die verder tikt aan de poorten van eender welke huidige of toekomstige vredesakkoord”, aldus Avraham Burg, voormalig Israëlisch parlementsvoorzitter, in de Israëlische krant Haaretz.

De gedwongen transfer van Palestijnen (bis)

De waterproblematiek gaat bovendien hand in hand met een discriminatief planning-en zoningbeleid. De Civiele Administratie weigert masterplannen te ontwikkelen voor Susiya en de omliggende dorpen (1 uitzondering niet na gesproken), en het bemachtigen van bouwvergunningen voor huizen, wegen, scholen, medische infrastructuur, stallen of waterputten is quasi-onmogelijk voor Palestijnen. Minder dan 1 percent van alle ‘Area C’ gebieden in de Westoever is afgebakend voor Palestijnse ontwikkeling, terwijl 94 percent van de Palestijnse bouwaanvragen in Area C in de periode 2000-2007 afgewezen werd door de Civiele Administratie. Palestijnen worden zo nauwelijks een andere keuze gelaten dan illegaal te bouwen, waarop het Israëlische leger er als de kippen bij is om deze ‘illegaal’ gebouwde constructies met de grond gelijk te maken.

Cijfers van UNOCHA, het coördinatieorgaan voor humanitaire zaken van de Verenigde Naties, tonen aan dat tussen 2011 en 2013 alleen al 1676 structuren in Area C gesloopt werden wegens het ontbreken van een bouwvergunning of uit ‘militaire noodzaak’. 2626 Palestijnen werden zo gedwongen verplaatst, terwijl het Strategic Response Plan van UNOCHA voor de periode 2014-2016 stelt dat nog eens 25000 Palestijnen in Area C bedreigd worden met de sloop van hun infrastructuur. 

De Palestijnse bevolking leeft zo in constante angst dat hun bezittingen en essentiële infrastructuur met de grond gelijk gemaakt zullen worden door het Israëlische leger. De geschiedenis dreigt zich zo steeds opnieuw te herhalen. Het oude Susiya werd in 1986 door Israël uitgeroepen tot een archeologische site, waarop alle huizen gesloopt werden en de bevolking op straat kwam te staan. Het ‘nieuwe’ Susiya was in 2001 opnieuw het slachtoffer van Israëlische bulldozers, terwijl een reeks nieuwe huizenslopen in 2011 37 Palestijnen op straat zette. Zeventig percent van de structuren in het huidige Susiya worden vandaag bedreigd met sloop. “Het leven hier is telkens enkel voor zes maanden, erna zien we wel weer verder”, aldus één van de inwoners van Susiya.

Onderwijs en gezondheidszorg zijn ondertussen een schaars goed geworden in Susiya en omstreken. De meeste scholen en hospitalen in de omgeving hebben een slooporder gekregen, waardoor de lokale bevolking sterk afhankelijk is van de infrastructuur in Yatta, de dichtstbijgelegen Palestijnse stad die onder de controle van de Palestijnse Autoriteit (PA) valt. Het onherbergzame karakter van de streek bemoeilijkt echter het transport tot Yatta, terwijl de Civiele Administratie nauwelijks bouwvergunningen voor geasfalteerde wegen aflevert aan Palestijnen.

De niet-erkende dorpen in de ‘South Hebron Hills’ zijn bovendien afgesneden van het lokale elektriciteitsnetwerk. Internationale donoren investeerden de afgelopen jaren daarom in verschillende projecten gericht op het opwekken van groene stroom. De Civiele Administratie besliste in 2012 echter dat ook deze zonnepanelen en windmolens gesloopt moesten worden, een beslissing die enkel ingetrokken werd na massale juridische en diplomatieke druk. Nasser blijft zo strijdvaardig: “het grote verschil met mijn vader en grootvader is dat ik wél het oor van de internationale gemeenschap en Israëlische vredesactivisten heb. Dat stemt me hoopvol. We vragen niet voor wat voor gunsten dan ook, enkel om ons met rust te laten en ons toe te laten gebouwen, waterputten en elektriciteitsvoorzieningen te maken”

Leven in de Wild West

We vervolgen onze weg, en passeren één van de nabijgelegen ‘outposts’, Havat Lucifer. Alle outposts in het gebied werden gebouwd zonder een officieel plan, en ze worden zelfs in Israël als ‘illegaal’ gezien. In tegenstelling tot hun ‘illegale’ Palestijnse buren enkele kilometers verderop zijn de outposts echter wel aangesloten op het water-en elektriciteitsnetwerk, en worden ze met elkaar verbonden door geasfalteerde wegen. De regering-Netanyahu besliste in februari 2011 bovendien dat bepaalde illegale outposts retroactief gelegaliseerd kunnen worden, een gunst die de omliggende Palestijnse dorpen vooralsnog niet te beurt is gevallen.

De overgrote meerderheid van de kolonisten in de ‘South Hebron Hills’ zijn nationaal-religieuze kolonisten, die claimen een goddelijke aanspraak op het land in de Westoever te hebben. Palestijnen zijn voor hen hooguit ongewenste en tijdelijke ‘bezetters’ van ‘hun’ land, waardoor alle middelen goed zijn om hun claim kracht bij te zetten en Palestijnen het leven zuur te maken. UNOCHA registreerde 1049 incidenten waarbij kolonisten Palestijnen fysiek aanvielen of Palestijns eigendom beschadigden in de periode 2011-2013. Indien men de periode 2012-2013 vergelijkt met de periode 2009-2010 is er sprake van een stijging van het aantal incidenten met 57.2 percent. In 2013 alleen al werden 10672 Palestijnse olijfbomen ontworteld door kolonisten, terwijl dit in 2009 er nog 2521 waren.

En de Israëlische autoriteiten? Ze staan erbij en kijken er naar. Sterker nog, talloze getuigenissen van voormalige soldaten aan Breaking the Silence tonen hoe de voornaamste taak van het Israëlische leger in de Westoever juist het beschermen van de kolonisten is, ongeacht of deze zelf de wet overtreden of Palestijnen aanvallen. Onderzoek van de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din toont daarnaast dat 91.5 percent van alle gerechtelijke onderzoeken naar geweld van kolonisten in de periode 2005-2013 afgesloten werd zonder vervolging.

De gids van Breaking the Silence vertelt over een incident in de omgeving van Susiya waarbij een kolonist stenen gooide naar een Israëlische soldaat. De soldaat schoot in de lucht om de kolonist af te schrikken, wat hem prompt 35 dagen cel opleverde voor ‘buitensporig geweld’. Van dergelijke strenge bestraffing van ‘buitensporig geweld’ van soldaten kunnen Palestijnse stenengooiers enkel dromen. Niet alleen kunnen ze voor maanden of zelfs jaren de cel in vliegen voor het gooien van stenen, de Israëlische militaire rules of engagement staan ook toe dat er met scherp geschoten kan worden op stenengooiers. Dat vertaalt zich ook in de cijfers: in 2013 werden in totaal 27 Palestijnen in de Westoever doodgeschoten door Israëlische soldaten, terwijl nog eens 3881 Palestijnen gewond raakten door Israëlische legergeweld.

De Westoever wordt zo steeds meer een Wild West geregeerd door dubbele standaarden waar kolonisten gewoon hun zin doen, met de stilzwijgende instemming van de Israëlische autoriteiten.

“Making our presence felt”

De medewerker van Breaking the Silence, een twintiger die drie jaar in het Israëlische leger heeft gediend in de ‘South Hebron Hills’, doet ondertussen een boekje open over de psychologische terreur die het leger uitoefent op Palestijnen in de Westoever. “De legerdoctrine kan eigenlijk samengevat worden in één zin: ‘onze aanwezigheid laten voelen’, Palestijnen eraan herinneren dat we hier zijn, en dat we nergens anders heen gaan”. Hij vertelt over het willekeurig opwerpen van wegbelemmeringen en tijdelijke checkpoints, het doorzoeken van vrachtwagens zonder duidelijke aanwijzingen dat de chauffeur iets verkeerd heeft gedaan, en het tijdelijk in beslag nemen van autosleutels van voertuigen die langs een tijdelijk checkpoint passeren.

De nachtelijke ‘mapping’- praktijken springen echter het meest in het oog: “we vallen een huis binnen om 2h ’s nachts, verzamelen de hele familie in 1 kamer, en doorzoeken het huis. Vaak weten we niet echt wat we juist zoeken, maar we halen alleszins het hele huis overhoop en het is niet erg als we zaken kapot maken”. Gevraagd welke taal er gesproken wordt tijdens zo’n raid glimlacht hij: “weinig soldaten spreken Arabisch, maar dat is niet zo belangrijk. Je geweer is de beste taal die je hebt in zo’n situaties”. Hij vervolgt: “we zetten iedereen tegen een muur, en nemen foto’s van alle familieleden”. De voormalige soldaat raakte echter al snel van de illusie af dat hij op die manier bijdroeg aan het verzamelen van belangrijke inlichtingen. “Niemand vroeg me achteraf om mijn foto’s door te sturen. Het duurde even voor ik de logica doorhad. ‘Mapping’ heeft niets te maken met veiligheid. Het enige doel is onze aanwezigheid te laten merken, en Palestijnen het gevoel te geven dat ze voortdurend opgejaagd worden. Dit is routine: ik heb voor Breaking the Silence ondertussen dozijnen ex-soldaten geïnterviewd, en ze vertellen allemaal hetzelfde”.

‘Zoveel mogelijk Palestijns land met zo weinig mogelijk Palestijnen’

De gids van Breaking the Silence besluit: “onze organisatie wordt vaak versleten als een bende landverraders omdat we de vuile was van Israël zouden buitenhangen aan buitenlanders. Niets is echter minder waar. We zijn niet tegen het bestaansrecht van Israël of tegen de veiligheid van Israël, we zijn zelf immers Israëli’s. We zijn wel tegen de Israëlische bezetting van een ander volk”.

De Israëlische regering lijkt echter niet bijster geïnteresseerd in het einde van de bezetting. Veeleer dan een duurzame vrede na te streven, worden steeds meer nederzettingen gebouwd, Palestijnse huizen gesloopt en Palestijnen gedwongen getransfereerd, en Palestijnen op talloze andere manieren het leven zuur gemaakt. Dergelijk beleid moet de grond voorbereiden voor een annexatie van (grote delen van) Area C-gebieden, de Jordaanvallei en de ‘South Hebron Hills’ in het bijzonder.

Een semi-autonome Palestijnse rompstaat kan dan blijven bestaan in de centrale Westoever, die nu reeds de grote Palestijnse bevolkingscentra omvat. Diezelfde bevolkingscentra zijn nu echter al overbevolkt, terwijl de natuurlijke groei in deze centra een nood aan extra territorium voor stedelijke expansie impliceert. Dat lijkt echter de laatste zorg van Israël: de idee van het verwerven van ‘zoveel mogelijk Palestijns land met zo weinig mogelijk Palestijnen’ heeft sinds 1948 een centrale rol gespeeld in het Israëlische beleid in de Westoever. Anno 2014 is er geen enkele reden om aan te nemen dat hier iets aan veranderd is. 

Susiya/Oost-Jeruzalem, 15 februari 2014

LEES OOK

Vandaag, op 20 juni en Wereldvluchtelingendag, verschijnt de film ‘Dying for Life’ van Andrés Lübbert en Hussein Shabeeb in Belgische zalen.
Lisa Goldman (CC BY-NC 2.0)
Hagai El-Ad is algemeen directeur van de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem. De Israëlische jood is begaan met de veiligheid en de stabiliteit van zijn land.
Melissa Youngern (CC BY-NC-ND 2.0)
Dankzij Erdogan heeft Vlaanderen zijn trotse Turken herontdekt.

Meest recent van Willem Staes

UNODA (CC0)
NoNukesBlog #5: Quo vadis, nucleaire NAVO?
Het is gebeurd. 122 landen keurden vrijdag in New York een internationaal verbodsverdrag goed dat kernwapens verbiedt. Kernwapens zijn vanaf nu illegaal onder internationaal recht.
© Vrede vzw
NoNukesBlog #4: Nucleaire Gollums in Brussel
In maart 2017 gingen binnen de Verenigde Naties historische onderhandelingen van start, die deze week zullen leiden tot een nieuw internationaal verbodsverdrag op kernwapens.
© Willem Staes
NoNukesBlog #3: Lobbyen voor een kernwapenverdrag
In maart 2017 gingen binnen de Verenigde Naties historische onderhandelingen van start, die deze week zullen leiden tot een nieuw internationaal verbodsverdrag op kernwapens.
Tim Wright (CC BY 2.0)
NoNukesBlog #2: De laatste rechte lijn naar een kernwapenverbod
In maart 2017 gingen binnen de Verenigde Naties historische onderhandelingen van start, die deze week zullen leiden tot een nieuw internationaal verbodsverdrag op kernwapens.