Leerlingen met een andere etnische afkomst krijgen bijna automatisch het etiket ‘taalachterstand’ op zich gekleefd.

Op zoek naar een volmaakte taal

© MO.be

Leerkracht en masterstudente Ann Smedts: ‘Microagressies zijn allemaal voorbeelden van een bepaald beeld dat je van iemand hebt, zonder het zeker te weten, en bij uitbreiding van de groep waar die persoon toe behoort.’

‘Ik hoor het u al denken: weer iemand die wil beslissen welke woorden nog wel of niet gebruikt mogen worden’, schrijft Ann Smedts, leerkracht én masterstudente. Misschien moeten we onze goedbedoelde opmerkingen toch eens kritisch bekijken, bedenkt ze zich in deze blog. En misschien moeten we soms de inhoud van de discussie niet bedelven met discussies over woorden.

Sticks and stones may break my bones, but words will never hurt me.’ Stokken en stenen kunnen mijn botten breken, maar woorden zullen mij nooit pijn doen. Dat gaat al lang niet meer op. Woorden kwetsen wél. Misschien soms wel meer, net omdat de schade vaak onzichtbaar blijft. Moeten we naast zinloos geweld ook plaats maken voor taalgeweld?

Ik hoor het u al denken: weer iemand die wil beslissen welke woorden er wel of niet mogen gebruikt worden. Op den duur krijg je niets meer gezegd. Ik geef u, voor een deel, gelijk. Die talige gevoeligheden lijken er soms voor te zorgen dat het moeilijk wordt om iets gezegd te krijgen zonder op iemands tenen te trappen. Woke zijn, heet dat volgens jongeren.

‘Domme, domme fouten’

Het lijkt meer te gaan over de woorden die je gebruikt dan het onderwerp waarover je iets wil vertellen.

 

Ook in de klas vind je dit terug. Leerlingen zijn zich van kleins af aan bewust dat je sommige woorden maar beter niet meer zegt. Dat we niet praten in stereotypen. Dat we geen veralgemeningen gebruiken wanneer we het hebben over een groep mensen. Dat we vooral op zoek moeten gaan naar datgene wat ons verbindt, in plaats van naar datgene wat ons scheidt.

En dat is allemaal prima. Want de onderliggende boodschap is er eentje van verdraagzaamheid. En daar kan niemand iets op tegen hebben, toch?

Ons voorzichtige taalgebruik gaat hand in hand met een soort van algemene vriendelijkheid die onder het toeziend oog van pedagogen in onze communicatie is binnengeslopen. Zo is het kind dan de jaren ‘60 ‘stout’ was nu een ‘kind met problematisch gedrag’, met al dan niet een ‘moeilijke thuissituatie’. De leerkracht die 35 jaar geleden op mijn toets van rekenen schreef: ‘Dit zijn heel domme, domme fouten, Ann’ zou nu - na een mailtje van de ouders - een bezoekje aan de directie mogen brengen.

Het wordt leerkrachten nu in de lerarenopleiding aangeleerd: het gedrag van het kind is fout, niet het kind zelf. Deze evolutie in hoe we iets zeggen tegen kinderen, maar vooral hoe we over kinderen spreken, kan alleen maar gezien worden als een vooruitgang. En moet absoluut toegejuicht worden.

‘Wat is je Nederlands goed!’

Toch kan er soms wat ruis zitten op al die goedbedoelde en positieve boodschappen. Wanneer je bijvoorbeeld tegen een leerling met een andere etnische afkomst verwonderd zegt: ‘Amai, jouw Nederlands is goed.’

Op het eerste zicht lijkt er niks aan de hand. Je spreekt immers een kind aan waarvan je denkt dat de thuistaal niet Nederlands is en geeft een compliment, dat zijn of haar Nederlands goed is. Het wordt net iets pijnlijker als blijkt dat het kind – net als de ouders - In België geboren is, naar een Nederlandstalige school is gegaan en in een Nederlandstalige sportclub zit. Het feit dat het kind goed Nederlands praat, leest en schrijft is dus helemaal niet verwonderlijk.

Wat je dan, vaak met de beste bedoelingen, meegeeft is een algemeen beeld: dat leerlingen met een andere etnische achtergrond slecht zijn in Nederlands. Onderhuids is het geen verwondering, maar een uiting van een bepaald wereldbeeld. En dus, jawel, een vooroordeel.

Een leerling met een andere etnische afkomst krijgt bijna automatisch het etiket ‘taalachterstand’ op zich gekleefd. Het zit ‘m ook vaak in andere uitspraken. Vragen als ‘Waar ben je geboren?’, ‘Welke taal spreken jullie eigenlijk thuis?’ of ‘Mag jij dat wel van je godsdienst?’ Het zijn allemaal voorbeelden van een bepaald beeld dat je van die leerling hebt, zonder het zeker te weten, en bij uitbreiding van de groep waar die leerling toe behoort.

Lees ook De War on Woke
Ik ben er echt van overtuigd dat deze opmerkingen vaak vanuit een goede plek komen. Dat ze echt als complimentjes worden bedoeld. Maar misschien moeten we naast deze goedbedoelde plek toch een filter voorzien? Want niet alle goede bedoelingen die uit onze mond vertrekken, belanden ook in dezelfde vorm in iemands oren.

Wanneer je keer op keer hoort dat je beter scoort dan de “gemiddelde andere persoon” uit jouw etnische groep, of ‘dat jouw Nederlands toch wel heel erg goed is voor een Marokkaan’, dan heeft dat vroeg of laat invloed op jouw zelfbeeld.

De bedoeling van de zender, het ongenoegen van de ontvanger

Het zijn deze dagelijkse – en op het eerste zicht kleine - opmerkingen die voor een kind telkens een bevestiging kunnen zijn dat ze anders zijn. Dat ze er, omwille van hun anders-zijn, niet bij horen. En, nog erger, dat ze eer ook nooit bij zullen horen.

Microagressie, zo worden zulke kleine opmerkingen genoemd. De persoon die ze geeft, ziet ze niet gezien als fout, ongepast of kwetsend. Maar de ontvangers van deze microagressie zien het helemaal anders.

En daar wordt het een beetje hachelijk. Want wanneer ontvangers van zulke opmerkingen, of de groep waartoe ze horen, hun ongenoegen laten blijken of hun eigen micro-opstandje ontketenen, worden ze afgeschreven als flauw, overgevoelig en misschien zelfs te woke voor hun eigen bestwil.

Ergens moet er toch een tussenweg zijn, niet?

Persoonlijk vind ik ‘flietjes van de Chinees’ flauwe, onnozele humor, maar het staat iedereen vrij om over de grond te rollen van het lachen. Het is voor mij net zo goed helemaal oké om te laten blijken dat je niet gediend bent met een dergelijke ‘grappig bedoelde’ opmerking. Wees wel voorbereid op de dooddoener ‘Het was maar om te lachen, hé.’

Eventuele excuses

Wat ik eigenlijk vooral niet wil, is de situatie waarin een van mijn professor in zich onlangs in bevond. Ze begon haar les door zich te excuseren voor eventueel taalgebruik dat eventueel iemand zou kunnen kwetsen. Voor de goede orde: ze had helemaal nog niets gezegd wat misschien ook maar dat beetje kwetsend of fout had kunnen zijn.

Haar excuses kwamen voort uit een e-mail die een studente haar gestuurd had naar aanleiding van een gastles. De gastprofessor had op een vraag geantwoord: ‘Eigenlijk ken ik daar het antwoord niet op, dat is allemaal Chinees voor mij.’ De e-mailende studente was van Chinese afkomst. Ze kon de opmerking van de gastprof niet smaken en kroop in haar pen om haar ongenoegen te uiten.

Meer professoren wikken en wegen voortdurend hun woorden. Uit goede bedoelingen, omdat ze hun boodschap zo inclusief mogelijk willen brengen. Maar als we voortdurend moeten nadenken over hoe we iets gaan zeggen, raakt de essentie – ondanks al onze goede intenties – bedolven onder allerlei woorden, termen en definities waardoor we bijna onverstaanbaar worden. Het maakt eender welke discussie bijna onmogelijk. En zonder discussie is elke kans op vooruitgang verloren.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Leerkracht

    Ann Smedts geeft les in het secundair onderwijs en is mama van vier schoolgaande kinderen. Daarnaast volgt ze aan de UGent de masteropleiding Gender en Diversiteit.