Bergen worden vernietigd om steden elders op te kunnen bouwen

Een circulaire stad mag zijn bergen, velden en rivieren niet vergeten

© Wendy Wuyts

Een van de wijken waar armere mensen ten tijde van de mijnbouw woonden

Na Japan en de Antwerpse Kempen woont milieuwetenschapper Wendy Wuyts sinds deze zomer in Noorwegen. In augustus bezocht ze een traditioneel en voormalig mijndorp in een meer afgelegen landelijk gebied. Daar reflecteert ze over wat een landelijke of een geïntegreerde circulaire economie kan betekenen.

Noorwegen wordt vaak gezien als een ‘groen land’, niet alleen voor de vele groene ruimtes, maar ook voor zijn herbebossingsprogramma’s, het buitenluchtleven, hun rol in de ontwikkeling van een milieubeleid in de jaren ’60 en ’70. Denk bijvoorbeeld aan het Brundtland rapport, genoemd naar de Noorse minister.

Noorwegen wil een pionier zijn. Dan is het wel een beetje ironisch dat ze eerst naar de EU kijken.

Anderzijds is Noorwegen ook een olie-economie met een niet bepaald duurzame visindustrie.

In juni 2021 lanceerde Noorwegen haar nationale strategie voor een transitie naar een circulaire economie. Ik heb het niet in detail gelezen, omdat het alleen in beschikbaar is in het Nynorsk. Maar wat ik van andere onderzoekers heb gehoord, is dat het heel erg gebaseerd is op de circulaire plannen van de Europese Unie. De focus ligt op plastic en elektrisch afval. Ze willen een pionier zijn. Dan is het wel een beetje ironisch dat ze eerst naar de EU kijken.

Zelf ben ik meer geïnteresseerd in lokale vertalingen van circulariteit. Ik begin pas in september met mijn werk, maar ik vertrok al begin augustus naar Noorwegen. Drie weken lang verbleef ik in een meer afgelegen berggebied om te acclimatiseren. Daar deed ik gegidste wandelingen en voerde gesprekken met lokale vrienden, waaronder geografen met kennis van traditionele landbouw. Op mijn eentje bezocht ik ook bosbaden en musea. Die bezoeken nodigden me uit om te reflecteren wat een “landelijke” circulaire economie kan zijn, maar ook welke spanningen er kunnen optreden.

Met circulaire steden alleen komen we er niet

Sinds enkele jaren lanceren steden zoals Amsterdam en Londen strategieën om hun steden meer circulair te maken. Ook in België verkennen steden wat circulariteit kan betekenen. Maar kijken ze ook naar hun interactie met grondstoffen en mensen in de meer landelijke regio’s? Of kijken ze alleen naar wat er binnen de administratieve grenzen van hun stad gebeurt?

In Japan heerst er kritiek op de Europese definitie van circulariteit.

Afgelopen jaren werkte ik in Japan en leerde over hun concept van circulariteit. Japanse onderzoekers hebben eigenlijk kritiek op het Europese concept. Ze zeggen dat in het concept een ‘ruimtelijke dimensie’ ontbreekt.

In hun concepten leggen Japanners meer nadruk op de integratie van stedelijke ecosystemen met hun landelijke achterland (en in acties die landelijke revitalisering bevorderen), op de verschuiving naar een economie die gebaseerd is op hernieuwbare energie en natuurlijke hulpbronnen (land- en bosbouw), en op lokale en regionale landschappen.

Europese onderzoekers en praktijkmensen richten zich aanvankelijk meer op de maakindustrie, zoals de bouw en de industrieën in havens. Ze maken alleen plannen (en vooral indicatoren over) circulariteit in de stedelijke economie in plaats van op grotere schaal, en negeren hoe ruimtebeleid ook een rol speelt.

Marketing vs. de werkelijkheid

De afgelopen twee jaar zag ik wel wat verandering. Ruimte, het Vlaams magazine voor planners, publiceerde dit jaar een editie over circulaire gebiedsontwikkeling. Daarin lees ik weinig “voorbeelden” van landelijke circulaire economie of de interactie tussen het stedelijk en landelijk component.

Nadat ik zelf terug anderhalf jaar in de Kempen heb gewoond, weet ik dat ik veel initiatieven en ideeën als circulair kan labelen. Er is een verschil tussen marketing en wat er in de werkelijkheid gebeurt.

Hetzelfde zie ik in Noorwegen. Ik zie veel data en kennis, en initiatieven die de transitie meer duurzaam, circulair en sociaal (kunnen) maken, maar ze worden nog niet circulair genoemd.

Aan de Noorse kuststeden beginnen programma’s rond aquacultuur - denk aan zeewier, vis en algen. Landinwaarts lanceren steden zoals Gjøvik hun strategie over bio-economie, die zich richt op lokaal voedsel en bos.

Als ik de rivier Glomma stroomopwaarts ga, ontmoet ik boerinnen die lokale theekruiden verkopen. Maar ook zie ik boeren met grote tractors en hopen niet-gebruikte auto’s die ze daar stockeren omdat ze er toch plaats genoeg hebben.

Terug in de tijd

Verder stroomopwaarts beland ik bijna terug in de tijd.

Ik bracht drie weken door in het traditionele bergdorp Røros, in het oosten van Noorwegen, vlak tegen de Zweedse grens. Het is een van de oudste steden in Europa, bestaat vooral uit houten gebouwen, en prijkt daarmee op de UNESCO-Werelderfgoedlijst.

Røros ontstond in 1644, na de eerste kopervondst in het gebied. In de loop der jaren werd het een van de belangrijkste mijnsteden in Noorwegen.

Een Noorse professor met dezelfde achtergrond als ik zei al dat ik zeker naar het museum moet gaan. ‘Daar ga je een Material Flow Analysis (MFA)-model van koper zien en begrijpen waarom daar zo weinig bomen zijn.’

MFA is een van de methodes in Industrial Ecology, een systeem met als doel om industriële en economische systemen meer als ecologische systemen te maken. Zie het als een soort van boekhouding van hoeveel materialen in en uit gaan, bijvoorbeeld per jaar, en bijvoorbeeld binnen de administratieve grenzen van een natie.

© Wendy Wuyts

Een MFA van koper in het museum van Røros

De Noorse prof had gelijk. Er zijn niet veel MFA-modellen die materiaalextractie van meer dan driehonderd jaar beschrijven. Ik was onder de indruk.

In het museum zie ik kaarten en historische foto’s, waaruit je kan afleiden waar deze koperstromen heen gingen. De haven van Amsterdam, bijvoorbeeld. Je kunt er ook uit opmaken op welke manier het transport verliep en ook welke andere materiaalvereisten nodig waren.

De rivieren, zoals de Glomma, waren heel belangrijk voor het transport. In de winter gebeurde het transport met houten sleeën.

Bomen of brandstof?

Ik heb de afgelopen drie weken ook in dit gebied gewandeld en de omgeving geobserveerd. Ik heb plekken gezien waar er nog overblijfsels zijn van smelterijen. Daar kun je zien wat de straal is van de houtinput die ze gebruikten. Als het hout “op” was, bouwden ze ergens anders een smelterij. Uiteindelijk schakelden ze over op fossiele brandstoffen.

Bomen kappen of fossiele brandstoffen gebruiken, wat is het minste kwaad? Is de fossiele samenleving slechter voor het milieu dan de houtintensieve samenleving?

© Wendy Wuyts

Buiten Røros

In het landschap is nog te lezen waar ze bomen hebben gekapt, en waar ze zijn gestopt omdat het economisch niet meer haalbaar was. Daar kan je oude pijnbomen vinden die wel driehonderd tot vierhonderd jaar oud zijn.

Als ze niet van energiebron waren veranderd, had deze regio misschien geen oude bomen meer.

Afstand is belangrijk in het industriële metabolisme. Maar ik denk dat het belang van de afstand kleiner wordt, afhankelijk van hoe verbonden de plaats is met het gemotoriseerde voertuig. Misschien is toegankelijkheid tegenwoordig een vloek. Als ze niet van energiebron waren veranderd, had deze regio misschien geen oude bomen meer. Nu zie je wel veel jonge berken en andere bomen, en ook nieuwkomers zoals wilgenroosje. Die laatste is een typische plant voor woeste gronden, die pas in Røros verscheen nadat de eerste treinsporen waren aangelegd.

Wat nu?

De mijnbouwactiviteiten zijn vorige eeuw gestopt. Mensen reizen met de auto naar dit afgelegen gebied.

Wat kunnen we van het verleden leren? Ik houd niet van retrospectieve rapporten waar ze gewoon een lijst maken van activiteiten die er al zijn of waren. In dat soort rapporten worden geen alternatieve toekomsten voorgesteld.

© Wendy Wuyts

Uitzicht op de terrils van Røros

Hoe kunnen we de meest duurzame toekomst voor deze regio identificeren? Het verleden van dit voormalig mijnstadje was zeker niet 100 procent circulair, alleen in kleine activiteiten zoals in voedselvoorziening.

Het antwoord is niet eenvoudig. En zelfs als je het vandaag vindt, kan het antwoord morgen anders zijn.

Hoe dan ook zijn dit soort visualisaties reflecties over het verleden, met alle voor- en nadelen, die op hun beurt de publieke verbeelding kunnen stimuleren om betere toekomsten te ontwerpen.

Bergen worden vernietigd om steden elders op te kunnen bouwen.

Als ik naar een kaart van koperhandel zie tussen een mijndorp in een heel afgelegen landelijk gebied en de belangrijke binnen- en buitenlandse havensteden, echoot een anekdote door mijn hoofd die ik deze maand heb gehoord: bergen worden vernietigd om steden elders op te kunnen bouwen.

Ik vraag me af waarom we weinig lezen over de integratie en het belang van een sterke landelijke economie ten dienste van de stad. Wat ik wel weet, is dat een circulaire stad zijn bergen, velden en rivieren niet mag vergeten.

Wendy Wuyts is een milieuwetenschapper bezig met vraagstukken rond circulariteit en gezondheid, een auteur van twee boeken en een gecertificeerde bosbadgids. Ze organiseert ook maandelijkse vrouwencirkels online over oude verhalen en eco-heldinnen. Ze deed haar doctoraat in Japan en woont nu in Noorwegen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Wendy Wuyts deed haar bachelor in geografie aan de Katholieke Universiteit van Leuven en haar Erasmus Mundus Master in Industrial Ecology aan de Universiteit van Graz (Oostenrijk), Asian Institute